Jan Pieterszoon Coen: de koopman-koning in Azië

Jan Pieterszoon Coen is bewonderd als stichter van Batavia, maar ook verguisd omdat hij als gouverneur-generaal van Nederlands-Indië in 1621 op bloedige wijze de Banda-eilanden onderwierp. Dr. Jur van Goor, van 1969 tot 2004 universitair docent geschiedenis van de Nederlandse expansie en kolonialisme aan de Universiteit van Utrecht, vond het tijd voor een herziene analyse van Coens leven en schreef een biografie over hem: Jan Pieterszoon Coen 1587-1629. Koopman-koning in Azië (uitgeverij Boom, 2015).

Van Goors drijfveer om deze biografie te schrijven, omschrijft hij in de inleiding. Zijn interesse voor Jan Pieterszoon Coen heeft mede te maken met de soms wat eenzijdige beeldvorming over de beginjaren van de Verenigde Oost-Indische Compagnie:

“Ik had het gevoel dat de geschiedschrijving over de beginjaren van de VOC aan een herziening toe was. Doordat de nadruk meestal wordt gelegd op de economische aspecten van het bedrijf dreigt het zicht op de politieke rol van de Compagnie verloren te gaan. Vanaf haar oprichting had de Compagnie een dubbel karakter; zij was handelsonderneming en ‘instrument’ in de oorlog met Spanje. Dat politieke aspect heeft van de oprichting tot de ondergang het wel en wee van de VOC bepaald. Bij de ontwikkeling van de internationale handel en die van de Nederlandse staat in Azië speelde Jan Pieterszoon Coen een beslissende rol. Behalve een koopman geschoold in de modernste handelstechnieken van zijn tijd, was hij ook een staatsman die op de hoogte was van de ideeënwereld van de staatsraison, en iemand die – indien nodig – de leiding op zich nam van militaire operaties. Dat gold bij uitstek als een koninklijke taak.” (18,19)

Nauwelijks een A4’tje

Jan Pieterszoon Coen (1587-1629). Bron: www.gahetna.nl / fragment uit cover
Jan Pieterszoon Coen (1587-1629). Bron: www.gahetna.nl / fragment uit cover
Om bovengenoemde redenen typeert de auteur Coen in de titel van zijn biografie als ‘koopman-koning’: hij was handelaar, maar tegelijk ook bestuurder – Van Goor typeert hem als ‘politiek realist’ -, terwijl Coen in voorkomende gevallen optrad als militair leidsman. De klemtoon in de Van Goors biografie ligt op de ideeën, motieven, daden en karakter. Er zijn veel officiële brieven, resoluties en nota’s van Coen bewaard gebleven, waardoor een constructie van zijn beweegredenen goed mogelijk is. Minder materiaal is er over de jeugd van Coen: over de eerste 25 jaar van zijn leven nauwelijks een A4’tje vol. Hierdoor ligt het accent in het hoofdstuk over Coens periode in Hoorn met name op de omgeving en het tijdsgewricht waarin hij opgroeide.

Deze biografie is absoluut welkom, omdat een volledige levensbeschrijving van deze gouverneur-generaal niet voorhanden is. Er is wel het nodige verschenen over Coens leven, zoals H.T. Colenbranders Jan Pieterszoon Coen. Levensbeschrijving (1934) of een artikel van Jan en Annie Romein in Erflaters van onze beschaving (1959), maar daarmee is het wel zo’n beetje gebeurd.

- advertentie -

Aan bod komen onder meer, na een hoofdstuk over Coens jeugd in Hoorn, de jaren 1600 tot 1607 toen hij voor zijn opleiding tot koopman in Rome verbleef, zijn Indische jaren 1613-1629, zijn twee termijnen als gouverneur-generaal in Indië en natuurlijk het drama op de Banda-eilanden in 1621, toen 2000 militairen onder bevel van Coen een groot deel van de eilandbevolking uitmoordden.

Banda

De Verenigde Oost-Indische Compagnie wilde volledige controle over de specerijenhandel in de Oost, maar stuitten op tegenstand en verzet van de bewoners van het op een strategische plek gelegen eiland Banda. Daarbij dreigde de situatie dat de Engelsen wel vaste voet aan wal leken te krijgen op dit eiland. Vaak gingen de Engelsen er met de nootmuskaat en./of andere specerijen op het eiland vandoor als ze meer boden dan de Nederlanders. De VOC wilde de Bandanezen dwingen een overeenkomst te tekenen waarin ze beloofden alleen met de Nederlanders te handelen, maar de Bandanezen weigerden een overeenkomst met het inkoopmonopolie van de VOC te ondertekenen.

Tegen deze achtergrond vond in 1621 de beruchte expeditie van Coen naar Banda plaats, die erin resulteerde dat bijna de gehele eilandbevolking uitgemoord werd. De eerste aanval vond plaats op 7 maart 1621, gevolgd door een tweede, veel grotere aanval op 11 maart. De eilanden werden vrij snel veroverd, maar omdat de Bandanezen de voorwaarden – bijvoorbeeld het inleveren van hun wapens en gedwongen migratie – niet accepteren en er ook aanslagen gepleegd werden op de Nederlanders, liep de situatie uit op massamoord.

Moord op de Banda-eilanden, 1621. Bron: Moluks Historisch Museum
Moord op de Banda-eilanden, 1621. Bron: Moluks Historisch Museum

De analyse die Van Goor van de situatie op Banda geeft, is evenwichtig. Zonder het direct voor Coen op te nemen, stelt hij dat Coen namens de Staten-Generaal, de Prinsen de Heren XVII handelde en ook diverse malen heeft geprobeerd om met de Bandanezen in gesprek te gaan. De moordpartij was zeker niet van tevoren gepland, maar de partijen stonden te ver van elkaar en de situatie escaleerde met name in de laatste fase van de oorlog op Banda. Tegelijk is natuurlijk de keuze van de Bandanezen verklaarbaar: zij vreesden voor het behoud van hun geloof en levenswijze, en wilden zich niet volledig onderwerpen aan de Compagnie.

Jacob Cats
Schilderij van dichter Jacob Cats (1577-1660), schilderij uit 1634. Bron: Wikipedia
Zelf maakte Coen overigens een verslag van de gebeurtenis, wat hij ook verplicht was te doen als verantwoordelijke, en deed daarbij weinig moeite om wat er gebeurd was te verbloemen:

“Coen weet de ‘hardnekkigheid’ van ‘deze lieden, die liever in miserie hebben willen vergaan dan zich over te geven’, aan hun leiders, wier trots zo groot was dat zij liever met elkaar ten onder wilden gaan, dan ‘in hun eer gekrenkt’ te worden.” (462)

Hard en ootmoedig

In de epiloog analyseert Van Goor de reputatie van Jan Pieterszoon Coen door de eeuwen heen, die uiteenliep van bewondering voor zijn vasthoudendheid, politieke vernuft en genialiteit, tot afkeer van zijn rechtlijnige aanpak van de bevolking op de Banda-eilanden. Zo hadden in de zeventiende eeuw dichter Jacob Cats en Pieter van Dam, secretaris van de Heren XVII, al moeite met het harde karakter en wrede optreden van Coen tegenover de Bandanezen.

Jan Pieterszoon Coen 1587-1629 - Jur van Goor
Jan Pieterszoon Coen 1587-1629 – Jur van Goor
Dichter Albert Verwey en de antirevolutionaire minister-president Hendrikus Colijn daarentegen kwamen superlatieven tekort om Coen te beschrijven. In 1937 vatte Colijn in een herdenkingsrede in Hoorn samen wat hij van Coen vond. Coen was in zijn ogen een “deugdzame, stoere calvinist”:

“Vervolgens roemde hij diens eenvoud, strenge opvattingen over zedelijkheid, rijpheid van oordeel in staatkundige zaken en krachtig optreden, en ootmoedig in Godsvertrouwen.” (516)

Beginjaren 1970 kenterde het beeld van Coen meer naar het negatieve. Er kwam meer ruimte voor kritische evaluatie. In Hoorn kwam het diverse keren tot een discussie over het daar aanwezige standbeeld van Coen. Toch werd nog in 2014 de Tweede Coentunnel geopend, na de eerste in 1966.

~ Enne Koops

Bestel dit boek bij:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Gelijk naar geschiedenisboeken over: