Uitgestorven in de schaduw van mediagenieke dinosaurussen

Bespreking van ‘Natuuramnesie’ van Marc Argeloo
//
6 minuten leestijd
Dunbekwulp, 23 januari 1947
Dunbekwulp, 23 januari 1947 - Foto Museon-Omniversum

Wanneer tegenwoordig aan de Nederlandse kust een walvis strandt, is dat een unieke gebeurtenis waar de media gretig verslag van doen. Het is moeilijk voor te stellen dat deze dieren eeuwen geleden in grote aantallen voorkwamen in onze Noordzee en Waddenzee.

Willem van Oranje keek vanaf een duintop bij Petten eens naar langs zwemmende walvissen en dat was niet zo bijzonder als het nu lijkt. In de zestiende-eeuw werkte de Scheveningse visserszoon en viskenner Adriaen Coenen aan zijn Visboeck met hierin teksten over en tekeningen van dieren die voorkwamen aan de Nederlandse kust. Een prent in dit boek toont een zee vol met walvissen (voornamelijk potvissen) die onwerkelijk aandoet. Toch was het in Coenens tijd heel gewoon dat een of twee keer per jaar walvissen in grote getalen langs de Nederlandse kust zwommen. Vanuit Scheveningen kon je enkele uren lang een zee vol zwemmende, sproeiende en springende walvissen zien.

Potvissen in het Visboeck van Coenen, 1577-1581, p159 (KB)

‘Generationeel geheugenverlies’

Het fenomeen dat we binnen een of meer generaties de afwezigheid van ooit talrijke dier- en plantensoorten niet opmerken, wordt door ecologen het ‘shifting baseline syndrome’ genoemd. Natuur- en vogelbeschermer Marc Argeloo (1959) promoveerde in 2022 aan de universiteit van Utrecht op dit onderwerp. Een publieksversie van zijn proefschrift werd hetzelfde jaar gepubliceerd door Atlas Contact met als titel Natuuramnesie. Aan de hand van talrijke voorbeelden, waarvan vele met betrekking tot de Nederlandse natuur, legt de schrijver uit hoe we vergeten zijn hoe de natuur er vroeger uitzag. Door “generationeel geheugenverlies” zijn onze referentiekaders zo verschoven dat we de afgenomen soortenrijkdom niet waarnemen en niet langer in ons eigen land voorkomende soorten, zoals walvissen, als exotisch zijn gaan zien.

“In de geschiedeniscanon is nauwelijks aandacht voor natuur”

Argeloo beschrijft in zijn boek eerst zijn eigen ervaringen met het shifting baseline syndrome. In zijn jeugd viste hij op baarzen, waarbij hij meermaals exemplaren van boven de dertig centimeter aan de haak sloeg. Op een gegeven moment leken de grote exemplaren op zijn baarzenstek echter op. Voor zijn onderzoek sprak hij decennia later met sportvissers in Noord-Holland die hem vertelden dat baarzen van het formaat dat hij vroeger ving tegenwoordig een zeldzaamheid zijn. Op Sulawesi, waar de auteur als net afgestudeerd bioloog in 1990 hamerhoenders telde, constateerde hij iets vergelijkbaars: aan de hand van gesprekken met lokale bewoners en archiefonderzoek wist hij te achterhalen dat het aantal van deze vogels sterk was afgenomen. Waar ooit tientallen hoendereieren per dag werden geraapt, waren slechts twee eieren al een rijke buit in de tijd dat Argeloo zijn onderzoek verrichtte. De nieuwe generatie eilandbewoners kon zich niets voorstellen bij de overvloed aan vogels en eieren van vroeger. Dit was volledig uit hun bewustzijn verdreven.

Oerrund op een, ansichtkaart van het Phyletisch Museum, Jena
Oerrund op een, ansichtkaart van het Phyletisch Museum, Jena (Archief Marc Argeloo)

Collectief geheugen(verlies)

Vraag je Nederlanders naar uitgestorven dieren, dan zullen ze dinosaurussen en dodo’s noemen. Sinds het ontstaan van de aarde is er sprake geweest van vijf massa-uitstervingen, waarvan de laatste 66 miljoen jaar geleden werd veroorzaakt door de inslag van een asteroïde en een einde maakte aan het bestaan van dinosaurussen. Sinds de komst van de mens en vooral vanaf de vroegmoderne tijd ging het verdwijnen van soorten echter niet in één klap maar geleidelijk, als gevolg van jacht of bevissing, de vernietiging van leefgebied en milieuverontreiniging. De dodo stierf eind zeventiende eeuw uit en volgens Argeloo is het…

“…alsof we niet beter weten. Alsof de dodo maar op één manier heeft geleefd: als uitgestorven vogelsoort. Je vindt hem in musea, als skelet, of aangekleed met veren. Hij figureert op schilderijen en hier en daar zwerft nog een schedel rond.”

Naast dit ‘uitstervingsicoon’ zijn er vele diersoorten die allang geen plek meer hebben in het collectieve geheugen. In de opslag van Naturalis in Leiden bevinden zich honderden opgezette uitgestorven dieren. Daaronder een quagga, een dier dat lijkt op een kruising tussen een klein paard en een zebra. Het dier stierf in 1883 in Artis als laatste van zijn soort.

Na een uitvoerige inleiding komt Argeloo tot de kern van zijn publicatie waarin hij drie Nederlandse voorbeelden van het shifting baseline syndrome nader beschrijft: het oerrund, de Europese steur en de Waddenzee. Zowel het oerrund als de Europese steur kwamen ooit voor in ons land. Eerstgenoemde – een verre voorouder van de melkkoe – stierf in de zeventiende eeuw in Polen uit, laatstgenoemde verdween pas in de twintigste eeuw uit de Nederlandse wateren. Eeuwenlang werd de Europese steur hier gevangen en het vlees en de eitjes (kaviaar) verhandeld. Op 26 juni 1952 werd het voor zover bekend laatste exemplaar op de Nieuwe Merwede gevangen en voor 88 gulden verkocht in Boven-Hardinxveld. Het oerrund en de steur hadden eeuwenlang een belangrijke rol als consumptiebron voor de mens, maar zijn uit ons collectieve geheugen verdwenen. Ook buiten Nederland gebeurde dat met deze en andere diersoorten. Argeloo schrijft:

“De recente uitstervingen van onder andere honderden vogelsoorten wereldwijd en tientallen vissoorten van het zoete water in Noord-Amerika in de afgelopen paar duizend jaar speelden zich af in de schaduw van mediagenieke dinosaurussen en optimistische berichten over ‘nieuw’ ontdekte soorten.”

Steur, zoon Nan en vader Elbert Rotgans, ca. 1960, Wieringen

Invloeden

Aan de hand van de Waddenzee legt de schrijver uit hoe jacht, dijkenbouw, landwinning en visserij de natuur negatief hebben beïnvloed. Ooit kwamen hier walvissen, pelikanen een zeearenden voor en zwommen roggen en dolfijnen hier rond in veel grotere aantallen dan tegenwoordig. Een stijging van de zeespiegel als gevolg van klimaatverandering en bodemdaling vormen tegenwoordig een grote bedreiging voor de schoonheid van het wad. Voor de vismigratie zou het creëren van een verbinding tussen het zoute water van de Waddenzee en het zoete water van het IJsselmeer een vooruitgang zijn. Overgangsgebieden tussen zoet en zout zijn wereldwijd een steeds zeldzamere verschijning. Ooit was dit de habitat van bijvoorbeeld de uitgestorven dunbekwulp, waarvan het laatste exemplaar in Nederland in 1947 werd aangetroffen. Er wordt momenteel gewerkt aan het creëren van een bescheiden visverbinding tussen de Waddenzee en het IJsselmeer, waarbij zout water echter niet in het IJsselmeer mag stromen. Argeloo citeert een deskundige die Hansje Brinker aanhaalt:

“Het idee dat je een gat in een dijk wil maken is totaal not done in Nederland. Je bent een held als je een gat dicht, niet als je een dijk opent.”

Tahitistrandloper
Tahitistrandloper in de collectie van Naturalis – Foto: Marc Argeloo

Ruimte, rust en tijd

Argeloo betoogt dat voor natuurherstel ruimte, rust en tijd benodigd zijn. Deze randvoorwaarden zijn echter alleen te creëren als mensen de noodzaak inzien van natuurbescherming. Daarvoor is het essentieel dat er aandacht is voor de natuurhistorie in ons land. Als we niet weten welke soortenrijkdom hier ooit bestaan heeft, hebben we ook geen idee van hoe natuur in Nederland eruit zou kunnen zien. We nemen dan genoegen met wat we zelf op een betreffend moment om ons heen zien, niet wetende wat onze voorouders ooit zagen. “Het gebrek aan een collectief natuurhistorisch geheugen”, zo schrijft Argeloo…

“…draagt in sterke mate bij aan een wereld waarin natuur vogelvrij is en waarin ruim baan kan ontstaan voor dwaalmetingen, oppervlakkige inzichten en kromme vergelijkingen. Het overkwam de potvis, de leeuw, de giraffe, de dunbekwulp, insectensoorten. Het overkomt iedere soort waarvan het historische beeld van de natuurlijke levensloop in het natuurlijke leefgebied tot een paar hedendaagse waarnemingen of nog minder is gereduceerd.”

Natuuramnesie. Hoe we vergeten zijn hoe de natuur er vroeger uitzag
Natuuramnesie. Hoe we vergeten zijn hoe de natuur er vroeger uitzag
Daarom pleit Argeloo voor een herwaarding van de natuurhistorie. Dit vakgebied is tussen wal en het schip beland, omdat biologen zich volgens hem steeds meer zijn gaan richten op micro-organismen en ecologen de natuur benaderen vanuit rekenmodellen. Hij ziet een rol voor historici die het archiefonderzoek beheersen dat voor natuurhistorisch onderzoek nodig is. Historici zijn het echter gewend om sociale processen te bestuderen. In de geschiedeniscanon is nauwelijks aandacht voor natuur en ook in alle seizoenen van het populaire televisieprogramma Andere tijden speelt de natuur een ondergeschikte rol. Dit ondanks de grote wisselwerking tussen natuur en mens; wij werden en worden beïnvloed door de natuur en de natuur werd en wordt beïnvloed door ons. Argeloo geeft in zijn helder geschreven boek vele voorbeelden van hoe in deze interactie de natuur meestal het onderspit delfde en brengt overtuigend over hoe een vergroting van de algemene kennis van natuurhistorie kan helpen bij het voorkomen van een nog groter natuurverlies.

~ Kevin Prenger

Boek: Natuuramnesie. Hoe we vergeten zijn hoe de natuur er vroeger uitzag

Bekijk dit boek bij:

Bekijk dit boek bij Historiek Geschiedenisboeken

Abonneer
Stuur mij een e-mail bij
guest
0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties
Eerder gepubliceerd

De PPR wilde zich niet laten knevelen door machtspolitiek

Hierna verschenen

Strategie en tactiek – De geschiedenis van de krijgskunst

0
Reageren op dit bericht?x