Week van de koloniale geschiedenis
Dark
Light

Taboe op Bataafse tijd belemmert goede discussie over rol constitutie

2 minuten leestijd
De Eerste Nationale Vergadering, 1796-1797. De belangrijkste taak was het opstellen van een grondwet.
De Eerste Nationale Vergadering, 1796-1797. De belangrijkste taak was het opstellen van een grondwet. Prent van G. Kockers (Rijksmuseum)

In november aanstaande bestaat de Grondwet van 1848 precies 175 jaar. Het kabinet ziet de viering daarvan als een goed aangrijpingspunt voor een discussie over de rol van de constitutie in onze samenleving. Dat blijkt uit de brief die Hanke Bruins Slot als minister van Binnenlandse Zaken hierover enige tijd geleden aan de Tweede Kamer stuurde. Erg wonderlijk is, dat de brief geen woord bevat over de Staatsregeling van 1798 die toch onze eerste constitutie was. Ook deze grondwet kent een lustrumjaar, omdat ze juist 225 jaar geleden werd aanvaard.

De Staatsregeling van 1798 betekende het definitieve afscheid van een republiek met zeven vrij zelfstandige gewesten die werden samengevoegd tot een eenheidsstaat. Een bijzonder fundamentele wijziging van het staatsbestel, die nooit is teruggedraaid.

Ontwerp voor de Staatsregeling van 1798
Ontwerp voor de Staatsregeling van 1798
Blijkbaar ligt er nog steeds een taboe op de Bataafse periode in onze geschiedenis. En dat na alles wat over de constitutionele wordingsgeschiedenis in de laatste decennia is geschreven. Ik beperk mij nu tot een citaat, ontleend aan de website Parlement.com:

“De Staatsregeling voor het Bataafsche Volk van 1 mei 1798 is te beschouwen als de eerste Grondwet van Nederland. Voor het eerst was er sprake van een eenheidsstaat, van burgerrechten en -plichten, en van een gekozen volksvertegenwoordiging. Uitgangspunt was de gelijkheid van alle burgers, ongeacht geboorte, bezitting of rang.”

De situatie herinnert aan 1998 met de viering van 150 jaar Grondwet 1848, terwijl ook toen 200 jaar Staatsregeling door kabinet en Binnenlandse Zaken werd genegeerd. Toen was er wel kritiek en enige ophef. Zo gaf de rechtshistoricus Olav Moorman van Kappen tijdens een wetenschappelijke bijeenkomst blijk van zijn grote teleurstelling. Hij betoogde, dat als stimulans voor een actuele discussie over actief staatsburgerschap en fundamentele staatkundige vragen dit document even geschikt en in sommige opzichten zelfs beter geschikt is dan de Grondwet van 1848. Beide staatsstukken wilden immers, anders dan de Grondwetten van 1814/1815, richting en nieuw elan geven aan politiek en samenleving.

Maar een dergelijke afweging heeft ook nu in het geheel niet plaatsgevonden. Bij de kamervragen naar aanleiding van de brief over de herdenking werd het bestaan van de Staatsregeling van 1798 wel gememoreerd door een fractie, maar de minister nam zelfs niet de moeite om op deze signalering in te gaan.

Hoe is dat negeren te verklaren? Blijkbaar onderschrijft het kabinet nog steeds het credo van Willem I, dat (vrij vertaald) de Bataafse tijd beter gewist kan worden uit de geschiedschrijving. Daar werd in de negentiende eeuw met wat uitzonderingen breed gevolg aan gegeven. De eerste die de politieke stilte echt doorbrak was Thorbecke, nota bene de ontwerper van de Grondwet van 1848, met zijn oordeel dat de Bataafse revolutie, “onze grootste omwenteling”, noodzakelijk was geweest.

“…een gemiste kans voor een goede discussie over de rol van de constitutie in onze maatschappij.”

Vervolgens was er enige discussie, totdat de invloedrijke historicus Colenbrander echt werk maakte van de studie van het tijdvak met zijn Gedenkstukken die in het begin van de twintigste eeuw verschenen. Hij liet zich echter vooral kleinerend uit over de patriotten en Bataven als “pionnen in het schaakspel van de internationale politiek” en “marionetten van de Fransen”.

Er rees wel verzet tegen het negatieve oordeel van Colenbrander, een echte kentering ontstond echter pas na de Tweede Wereldoorlog. Intussen is er een karrenvracht aan literatuur verschenen, met onder meer de conclusie dat na de Bataafse revolutie van 1795 de staatsvorming in Nederland in elk geval tot eind 1801 weinig invloed onderging van de Fransen. Wat de Staatsregeling van 1798 betreft is in dit opzicht vooral het doorwrochte onderzoek van L. de Gou van belang.

Blijkbaar geeft het kabinet voorrang aan de mening van het brede publiek, dat nog steeds op de lijn van Colenbrander zit en niet aan de mening van de wetenschap. Opmerkelijk is, dat de kritiek en ophef die er 25 jaar geleden nog was over het negeren van 200 jaar Staatsregeling en het wel herdenken van 150 jaar Grondwet 1848 tot nu toe is uitgebleven. In elk geval is er sprake van een gemiste kans voor een goede discussie over de rol van de constitutie in onze maatschappij.

Jan Postma (Groningen, 1942) was wetenschappelijk (hoofd)medewerker aan de Economische Faculteit van de RU in Groningen. Vervolgens was hij werkzaam bij het ministerie van Financiën, op het laatst als secretaris-generaal. Daarna was hij nog enkele jaren burgemeester van Leiden. Hij werkte als co-redacteur mee aan enkele economische handboeken en schreef voorts een groot aantal artikelen over overheidsfinanciën, economie, openbaar bestuur en geschiedenis. In 2017 promoveerde hij op een politieke biografie van de eerste minister van Financiën van ons land, getiteld Alexander Gogel (1765-1821), grondlegger van de Nederlandse staat.