Dark
Light

Van Amsterdam naar Batavia

Dagboek van een passagier van een zeilschip op weg naar Nederlands-Indië na 160 jaar in druk verschenen
6 minuten leestijd
Detail van een aquarel van Jacob Spin met een afbeelding van het schip Henriette Maria
Detail van een aquarel van Jacob Spin met een afbeelding van het schip Henriette Maria
Wie in de negentiende eeuw van Nederland naar Nederlands-Indië wilde voer mee op een zeilend koopvaardijschip. De reis rond Kaap de Goede Hoop duurde enkele maanden en was gevaarlijk en oncomfortabel. Dat veranderde in 1869 toen het Suezkanaal werd geopend en geriefelijke stoomschepen passagiers in enkele weken naar de Oost brachten.

Van Amsterdam naar Batavia
Van Amsterdam naar Batavia –
Peter de Leeuw en Toni Holthuijzen
De 27-jarige Arnold Hogerwaard behoorde tot de laatste lichtingen Indischgasten die de oversteek op de ouderwetse manier maakten. Tijdens zijn vier maanden durende reis in 1862 op het schip Henriette Maria hield hij een journaal bij. Er zijn de nodige scheepsjournalen uit de negentiende eeuw bewaard gebleven. Verreweg de meeste daarvan zijn echter geschreven door kapiteins en stuurlieden en bevatten hoofdzakelijk nautisch-technische informatie. Hogerwaards journaal is een van de weinige bewaard gebleven journaals die zijn geschreven door een passagier. Op humoristische wijze en met oog voor detail, doet Hogerwaard verslag van het dagelijks leven aan boord. Hij illustreerde zijn journaal bovendien met charmante tekeningen.

Het boek Van Amsterdam naar Batavia bevat de nog niet eerder gepubliceerde volledige tekst en de tekeningen van Hogerwaards opmerkelijke journaal. In begeleidende hoofdstukken wordt de reis van Hogerwaard nauwgezet gereconstrueerd. Ze vertellen wie Hogerwaard, zijn medepassagiers en de kapitein van het schip waren en hoe het hen na aankomst op Java verging. Ook de geschiedenis van de rederij en het schip, de lading en de bemanningsleden komen voor het voetlicht. Het dagboek en de begeleidende hoofdstukken bieden zo een unieke inkijk in passagiersreizen naar Nederlands-Indië rond het midden van de negentiende eeuw en daarmee in een minder bekend aspect van de Nederlandse koloniale geschiedenis. Op Historiek publiceren we twee fragmenten uit het boek. Een uit een begeleidend hoofdstuk over communicatie op zee, en een uit het journaal van Hogerwaard over een ontmoeting met een Spaans schip.

Communicatie onderweg

Een zeereis naar Nederlands-Indië is een hachelijke onderneming. Regelmatig vergaan er schepen met man en muis en overlijden er bemanningsleden en passagiers als gevolg van een ongeluk of een ziekte. Niet alleen familieleden en vrienden maar ook de rederij, handelaren die lading op het schip hebben, en verzekeraars, wachten in spanning af hoe de reis verloopt. Nieuws daarover ontvangen ze pas na vele weken of zelfs maanden, want ook dat reist per schip.

De eerste mogelijkheid om nieuws naar Nederland te sturen doet zich al daags na vertrek voor. De loods die het schip de Noordzee over heeft gebracht, gaat van boord en neemt brieven van passagiers en bemanningsleden (voor zo ver die kunnen schrijven) mee. Bij zijn terugkeer naar Nieuwediep brengt hij die naar het postkantoor.

Daarna moeten de passagiers het hebben van passerende schepen. Blijven de schepen op te grote afstand of is de zee te ruw dan kunnen de kapiteins alleen met seinvlaggen communiceren. Ze noteren de naam van het andere schip, op welke plek ze het passeren, de naam of het nummer van de kapitein en eventuele bijzonderheden (zoals een afgebroken mast). In de eerstvolgende haven die ze aandoen maken ze daar melding van bij de bevoegde autoriteiten. Die zorgen er dan

voor dat de informatie wordt doorgegeven aan het land (vlaggestaat) van het gepasseerde schip. Dat gebeurt in de meeste gevallen door middel van een schrijven dat wordt meegegeven aan het eerste schip dat die richting uitgaat. Op de eindbestemming krijgen ook dagbladen de beschikking over het nieuws. Die publiceren het in speciale scheepvaartrubrieken.

Een voorbeeld ter illustratie. Op 22 april noteert Hogerwaard als de Henriette Maria ten zuidwesten van Kaap de Goede Hoop vaart:

‘Gepraaid heden door The Maid of Juda komende van Sidneij, en gaande naar London; geen gelegenheid van brieven medetegeven, maar hij heeft beloofd melding van ons te maken.’

De kapitein van de Maid of Juda houdt zich aan zijn woord. Op 11 juni verschijnt het nieuws in Nederlandse dagbladen en weet het huisfront dat anderhalve maand eerder alles nog in orde was met het schip.

Algemeen Handelsblad 11 juni 1862
Algemeen Handelsblad 11 juni 1862

Als wind en golfslag dat toelaten kunnen de schepen min of meer langszij komen en kunnen de kapiteins met elkaar praten met behulp van een scheepsroeper. Er kunnen dan soms ook brieven aan het andere schip worden meegegeven. Hogerwaard beschrijft dat in komisch detail als de Henriette Maria op 1 april een Spaans schip ontmoet.

De mogelijkheid om brieven aan andere schepen mee te geven is vermoedelijk ook een van de redenen, naast bestrijding van de verveling, dat Hogerwaard een journaal bijhoudt. Zo kan hij snel een brief schrijven aan het thuisfront. De stof kan hij simpelweg kopiëren uit wat hij al heeft aangetekend.

De Henriette Maria arriveert uiteindelijk op 26 juni in Batavia. Het nieuws van de behouden vaart staat 44 dagen later in de Nederlandse dagbladen. Dat is de tijd die post uit Indië nodig heeft om het vaderland te bereiken via de overland mail.

Nieuw Amsterdamsch handels- en effectenblad van 9 augustus 1862
Nieuw Amsterdamsch handels- en effectenblad van 9 augustus 1862

En dan is het wachten op de eerste brief uit Indië.

Dingsdag 1 April

Heden morgen 5 uur werden we allen wakker gemaakt door den dokter, die ons kwam vertellen dat we links van ’t schip een groote walvisch te zien was; wij hals over kop onze kooi uit, en toen we op ’t dek kwamen was ‘t de 10 April. Ons vroeg opstaan werd intusschen beloond, doordien er weldra een schip in ’t gezigt kwam en regelregt naar ons toekwam. Wij dachten aanvankelijk dat het een Napolitaan was, doch ’t bleek daarna een Spanjool te zijn. We kwamen zo digt bij elkander dat de respectievelijke kapiteins een mondgesprek hielden in ’t Engelsch door hun scheepsroepers. Onze kapitein gevraagd hebbende of hij brieven wilde medenemen (wij hadden in alle haast onzen brief geschreven) en hij zulks toestemmend beantwoord hebbende, ging de stuurman en de Heer Penn [medepassagier van Hogerwaard], die Spaansch kent, met vier roeijers in één van onze te water gelaten booten er naar toe; de kapitein had in de boot als cadeau medegegeven een mand eijen en een mand met aardappelen, waarop de Spanjaarden zeer verzot zijn.

Arnold Hogerwaard, 1862
Arnold Hogerwaard, 1862
Penn verhaalde ons bij zijn terugkomst, dat zij zeer beleefd waren, de kapitein sprak zelfs heel goed fransch. Het schip heette Margarieta kapt Wataga van Manilla naar Cadiz. Het bootje dobberde nog al, want er was veel wind, zoodat wij er van tijd tot tijd er niets van zagen, en Penn door middel van touwen aan ’t Spaansche boord werd geheschen, wat hij niet erg pleizierig vond. De stuurman en Penn kregen aan boord delicieuse koffij te drinken en de kapitein haalde daarbij een flesch te voorschijn, volgens Penn een flesch met haarolie, waarvan hij een zekere hoeveelheid in de koffij deed, en waardoor zij een overheerlijke smaak kreeg. Aan boord bevonden zich 120 passagiers, waaronder veel officiers, vrouwen en kinderen en het stonk er fameus; de vrouwen waren leelijk en zaten met ontzaggelijke waaijers zich te bewaaijen, Penn zegt, hij hoorde het er stinken. De kapitein bedankte ons voor het cadeau, en gaf in de plaats een kistje manilla’s, die de kapitein onder ons verdeeld heeft, en die wat anders smaken dan onze Nederlandsche manilla’s. Zij hebben de vorm van onze puntmanilla’s maar zijn driemaal zoo groot, en hebben delicieuse geur. De Spaansche kapitein verzekerde tevens, dat hij voor onze brieven zou zorgen, en vroeg of wij niet aan ’t een of ander behoefte hadden; op zee helpt men elkander altijd voor niets. Toen is onze ambassadeur Penn terug gekomen, en heeft wel moeite gehad om weer aan boord te komen; 10 zat hij tot zijn knieën in ’t water in de boot; 20 dorst hij er niet uit te komen, de golven waren wat grooter gekomen, en hij had werk om zich als vasthoudend te blijven zitten; hij werd door den bootsman van ons boord een strop aan ’t lijf geworpen, en zoo aan boord geheschen, half klauterende, dan weer in de lucht slingerende, waarbij hij een pantoffel verloor, zoo kwam hij weer aan boord. Een paar uur later hebben we wederom een schip gepraaid, hetwelk ons zou melden, het was de Mammaluck van Calcutta naar London.

De terugkomst van onzen ambassadeur Penn na zijn bezoek op ’t Spaansche schip de Margarieta is achter in het journaal te bezigtigen.

Tekening uit het journaal van Arnold Hogerwaard
Tekening uit het journaal van Arnold Hogerwaard

Boek: Van Amsterdam naar Batavia

Peter de Leeuw studeerde geschiedenis in Leiden, met zeegeschiedenis als specialisatie. Hij schreef als freelancejournalist artikelen onder andere voor het Leidse universiteitsblad De Mare en De Volkskrant.

Toni Holthuijzen en zijn zus Yolande Holthuijzen zijn achterkleinkinderen van Arnold Hogerwaard en (mede-) eigenaren van het originele scheepsjournaal.