Proto-Indo-Europees – Er was eens een taal…

… toen de dieren net niet meer spreken konden en de mensen nog niet zo lang
Volgende week verschijnt bij uitgeverij Atheneum het boek Lingua. Dwars door Europa in 69 talen. Hierin legt Gaston Dorren op toegankelijke en humoristische wijze uit waarom de Europese talen zoveel met elkaar gemeen hebben. En hoe de verschillende woorden door Europa zijn ‘getrokken’. Het boek is een verbeterde, aangevulde versie van het eerder verschenen Taaltoerisme, dat daarna in allerlei verschillende talen verscheen. Op Historiek het eerste hoofdstuk van het boek met de taal waar het allemaal bij begon: het Proto-Indo-Europees, P.I.E.

Het leven van P.I.E.

Litouws

Er was eens een taal, ver weg, niemand weet waar; en lang geleden, toen de dieren net niet meer spreken konden en de mensen nog niet zo lang; een taal die nu niemand meer kent en waarvan de naam vergeten is, als hij er al een had. Kinderen leerden die taal van hun ouders, net als kinderen nu, en hun kinderen weer van hen, en zo almaar voort, tot de dag van vandaag. In de loop der eeuwen veranderde de oude taal meer en meer. Het leek wel wat op het spelletje ‘doorfluisteren’: de laatste speler hoort iets heel anders dan wat de eerste zei. Maar in dit geval zijn de laatste spelers: wij, de sprekers van het Nederlands.

- advertentie -

Niet alleen die van het Nederlands, trouwens, ook die van het Duits – dat is bijna hetzelfde. En het Noors, dat ook niet zo heel erg anders is. En Frans en Pools en Grieks, want zelfs die lijken als je goed kijkt enigszins op het Nederlands. Nog verder weg zijn er nog andere, zoals Armeens en Koerdisch en Nepalees, die je nog scherper moet bekijken om de gelijkenis te zien. Allemaal zijn ze ontstaan uit die ene taal, gesproken door een volk waarvan we de naam niet kennen, wel zestig eeuwen geleden. En omdat ook niemand weet hoe die taal eigenlijk heette, is er maar een nieuwe naam voor verzonnen: PIE.

PIE is een afkorting, van Proto-Indo-Europees. Een erg goede naam is dat niet. Het woord proto (‘eerste’, ‘oer-’) suggereert dat er geen eerdere talen waren, en die waren er wel – nog oerder dus. En ‘Indo-Europees’ klinkt alsof het taalgebied Indonesië en Europa omvat, of zich daartussen uitstrekt. In feite verwijst ‘Indo-’ naar India, maar daar spreken meer dan 200 miljoen mensen talen die juist geen historisch lijntje naar het PIE hebben. Bovendien spreekt bijna iedereen op het Amerikaanse continent en in Australië óók een taal die van het PIE afstamt. Wat dan weer wel klopt, is dat meer dan 95 procent van de Europeanen een Indo-Europese taal spreekt – een taal dus die afstamt van het PIE.

Eerste pagina van het Hildebrandslied – cc
PIE en zijn sprekers zijn goeddeels gehuld in de nevelen van de geschiedenis, zoals dat heet. Dat klinkt sprookjesachtig en mysterieus, maar is wetenschappelijk onbevredigend. Taalkundigen proberen daarom iets van die nevelen weg te blazen door op basis van zijn afstammelingen te reconstrueren hoe dat PIE ongeveer moet hebben geklonken. Oude documenten in dode talen als Latijn, klassiek Grieks en Sanskriet zijn daarvoor erg bruikbaar, maar ook recentere bronnen spelen een rol, variërend van vierde-eeuwse Ierse ogham-inscripties en het negende-eeuwse Duitse Hildebrandslied tot het oudste overgeleverde Albanees uit de vijftiende eeuw en zelfs de Litouwse dialecten van onze tijd.

Om het oude woord voor pakweg ‘tong’ te reconstrueren, kijken ze naar het woord voor ‘tong’ in die latere talen: lezu en liežuvis, tengae, tunga en dingua, gjuhë, käntu, językŭ en jihvā (dat waren Armeens, Litouws, Oudiers, Zweeds, Oudlatijn, Albanees, Tochaars A, Oudslavisch en Sanskriet). Daar is op het eerste gezicht geen lijn in te ontdekken. Maar als je dit soort rijtjes systematisch vergelijkt, duiken er toch allerlei patronen op. Het wordt geleidelijk duidelijk dat taal A de PIE-woorden consequent op de ene manier heeft verbasterd (‘veranderd’, om het netjes te zeggen) en taal B consequent op een andere. Als je die gewoontes eenmaal doorhebt, kun je terug redeneren naar het oorspronkelijke woord.

Dat puzzelwerk heeft veel kennis opgeleverd, maar helaas is het resultaat voor buitenstaanders niet altijd even verhelderend. Zo blijkt ‘tong’ in het PIE* dnǵhwéh2s te zijn geweest. Het sterretje (*) betekent dat het woord is gereconstrueerd op basis van latere talen. De andere tekens vertegenwoordigen allemaal een klank, maar wélke klank, dat weten alleen specialisten – en van ‘h2 ’ weten zelfs zij dat niet. Het resultaat is kortom nogal abstract en goeddeels onbegrijpelijk.

Is er een manier om de kloof tussen de taal van onze verre voorouders en onszelf te overbruggen? Kunnen we het PIE niet wat begrijpelijker maken, en zijn sprekers wat menselijker? Kunnen we taal en volk tot leven wekken? Ja, dat kan, tot op zekere hoogte. En Vilnius, de hoofdstad van Litouwen, is een goede plaats om dat te doen.

Marija Gimbutas in 1993. Foto: cc/Monica Boirar
Marija Gimbutas in 1993. Foto: cc/Monica Boirar
Vilnius is namelijk om te beginnen de geboortestad van Marija Gimbutas (1921-1994). Het was deze taalkundige die in de jaren vijftig de koergan-hypothese formuleerde. Die situeerde de PIE-sprekers in de uitgestrekte steppes ten noorden van de Zwarte en Kaspische Zee, in wat nu Oekraïne en Zuid-Rusland is, en wel rond 3700 v.Chr. Een ‘koergan’ is het Russische woord (van Turkische oorsprong) voor de grafheuvels die in deze regio volop gevonden zijn. Gimbutas opperde dat de cultuur die de grafheuvels opwierp – en die bovendien het paard had getemd en strijdwagens bezat – de oorsprong van PIE zou zijn geweest. Haar hypothese is op details achterhaald, maar de hoofdlijnen zijn door veel taalkundigen aanvaard.

Als je graag van dichtbij kennis wilt maken met PIE, is Vilnius óók een goede plek om dat te doen, want van alle levende talen lijkt het Litouws het meest op het PIE. Een Litouwer van nu zou dan wel geen gesprek kunnen voeren met een oude Indo-Europeaan, maar hij zou diens taal wel sneller onder de knie krijgen dan een Noor, een Griek of een Nepalees.

De overeenkomsten zijn talrijk. In de woordenschat bijvoorbeeld. ‘Zoon’ is in het Litouws sūnus, in het PIE: *suh2nus. En esmi betekent in het PIE én in sommige Litouwse dialecten ‘ik ben’ (in de standaardtaal zegt men tegenwoordig esu).

Vilnius
Vilnius

Dat veel moderne Litouwse woorden nog zo sterk lijken op oude PIE-woorden, komt voor een groot deel doordat het Litouws de afzonderlijke klanken van het PIE redelijk zorgvuldig heeft bewaard, terwijl ze in het Nederlands en andere talen aan het schuiven zijn gegaan. Neem het woord voor ‘5’. Zowel het Nederlandse vijf als het Litouwse penki stammen af van het PIE *penkwe. Maar aan ons woord is dat alleen voor een deskundige nog te zien, aan het Litouwse voor iedereen.

Lingua. Dwars door Europa in 69 talen – Gaston Dorren (€ 19.99)
Misschien nog wel opvallender zijn de grammaticale overeenkomsten. Had het PIE acht naamvallen, het Litouws heeft er nog altijd zeven. Ook het Pools en een paar andere talen hebben er nog zeven, maar alleen in het Litouws klinken ze ook nog ongeveer als in PIE. Ook hebben sommige Litouwse dialecten, naast enkelvoud en meervoud, nog een speciaal tweevoud: een meervoudsvorm die naar een tweetal verwijst. In de moderne Indo-Europese talen is dat een zeldzaamheid. De voornaamste uitzondering is het Sloveens (en daar zijn de Slovenen erg trots op).

Werkwoordsvervoegingen, zinsvolgorde, klemtoonpatronen, achtervoegsels – op tal van gebieden laat het Litouws zijn Indo-Europese afkomst blijken. Al die dingen zijn dus al meer dan tweehonderd generaties behoorlijk nauwkeurig doorgegeven. Daarmee zijn de Litouwers onbetwist Europees kampioen doorfluisteren.

~ Gaston Dorren

Boek: Lingua. Dwars door Europa in 69 talen – Gaston Dorren
Meer boeken over Taalgeschiedenis
Lees ook: Het Aramees: de eerste wereldtaal

Bestel dit boek bij:

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Meer van dit soort berichten? Like ons dan!

Gelijk naar geschiedenisboeken over:
Ook adverteren op Historiek?
Goede keus! Klik hier