Israëlische archeologie

Oudheidkundige discussies hebben doorgaans niet zoveel betekenis, maar er zijn uitzonderingen. Eén daarvan is het maximalisme/minimalisme-debat, dat gaat over het relatieve gewicht van de literaire overlevering en de archeologische vondsten. Er zijn allerlei punten waar die twee soorten bewijsmateriaal elkaar tegenspreken: de aanwezigheid van Caesar in Brittannië is alleen bekend uit teksten en niet uit vondsten, de ruïnes van het antieke Ekbatana lijken in niets op de zeven muren die daar moeten staan volgens de antieke beschrijvingen.

Dit is, bij asymmetrisch bewijsmateriaal, alleen maar te verwachten, maar het creëert wel problemen. Laat je op zo’n moment de geschreven teksten prevaleren of de afwezigheid van de vondsten? Anders gezegd: is je standpunt dat een tekst betrouwbaar is, tenzij je vondsten het tegenspreken, of ga je er pas van uit dat een tekst betrouwbaar is als ze door de vondsten is bevestigd? Het eerste standpunt staat bekend als maximalisme: je veronderstelt een maximale betrouwbaarheid van de teksten. Het tegengestelde is minimalisme.

- advertentie -

Bij dit soort discussies zoeken wetenschappers naar een beslissend experiment. En dat brengt ons naar Israël, waar deze discussie veel meer op scherp staat dan elders. De Britten en Iraniërs liggen er niet van wakker of Caesar in Brittannië is geweest en of er zeven muren stonden om Ekbatana, maar voor Israëli’s is de discrepantie tussen de claims in de geschreven teksten, de Bijbel dus, en de archeologische vondsten een bron voor enige bezorgdheid. Het zionistische project was – en de kolonisatie van de westelijke Jordaanoever is – immers gebaseerd op een “claim op het land”. Als de Bijbel al te opzichtig niet klopt, is er een politiek probleem. Vandaar dat het maximalisme/minimalisme-debat in Israël op het scherpst van de snede wordt gevoerd.

Het spitst zich toe op de datering van enkele grote gebouwen uit de Vroege IJzertijd, zoals de “large stone structure” die in Jeruzalem is gevonden op de helling die bekendstaat als Ophel. Maximalisten hebben dat gebied al “de stad van David” gedoopt, terwijl minimalisten tegenwerpen dat er geen draad bewijs is dat David hier ooit is geweest. (Palestijnen noemen deze wijk Silwan.)

Als de monumentale gebouwen dateren uit het midden van de tiende eeuw v.Chr., zijn ze gebouwd door een machtige heerser. Volgens de Bijbel zou op dat moment koning Salomo aan de macht zijn geweest. Dateren de gebouwen echter uit de negende eeuw, dan is de conclusie dat de eerste monumentale architectuur pas ná Salomo ontstond en dat de bijbelse claims over de koningen David en Salomo overdreven zijn.

Zoals te verwachten, zijn er twee scholen. Aan de ene kant is er de archeologe Mazar, die een vroege datering voorstaat van de gebouwen en dus Salomo beschouwt als grote koning. Aan de andere kant staat Israel Finkelstein, die een lage datering verkiest. De vraag die beslist moet worden is wanneer de toenmalige bewoners zijn begonnen met het maken van het aardewerk dat hoort bij de eerste monumentale gebouwen: maakte men dit zogeheten IJzer IIa-aardewerk vanaf pakweg 1000 v.Chr., zoals Mazar claimde, of vanaf 910, zoals Finkelstein denkt?

De laatste jaren zijn de standpunten al wat in elkaars richting verschoven. Mazar neigde in 2011 naar pakweg 970 v.Chr., terwijl Finkelstein toen dacht aan pakweg 940. In zo’n geval ga je op zoek naar zoveel mogelijk koolstofdateringen van organisch materiaal dat is gevonden met vroeg IJzer IIa-aardewerk. De waarschijnlijkheismarges van die koolstofdateringen combineer je en dan komt er een grafiek uit met een duidelijke top, die dan de gezochte uitkomst markeert. In dit geval bleek de grafiek echter twee toppen te hebben, en die correspondeerden – jawel! – met 970 en 940 v.Chr.

analyse

En dus kwam er een grote opgraving met het expliciete doel deze kwestie voor eens en altijd uit de wereld te helpen. Daarvoor koos men Megiddo uit, een opgraving die zich er goed voor leent om op verschillende plaatsen organisch (en dus: dateerbaar) materiaal te vinden. Zo zou men dan eindelijk de overgang van IJzer I naar IJzer IIa kunnen dateren.

De persberichten meldden al vrij snel dat het gezochte organische materiaal was gevonden. En toen volgde er niets. Terwijl de wereld wachtte op de shoot-out in een van de belangrijkste archeologische discussies aller tijden – Mazar of Finkelstein? Vroeg of laat? Maximalisme of minimalisme? – gingen nieuwe persberichten alleen maar over onbeduidende zaken als goud. De spanning werd zo opgevoerd tot ondraaglijke hoogten.

En nu is de uitkomst er dan. Hier is het artikel. De cruciale uitkomst is:

The disputed transition from the late Iron I to the Iron IIA … falls in the range 985-935 BCE …, meaning that it cannot be decided according to the Megiddo data.

Kortom, ondanks een hoop gedoe is er nog geen uitkomst en is die zelfs niet in zicht.

~ Jona Lendering

Jona Lendering is historicus, webmaster van Livius.org en docent bij Livius Onderwijs. Hij publiceerde verschillende boeken. Zie ook zijn blog: mainzerbeobachter.com

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Gelijk naar geschiedenisboeken over: