ComputerComputer

Van lichtgeraakte fabrieksdirecteur tot grootgrondbezitter

Als er straatnamen bedacht moeten worden komt men meestal uit bij belangrijke mensen, zoals burgemeesters, onderwijzers of dominees. Zo heeft de Prévinaireweg in Callantsoog zijn naam te danken aan een import-Callantsoger uit de negentiende eeuw. In 1875 kocht Marie Prosper Theodore Prévinaire de ‘Heerlijkheid van Callantsoog’, een zeer groot duingebied (waaronder het Zwanenwater) en aangrenzende weilanden. Hij verkreeg niet alleen het eigendom, maar ook alle rechten die bij de Heerlijkheid hoorden. Bij een openbare verkoping in Alkmaar werd hij de trotse eigenaar voor een bedrag van 34.128 gulden.

Naast zijn bezittingen in Callantsoog was Prévinaire eigenaar van onroerende goederen in negen andere gemeenten. Zo had hij ook enkele boerderijen in Castricum met tientallen hectaren grond. In de tweede helft van de negentiende eeuw verwierf hij totaal zo’n 1500 hectaren en werd één van de grootste grootgrondbezitters in Noord-Holland. Als één van de hoogst aangeslagenen in de grondbelasting betaalde hij ieder jaar een slordige 3000 gulden. Een immens groot bedrag voor die tijd; een arbeider zou voor dat bedrag 20 jaar moeten werken.

Haarlemsche Katoen Maatschappij

Prévinaire, (‘de zoon’) verdiende zijn kapitaal met de van zijn vader geërfde textielfabrieken in Haarlem. Vader Jean Baptiste Theodore Prévinaire verhuisde in 1834 zijn fabriek van België naar Haarlem. België had zich net afgescheiden van het té dominante Holland waardoor een groot afzetgebied (Nederlands-Indië) voor Prévinaire verloren ging. Het bleek aantrekkelijk zijn hele bedrijf naar Nederland te verplaatsen omdat toenmalig koning Willem I afname van de gehele productie garandeerde. Na de afscheiding wilde de Nederlandse Handel Maatschappij (NHM) voor elk onderdeel van de textielindustrie moderne fabrieken naar Nederland halen. Medeoprichter van de NHM, Willem I, wilde de textielindustrie in Nederland naar een hoger peil tillen en gaf een ondernemer als Previnaire, die expert was in innovatieve productieprocessen, allerlei voordelen en privileges. De leveranties aan de NHM legden hem geen windeieren en hij had lange tijd praktisch een monopoliepositie.

De fabrieken van Prévinaire (Noord-Hollands Archief)
De fabrieken van Prévinaire (Noord-Hollands Archief)

Prévinaire (‘de vader’) vestigde zijn katoenververij en -drukkerij in het ‘Garenkokerskwartier’ in Haarlem. Hij had veel ervaring in het verven met ‘Turks rood’ en het bedrukken van zogenaamde namaak-‘batiks’. Hij gebruikte ‘meekrap’ als grondstof voor zijn verf. Tevens vestigde hij een klein laboratorium bij zijn fabriek waar hij zijn productiemethoden perfectioneerde door het doen van chemische proeven. Zijn producten vonden gretig aftrek in de overzeese koloniën en in delen van Afrika. In Haarlem bestond in de eerste decennia van de negentiende eeuw een ‘armenfabriek’, waar werklozen gedwongen te werk werden gesteld. Toen de fabriek van Prévinaire open ging, kwamen veel armen daar werken.

De onderneming van Prévinaire kwam dankzij de bescherming van de regering en de NHM tot grote bloei, maar bestreed het ‘pauperisme’ niet afdoende. In 1838 constateerde het gemeentebestuur dat ‘ondanks den aanwezigheid van florerende fabrieken de groei van het aantal armen groot was’. De arme stedelijke bevolking zou te zwak zijn om zwaar werk te doen in de textielfabrieken. Niet alleen Haarlemmers werkten voor de onderneming van de Prévinaire‘s, maar ook inwoners van Mierlo (Noord-Brabant) en omstreken. De lonen waren in de negentiende eeuw zeer laag en dat was natuurlijk aantrekkelijk voor zakenmannen als de Prévinaire’s.

Tekort ervaren wevers
Tekort ervaren wevers

Sommige functies in de fabrieken van Prévinaire vereisten een specialistische opleiding. Prévinaire nam dan ook veel ervaren Belgische werkkrachten mee naar Haarlem. Ook nam hij een aantal Engelsen in dienst met veel ervaring in het bewerken van katoen. Zijn textielfabrieken loosden het vele afvalwater in de grachten, waardoor het ‘s zomers in het ‘Garenkokerskwartier’ niet uit te houden was van de stank. Een onderzoek, uitgevoerd namens het Haarlemse gemeentebestuur, wees uit dat de stank en de vervuiling grotendeels te wijten zou zijn aan de fabrieken van Prévinaire. Het werd hem dan ook direct verboden het afvalwater in de grachten te lozen. Na een dreigement van zijn kant dat hij dan de fabrieken zou sluiten bond het gemeentebestuur in en liet nog een onderzoek verrichten, dat een andere oorzaak van de stank aan het licht bracht. Een grote stal aan de Nieuwegracht waar 550 legerpaarden waren gehuisvest, zou er nu debet aan zijn. Alle urine van de paarden kwam rechtstreeks in de grachten terecht. Prévinaire hoefde zijn nering niet te sluiten.

In 1839 waren tien bewoners geregistreerd op het huisadres van vader Previnaire, de Sint Jansstraat 5 te Haarlem. Vader Jean Baptiste Theodore was toen 57 jaar en zijn vrouw Aldegonde Dehemptuine 59 jaar. Verder woonden er de kinderen Marie Prosper Theodore (de latere Heer van Callantsoog) van 18, Octavie van 20, Victoire van 22, Seraphine van 24 en familielid Eugéne van 34. Er woonden drie huisbedienden in. De 20-jarige Hongaar Guillaime Rorsin, waarschijnlijk de koetsier en huisknecht, de 30-jarige Catharine van de Nutt, waarschijnlijk het dienstmeisje en de 50-jarige kokkin Philiberte Dubrocuqz.

De Prévinaire’s wilden graag bij de elite van Haarlem horen, maar de Haarlemse ‘upper class’ vond het moeilijk personen die met fabrieken hun geld verdienden binnen hun kringen toe te laten. Geld verdienen in de handel, de landbouw of met rentenieren was in die kringen gebruikelijker. Prévinaire (de zoon) voelde zich niet geaccepteerd. Zijn licht ontvlambare karakter bracht hem daardoor meermaals in de problemen.

 Drie maanden gevangenisstraf
Drie maanden gevangenisstraf

Duel

In 1846 kreeg hij in de Sociëteit (elitair clubhuis) ruzie met tweede luitenant Bernhard Van Westerouen van Meeteren. Waarschijnlijk had deze zich minachtend over hem uitgelaten. Prévinaire eiste genoegdoening. Korte tijd later vond er een duel plaats in de militaire manege aan de Magdalenastraat te Haarlem. Het duel, waarbij beiden lichtgewond raakten, werd met sabels uitgevochten. Duelleren was verboden en zij werden dan ook samen met hun secondanten opgepakt. Prévinaire en zijn tegenstander kregen ieder een boete van 25 gulden en de secondanten moesten ieder 10 gulden betalen. Destijds stonden er eigenlijk strenge straffen op het houden van duels. Gebruikelijk was een straf van een maand tot 2 jaar hechtenis én een boete. Prévinaire kwam er genadig van af. De rechter zag ‘de jeugdige jaren’ van de verdachte als verzachtende omstandigheid. De jonge Marie Prosper Theodore Prévinaire kwam door de uitspraak echter wel terecht op een lijst van ‘criminele Noord-Hollanders’.

Fabrieksjongen

Omdat hij het leuk vond om openbare verkopingen (veel van zijn bezittingen kwamen uit zulke verkopingen) bij te wonen was hij in april 1848 bij een veiling van tuingereedschappen op hofstede Bosch en Hove in Heemstede aanwezig. Om andere kopers wat te jennen dreef hij de prijs van broeibakken voor de teelt van druiven op. Koper Steven Johan IJserstitt, die deze graag wilde hebben, betaalde door de acties van Prévinaire veel te hoge prijzen voor de goederen. De boze IJserstitt kon het na afloop van de verkoping niet laten de prijsopdrijver toe te werpen:

“Prévinaire, nu is het gedaan, ga nu je katoentjes maar ophangen.”

Blijkbaar viel dat bij Prévinaire niet in goede aarde, want iemand vertelde IJzerstitt na afloop van de verkoping dat Prévinaire op hem ‘zou loeren’. Hij had volgens getuigen ook gezegd: “Ik zou wel lust hebben hem eene rammeling te geven.” Twee dagen later was Prévinaire samen met twee vrienden op weg naar IJserstitt om hem die ‘aframmeling’ te geven. De drie mannen wachtten in een rijtuig voor de hofstede van het slachtoffer, terwijl de koetsier probeerde hem naar buiten te lokken. Toen IJzerstitt doorhad dat het Prévinaire was die kwaads in de zin had, liet hij de koetsier de volgende boodschap aan zijn baas overbrengen: “Zeg aan die fabrieksjongen dat ik Turk (een waakhond) op hem afsturen zal, als hij op mijne plaats (boerderij) durft te komen.” De koetsier verklaarde later dat hij dacht dat de drie heren alleen maar een grap wilden uithalen.

De volgende dag begaf IJserstitt zich te voet richting Haarlem. Lopende op de Spanjaardlaan kwam er opeens een rijtuig dwars over de weg staan die IJzerstitt de doorgang verhinderde. Prévinaire sprong uit het rijtuig en begon er driftig op los te slaan. IJserstitt verdedigde zich hevig en sloeg de aanvaller een blauw oog én zijn tanden door de lip. Aangedaan vervolgde IJserstitt zijn weg. Prévinaire hield echter niet op en was nog steeds blind van woede. Tijdens het drinken van een kopje koffie in de Sociëteit zag hij zijn slachtoffer voorbijwandelen. Terstond zette hij de achtervolging in. Tenslotte trof hij hem in ‘het logement van Stoffels’ (een herberg), waar hij wederom in razernij IJzerstitt flinke verwondingen toebracht, zodat deze volgens een arrest van de Haarlemse rechtbank: “Onderscheidene wonden bekomen had en in het aangezicht bloeide.” Tal van getuigen hadden de tomeloze agressie van Prévinaire gezien, zodat hij werd veroordeeld:

“Terzake van mishandeling en verwonding tot eene gevangenisstraf van drie maanden, en tot twee geldboeten, de eene ter zake van de mishandeling bij de Spanjaardlaan, van vijftig guldens, de tweede van honderdvijftig guldens, ter zake der mishandeling en verwonding in het logement van Stoffels, alsmede in de kosten van het rechtsgeding, evenals de geldboeten, invorderbaar des noods bij lijfsdwang, bedragende twaalf guldens en vijf en tachtig en een halve cents, de kosten der beteekening van dit vonnis niet gerekend.”

Het arrest van de rechtbank schetst een zeer lichtgeraakt persoon die geen tegenspraak en kritiek duldde.

Tijdens zijn verblijf in de gevangenis werd er een bal in de Sociëteit gehouden waar tal van notabelen bij aanwezig zouden zijn. Ook de adellijke dochter van Van Wickevoort Crommelin, waar hij een oogje op had, zou van de partij zijn. Om toch het bal bij te kunnen wonen en met haar te kunnen dansen kocht Prévinaire de cipier om. Na het feest meldde hij zich weer bij de gevangenis om zijn straf verder uit te zitten.

Arbeiders voor de fabriek van Prévinaire (Noord-Hollands Archief)
Arbeiders voor de fabriek van Prévinaire (Noord-Hollands Archief)

Cholera

Of het nu was uit medelijden met zijn zieke werknemers of dat hij ze weer snel wilde laten meedraaien in het productieproces: daar kan men alleen maar naar raden. In 1866 brak er cholera uit in Haarlem. Prévinaire had ergens gelezen hoe deze ziekte bestreden kon worden. Een deel van zijn fabriek liet hij verwarmen tot wel 40 graden Celsius. Op de grond liet hij matrassen gevuld met heet zand leggen. Alvorens de besmette werkers in deze alternatieve ziekenzaal werden toegelaten kregen ze eerst een heel heet bad. De bedoeling was dat ze de ziekte ‘uit zouden zweten’. Ook werden ze ingewreven met glycerine en kamferspiritus. Hoewel cholera een bijna dodelijke ziekte was, stierf slechts één van de 80 besmette textielarbeiders. Zijn behandeling werd een groot succes.

De Groote Villa in 1910 (Historische Vereniging Callantsoog)
De Groote Villa in 1910 (Historische Vereniging Callantsoog)

Groote Villa

Marie Prosper Theodore, de zoon, volgde het pad van zijn vader. Eerst als mededirecteur en later als mede-eigenaar. Op het hoogtepunt van de productie waren er zo’n 2500 arbeiders (ook veel ‘zelfstandige’ thuiswevers in Noord-Brabant) afhankelijk van Prévinaire‘s onderneming. In de fabriek werkten gemiddeld zo’n 400 mensen. Het bedrijf was een groot deel van de negentiende eeuw bijzonder winstgevend. De lonen waren extreem laag (vooral de thuiswevers hadden een zeer armoedig bestaan) zodat het vermogen van de fabriekseigenaar tot grote hoogte kon stijgen. Veel ‘nieuwe rijken’ maten zich een aristocratische status aan door hun geld te beleggen in grond. Zo ook zoon Previnaire, die zich in 1875 de ‘Heerlijkheid van Callantsoog’ aanschafte en zich sindsdien ‘Heer van Callantsoog’ mocht noemen. Als landheer liet hij in de jaren 1880 een passend onderkomen bouwen door een aannemer uit Beverwijk.

M.P.T. Previnaire in 1898 (Noord-Hollands Archief)
M.P.T. Previnaire in 1898 (Noord-Hollands Archief)
Op een hoog stukje duin ter grootte van ongeveer 1 hectare, dat hij voor een dubbeltje per vierkante meter van de gemeente had gekocht, realiseerde hij een immens grote villa met de allure van een kasteel. Nu was hij niet alleen landheer, maar ook kasteelheer. Een deel van zijn ‘Groote Villa’ had hij voorzien van ‘Middeleeuwse’ kantelen. Vanaf het dak hadden de bewoners een weids uitzicht over de omgeving. Met een hoogte van 15 meter was de villa het grootste gebouw van Callantsoog. Het was zelfs hoger dan de Hervormde Kerk. Een megalomane creatie. De villa had 4 verdiepingen, 9 slaapkamers en meerdere woonkamers. Op de benedenverdieping was een keuken; het eten werd met een lift naar boven getransporteerd. Verder waren er speciale vertrekken voor de wijn en voor het geschoten wild. Onder de villa bevond zich een grote kelder. De trappen binnenshuis waren van marmer. Naast de grote trap buiten stond een kennel voor de jachthonden.

Armenzorg

Al snel na de koop van de Heerlijkheid organiseerde Prévinaire een schaatswedstrijd op een meertje in het Zwanenwater. De opbrengst kwam ten goede aan arme Callantsogers. Ook de prijzen (voornamelijk etenswaren) werden ter beschikking gesteld door Prévinaire. Zoals bijna alle welgestelden in de negentiende eeuw vergat hij niet aalmoezen uit te delen aan de armen. De meeste Callantsogers hadden het niet breed en er was een groot aantal armen, dat het vooral in de winter erg moeilijk had. In het koudste jaargetijde kregen de allerarmsten een rijksdaalder per week van Prévinaire. Daarnaast werden zij tijdens de Kerstdagen voorzien van extra meel en vet. De elite was zich terdege bewust van de grote tegenstellingen in de samenleving, maar om toch ‘goed te kunnen slapen’ gaf iedere ‘weldenkende’ rijkaard aalmoezen aan de armen.

Lievelingshond kwijt
Lievelingshond kwijt

Hobby’s

Marie Prosper Theodore Prévinaire was verzot op jagen. Als landheer had hij het alleenrecht om te jagen in de duinen van het Zwanenwater. Dat deed hij dan ook met plezier. Wanneer hij vanuit Haarlem met zijn familie of jachtvrienden op weg was naar Callantsoog, schoot hij bij ieder treinstation zijn jachtgeweer af: “Pour dire que nous arrivons.” (Om te laten weten dat we eraan komen.) In het Frans, want in zijn kringen sprak men liever Frans of Engels om de afstand tot het gewone volk te benadrukken. In Schagen stapten hij en zijn medereizigers uit en gingen te paard of per rijtuig verder op weg naar Callantsoog. In 1888 liet hij zich inschrijven als ingezetene van de gemeente en hem werd zelfs gevraagd om zitting te nemen in de gemeenteraad. Daar had de fabrieksdirecteur natuurlijk geen tijd voor. In Haarlem moest hij zich bezighouden met zijn fabriek en in Callantsoog met zijn hobby’s: samen met familie lekker wandelen op het strand, zwemmen in de zee of jagen in het uitgebreide duingebied. Tegen het einde van de negentiende eeuw begon schoonzoon Albert del Court van Krimpen met het aanleggen van een golfterrein achter de Groote Villa en kreeg de familie er nog een vrijetijdsbesteding bij. De familie Prévinaire hoefde zich niet te vervelen.

~ Kees Zwaan

Bronnen

-Noord-Hollands Archief.
-Regionaal Archief Alkmaar.
-Diverse kranten.
-De Clock van Callens-ooghe

Archiefstukken:

Meer tips ➱

Verder speuren:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister