/

Aan de leiband lopen

Een klein kind dat nog niet alleen kan gaan en staan moet aan de leiband lopen. Wij zouden nu zeggen: het kind moet een toom of looptuigje dragen. De koorden waarmee vroeger het kind aan de leiband liep werden op de rug aan de kleding vastgemaakt, of met banden om het lijfje gesloten.

/

Een kolfje naar zijn hand

Deze uitdrukking is ontleend aan het vroeger algemeen voorkomende kolfspel. Bij dit spel moesten de deelnemers de bal door middel van een stok naar een bepaald doel slaan. Met het kolfje bedoelt men de kolfstok waarmee de bal wordt voortgeslagen.

/

Van de gaffel in de greep vallen

De gaffel is een houten vork met ruwe twee tanden, die bijvoorbeeld wordt gebruikt om stro op te schudden. De greep is een ijzeren vork met drie of vier tanden (bijvoorbeeld een mestriek). Van de gaffel in de greep betekent dus letterlijk van de tweetandige vork in de drietand vallen.

Zich geradbraakt voelen

Deze uitdrukking herinnert aan de oude lijfstraffelijke rechtspleging, waarbij de veroordeelde op een balk werd gebonden en de beul hen armen en benen kapotsloeg.

/

De staf breken over iets

Vroeger brak de rechter zijn staf boven het hoofd van de veroordeelde. Vaak sprak hij hierbij de woorden : "Nu helpe u God, ik kan u niet meer helpen" of "ik verbreek met deze staf de band tussen u en de mensheid".

/

Iemands bakermat

De bakermat was vroeger een mand van hout of matwerk voorzien van een hoge rug. De baker en het kind zaten in die mand als het kind moest worden verschoond en verzorgd.

/

Op het vinkentouw zitten

De vinkenjacht was in Holland van oudsher een populaire bezigheid. De graag gegeten vogeltjes werden gevangen in de vinkenslag, een vangnet dat op afstand, door middel van het vinkentouw werd bediend.