Overslag is een grensdorp pur sang. Pal op de Belgisch-Nederlandse grens, deels in Zeeuws- Vlaanderen en deels in het Vlaamse Waasland. Het dankt zijn naam aan de overslag van goederen die er in lang vervlogen tijden plaatsvond. Allerlei koopwaar werd vanuit Zeeland via een kanaal aangevoerd om in Overslag te worden overgeladen op kleinere schepen voor transport naar Gent. Hier bevindt zich ook een van de oudste grensposten in de Zuidelijke Nederlanden, het grenskantoor ‘Overslagh’ dat al in de achttiende eeuw vermeld wordt. Toen reeds was Overslag een smokkeldorp en zou dat blijven tot ver in de twintigste eeuw.
Zo rustig als Overslag tegenwoordig is, zo woelig was het er in het verleden. Vanaf de zestiende eeuw rommelde het in deze contreien. Eerst was er de jarenlange strijd tegen de Spaanse koning Filips II. Herinneringen daaraan zijn de Staats-Spaanse Linies met de restanten van bolwerken langs de Zeeuwse dijken en natuurlijk ook de scheidingslijn tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden die hier uiteindelijk in 1648 grotendeels werd vastgelegd.

Grenspalen
Die arduinen grenspalen zijn kleine kunstwerkjes en vertonen aan beide zijden een wapenschild. Voor de Oostenrijkse Nederlanden een dubbelkoppige adelaar en het opschrift Oostenryk. Voor de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een staande en gekroonde leeuw met het opschrift Haar Hoog Mogende waarmee de Staten Generaal bedoeld wordt. Na de kortstondige hereniging van de Nederlanden in 1815 werd na een opstand in 1830 de onafhankelijkheid van België uitgeroepen. Er volgde een nieuwe grensafbakening met metalen kegelvormige grenspalen, vrij gelijklopend met de grens van weleer. Zo staat bij de oude grensovergang een antieke ‘Oostenrijker’ broederlijk naast de ‘tweeling van Overslag’, zo genoemd omdat nergens anders langs de Belgisch-Nederlandse grens twee grenspalen zo dicht bij elkaar staan.

Van douanekantoor tot frituur
Tegenwoordig vormt de Belgisch-Nederlandse grens slechts een denkbeeldige barrière. De Europese eenmaking zorgde ervoor dat grenspost Overslag zijn functie verloor. Het vroegere douanekantoor is nu omgetoverd tot frituur ‘Grenspost’, Vlaamser dan dat wordt het niet. Het lot van deze grenspost is echter niet uitzonderlijk, zo vernemen we van Francis Huijbrechts, conservator van het Nationaal Museum van Douane en Accijnzen in Antwerpen:

Smokkeltraditie
De grenzen van weleer hebben door de Europese eenwording voor een groot deel hun betekenis verloren. Dat was ooit anders. Grenzen en smokkelpraktijken zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en ook in Zeeuws-Vlaanderen bestond er een sterke smokkeltraditie. Smokkelen werd door veel grensbewoners overigens niet gezien als iets illegaals maar eerder als een sport bedoeld om wat extra’s te verdienen.
De smokkelwaar varieerde naargelang de periode en de prijsverschillen tussen beide landen. In de achttiende eeuw werden vooral vlas, textiel, koffie, thee en tabak gesmokkeld. De volgende eeuw ging het vooral om linnen en steenkool. Begin twintigste eeuw waren runderen, kippen, koffie en jenever gewilde smokkelwaar. Tot de Tweede Wereldoorlog ging het echter vooral om kleinschalige smokkel. Een mooi voorbeeld daarvan staat te lezen in een verslag van enkele douaniers te Moerbeke-Waas op 6 september 1919:

Botersmokkel
Na de Tweede Wereldoorlog werd boter de favoriete smokkelwaar. Aanvankelijk was het nog kleinschalig. Grensbewoners gingen te voet, per fiets of zelfs met de bus hun smokkelwaar transporteren. Smokkelaars trokken via landweggetjes ‘s nachts met hun zak van vijffentwintig kilo boter de grens over. Een klassieker in de smokkelfolklore is het verhaal van de vrouwen meerdere keren per dag de grens overstaken met telkens een tiental kilo boter onder de rokken. Wanneer de douaniers argwaan kregen namen ze de vrouwen mee naar een stevig verwarmd lokaal en hoefden ze enkel te wachten tot de boter vanonder de rokken kwam druppelen. Het lichaam fouilleren bleek dus niet nodig.
Valse romantiek

Ook het toerisme maakt handig gebruik van het smokkelthema. Zo wordt in Overslag de herinnering aan de smokkeltijden levendig gehouden met het wandelpad ‘De Zwarte Ruiter’. Een wandelroute langs smokkelpaden van weleer en verwijzend naar Fons de Ruyter, een berucht smokkelaar die kort na de Tweede Wereldoorlog de grensstreek van het Meetjesland onveilig maakte. Een inspiratiebron ook voor cineast Wim Verstappen die in 1982 de film ‘De Zwarte Ruiter’ draaide waarin oude vrienden douanier Rinus (Rijk de Gooyer) en botersmokkelaar Fons Ruiter (Hugo Metsers) tegenover elkaar komen te staan.
De conservator van het D&A-Museum in Antwerpen plaatst echter kanttekeningen bij het geromantiseerde beeld van de durfal die stoutmoedig en onversaagd te werk ging:
Boteroorlog
De jaren vijftig en zestig van vorige eeuw waren gouden tijden voor smokkelaars. Volgens sommige bronnen woedde er echter een heuse ‘boteroorlog’ met als hoofdrolspelers douane en smokkelaars. De oorzaak lag in het feit dat boter in Nederland een stuk goedkoper was dan in België waar er bovendien veel vraag naar was. Voor een kilo betaalde je in België het dubbele van de Nederlandse prijs. Een prijsverschil veroorzaakt door Nederlandse overheidssubsidies en Belgische importheffingen. Boter was dus winstgevende smokkelwaar.

Ook de pers bleef niet blind voor de smokkelpraktijken. In Elseviers Weekblad van 7 april 1962 wordt in een artikel ingegaan op het onderwerp:
De botersmokkel tussen België en Nederland is… als een chronische aandoening die herinneringen oproept aan het gangsterwezen dat Chicago kende na de eerste wereldoorlog. […] Men schat de jaarlijks gesmokkelde hoeveelheid op minimum 12 miljoen kilo.
Als je weet dat een kilo boter toen 3 gulden kostte in Nederland (wat overeenkomt met ca. 13 euro in huidige waarde) en in België het dubbele van die prijs gehaald werd, wordt duidelijk dat er geld, veel geld gemoeid was met de smokkel.
Kraaienpoten, rookpotten en spijkerplanken
De haast sympathieke kleinschalige smokkel van de grensbewoners was dus geëvolueerd naar gangstersmokkel op leven en dood. Er ontstonden heuse smokkelbendes die de zaken groter gingen aanpakken. De beroepssmokkelaars schakelden over op Amerikaanse personenauto’s die hoge snelheden haalden. Soms waren ze uitgerust met vernuftige systemen om olie op de weg te laten lopen of om metalen kraaienpoten uit te werpen waarop achtervolgers hun banden stuk reden. Om wegversperringen te doorbreken lasten ze een v-vormige baanschuiver aan de voorkant van de auto en gebruikten ze massieve banden. Sommige smokkelauto’s werden met stalen platen gepantserd om eventuele kogels van de douaniers te weerstaan.

Rookpotten om het zicht te beperken behoorden eveneens tot het alaam van de smokkelaars en zelfs wapens kwamen er wel eens aan te pas. Douaniers van hun kant gebruikten wegversperringen en spijkermatten waar smokkelauto’s zich lek op reden. Maar het was een gevecht tegen de bierkaai. Het ontbrak aan voldoende personeel om de vele tientallen grensovergangen en smokkelpaden te controleren. Het merendeel van de smokkelwaar glipte dus door de mazen van het net.
Het einde?
De smokkel van boter liep helemaal ten einde toen in 1963 een gemeenschappelijk Europees landbouwbeleid ontwikkeld werd. Importmuren werden gesloopt, subsidiestromen gelijkgeschakeld en prijzen genivelleerd. Eind jaren zestig behoorde de smokkel van boter tot het verleden. Daarmee keerde ook de rust terug in de grensstreek en dus ook in Overslag. Maar niks is voor eeuwig. En wie weet: nu de Nederlandse regering plannen koestert de grenzen van het rijk steviger te bewaken zou bij frituur ‘De Grenspost’ binnenkort wel eens een controlepost vreemdelingenverkeer kunnen verrijzen.