Nur ad-Din heerste van 1146 tot aan zijn dood in 1174 over Syrië en grote delen van het Midden-Oosten. Zijn regeerperiode werd gekenmerkt door zijn streven om alle moslimstaten tussen Eufraat en Nijl onder zijn gezag te verenigen in een gemeenschappelijk front tegen de kruisvaarders.
Een kijk op wat voorafging

Nur ad-Din’s queeste naar macht
Als nieuwe atabeg zette Nur ad-Din de territoriale expansiepolitiek van zijn vader voort en veroverde binnen een jaar vrijwel alle forten in het noorden van Syrië die nog in handen waren van de kruisvaarders. Even leken de krijgskansen voor Nur ad-Din te keren toen in 1148, als gevolg van een oproep van paus Eugenius III, een kruisvaardersleger onder leiding van de Franse koning Lodewijk VII en de Duitse vorst Konrad III van Hohenstaufen Syrië binnenviel om Edessa te heroveren. Het christelijk kruisvaardersleger was echter danig verzwakt door de vele gevechten die het onderweg met de Seltsjoeken had moeten leveren en vormde nog nauwelijks een bedreiging. De hele campagne draaide uiteindelijk voor de poorten van Damascus uit op een verpletterende nederlaag voor de kruisvaarders en versterkte Nur ad-Din’s machtspositie in de regio. Toen bovendien het jaar daarop zijn oudere broer Saif onverwachts kwam te overlijden, verwierf hij de controle over Mosul waardoor hij zijn macht nog verder uitbreidde. Kort daarna versloeg hij in de Slag bij Imab de troepen van Raymond van Poitiers (ca. 1099-1149) en annexeerde daarmee een groot deel van het vorstendom Antiochië.
In 1154 wist Nur ad-Din zich meester te maken van Damascus door er de laatste emir van de Burid dynastie te verdrijven. Kort daarna rukte hij met een indrukwekkende strijdmacht op naar Barnyas waar hij de kruisvaardersburcht van de Tempeliers belegerde en hun grootmeester Bertrand de Blanchefort (ca. 1109-1169) na een klinkende overwinning gevangen nam en liet opsluiten in de Citadel van Aleppo. Blanchefort zou er tot begin 1160 gevangen zitten alvorens vrijgelaten te worden als onderdeel van een vredesakkoord dat Nur ad-Din afsloot met de Byzantijnse keizer Manuel I Komnenos (1120-1180).
Nu Nur ad-Din geen militaire inmenging meer te vrezen had vanuit Byzantium richtte hij zijn aandacht op Egypte dat door de kaliefen van de Fatimiden-dynastie werd geregeerd. Nur ad-Din’s eerste pogingen om Egypte in te lijven werden echter afgeslagen door Amalric I (1136-1174), de koning van Jeruzalem die de toenemende territoriale expansiepolitiek van Nur ad-Din als een gevaar voor de regio beschouwde. Geruime tijd lukte het dan ook geen van beide strijdende partijen de bovenhand te halen. Wat Nur ad-Din echter niet wist was dat Amalric ondertussen in het grootste geheim onderhandelingen had aangeknoopt en een bondgenootschap had afgesloten met de Byzantijnse keizer om zelf met een gezamenlijk kruisvaardersleger Egypte binnen te vallen en zo hun beider positie in de Levant te versterken. Amalric’s opzet mislukte echter en na enkele smadelijke nederlagen moest het kruisvaardersleger zich uit Egypte terugtrekken. Hiermee kwam in 1169 voor Nur ad-Din’s militaire commandant Muhammad ibn Shirkuh de weg vrij te liggen om Caïro in te nemen.
Het verdere verhaal

Nur ad-Din’s minderjarige zoon en rechtmatige opvolger, As-Salih Ismail al-Malik, verkoos uit vrees voor een aanslag op zijn leven naar Aleppo te vluchten waar hij enkele jaren later, nauwelijks 18 jaar oud, in onduidelijke omstandigheden overleed.
Ook interessant: De Kruistochten – Samenvatting, tijdlijn, gevolgen