Het Nederlandse tintje aan snuiftabak

Whisky-, cola- en vanille-smaak voor de neus

Lang voordat Europa tabak leerde kennen, gebruikten de Zuid-Amerikaanse indianen de tabaksplant reeds als genotsmiddel. Volgens geschiedkundigen werd het kruid zo’n 6000 tot 4000 jaar voor Christus al geconsumeerd aan de monding van de Amazone. Bewezen is dat de Cherokee-indianen zo’n 1600 jaar voor Christus al tabaksbladeren rookten. Resten daarvan werden in een pijp ter plaatse gevonden.

De herkomst van het woord tabak is wat vaag, maar is mogelijk afkomstig uit de Zuid-Amerikaanse en Caribische Arawak-taal waarin het rol of tabaks(blad) zou betekenen. Andere bronnen zeggen dat het woord wellicht is afgeleid van het eiland Tobago dat door Columbus in 1498 ontdekt werd (Tabacco en Tobasca). Toen Columbus zijn tweede reis maakte naar de Nieuwe Wereld werd hij vergezeld door een monnik met de naam Romano Pane. Broeder Pane had ontdekt dat indianen een bepaalde inheemse plant (tabak) als genotsmiddel en medicijn gebruikten. Dat deden ze op twee manieren: door het te roken en door het als poeder op te snuiven. Pane noteerde dit in zijn dagboek en bracht het naar ons continent, waarna het spul al snel ook een grote populariteit kreeg in Europa. Op ons continent werd tabak in het begin veel meer gesnoven dan gerookt, maar door de jaren heen veranderde dat compleet.

Vandaag de dag is dat beeld totaal gewijzigd en zijn er zeer weinig mensen die nog snuiftabak gebruiken. Nederlanders die het nog willen bemachtigen moeten daar nu zelf voor naar Duitsland of Engeland, als het internet geen uitkomst brengt. Door de geschiedenis heen kon men pure snuiftabak tot zich nemen, maar er waren ook altijd verschillende smaken op de markt van menthol, Cola, Chocolade, honing en vanille tot kamfer, kaneel, whisky en abrikoos. Ook bestaat er tabak-loze snuif die gemaakt is van glucose-poeder of kruiden.

- advertentie -
Collectie snuiftabak (CC BY-SA 3.0 - Hellahulla - wiki)
Collectie snuiftabak (CC BY-SA 3.0 – Hellahulla – wiki)

Snuiven

Snuiftabak mag dan oorspronkelijk uit Zuid-Amerika komen en met name uit Brazilië, maar de internationale benaming Snuff (tabacco) is vreemd genoeg van Nederlandse origine. Het Engelse woord Snuff komt namelijk van het Nederlandse woord snuiven of snuffen. Sinds 1560 wordt het goedje al in ons land gebruikt.

Schilderij van een man die wat snuiftabak tot zich neemt (Publiek Domein - wiki)
Schilderij van een man die wat snuiftabak tot zich neemt (Publiek Domein – wiki)

Een ander Nederlands tintje aan Snuff is verbonden aan de introductie van snuiftabak in Europa. De Fransman Jean Nicot (1530-1604) uit Nîmes verspreidde het spul vanuit Spanje en Portugal naar de rest van ons continent via een Nederlandse of Vlaamse bron. Daar bestaan twee verhalen over. Het eerste verhaal handelt over een Nederlandse zeeman via wie Nicot de snuiftabak had weten te krijgen en het tweede over een vriend van Erasmus die de naam Damião de Góis droeg (Damiaan van der Goes). De Góis was een Portugese auteur van Vlaamse afkomst die ook diplomaat en kunstverzamelaar was en botanische kennis bezat die de tabaksplanten uit een tuin in Lissabon wist te halen. Nicot verstuurde de tabak onder andere naar de Franse koningin Catherina de Medici, die het gebruikte om van haar chronische hoofdpijn af te komen. Het hielp haar zo goed dat ze de tabak naar haarzelf liet vernoemen: Herba Regina (kruid van de koningin). Deze koninklijke goedkeuring (+zegel), hielp zeer om de snuiftabak populair te maken onder de Franse adel.

Overigens werden het verslavende en giftige bestanddeel van tabak, nicotine geheten, en de botanische naam van de tabaksplant (Nicotiana tabacum) later logischerwijze vernoemd naar Jean Nicot de Villemain. Of hij daar trots op moet zijn is de vraag. Volgens verschillende bronnen is tabak immers het kruid met de meeste menselijke doden uit de wereldgeschiedenis op zijn naam.

Na de introductie van tabak in Frankrijk verspreidde het spul zich als een lopend vuur over Europa en werd het spul met name populair in Engeland, Schotland en Ierland. Later volgden ook China, Japan en Afrika. Voor de chauvinisten onder ons: de Nederlanders introduceerden tabak in de zeventiende eeuw in Zuid – en Zuidoost-Azië (rookwaren en pruimtabak).

De Pest

De vermeende waardevolle geneeskrachtige werking die tabak bezat, droeg in grote mate bij tot de populariteit en de verspreiding van het kruid. Tijdens de Grote Pestepidemie van Londen (1665- 1666) namen veel mensen snuiftabak omdat ze geloofden dat dit hen zou beschermen en genezen tegen deze gruwelijke ziekte.

Ook in het Victoriaanse Engeland werd tabak gezien als een soort wonderolie die er zelfs voor kon zorgen dat verziendheid genezen werd en men geen bril meer hoefde te dragen. Het scheen ook handig te zijn bij schurft, constipatie, malaria, hernia, hysterie, ringwormen, verkoudheid, slijmvliesontsteking, koorts, brand- en snijwonden en tegen katers na dronkenschap. Tegenwoordig denkt men dat snuiftabak mogelijk minder schadelijk is dan roken, maar de wetenschap is daar niet helemaal éénduidig over. Er zijn ook geleerden die beweren dat je er kanker, hartaanvallen en beroertes van kunt krijgen. Onervaren snuivers hebben dan weer vaak last van niesbuien, wat regelmatig bespottelijk is gemaakt in films en literatuur.

- advertentie -

Snuiftabak verloor de strijd tegen sigaretten mogelijk doordat het als een vieze gewoonte werd gezien (via neus) die vooral werd gebruikt door de zogenaamd ‘lagere’ klassen en oude zeelui die op hun schepen niet zo makkelijk over lucifers en ander vuur konden beschikken.

Maar wellicht is dit toch niet het einde van het verhaal en wordt snuiftabak in de toekomst, net als pruimtabak, toch weer populair nu rookwaren steeds verder verboden en aan banden worden gelegd binnen de EU. Dan gaan rookwaren uiteindelijk toch allemaal in rook op, zoals provo en anti-rookmagier Robert Jasper Grootveld het graag gezien had!

Stellingmolen De Ster - Foto: Paul Prillevitz
Stellingmolen De Ster – Foto: Paul Prillevitz

Snuifmolens

De laatste twee nog werkende Nederlandse snuif- en specerijenmolens staan in Rotterdam aan de Kralingse Plas. De Lelie en De Ster werden respectievelijk in 1777 en 1829 gebouwd en zijn nog steeds in bedrijf. Er worden gratis rondleidingen gegeven die ongeveer een uur duren en waarbij men de molen in werking kan zien. In 2015 werd het beroep van Snuifreder toegevoegd aan de nationale Inventaris Immaterieel Erfgoed en behoort dit ambacht tot ons nationale erfgoed. Helaas wordt er tegenwoordig geen snuiftabak meer geproduceerd in Kralingen. Daar is men wegens EU-regulering twee jaar geleden mee gestopt. De vrijwilligers van de molen zouden te veel fratsen moeten uithalen om hun product nog rendabel te krijgen. De restanten staan nog opgesteld in de ontvangstruimte van De Ster. Indien gewenst kunnen bezoekers ook nog steeds zien hoe echte snuiftabak wordt gemaakt. Een aanrader.

Stampkuipen in windmolen De Ster, waarin de snuiftabak wordt fijngehakt (CC BY-SA 2.5 - Quistnix - wiki)
Stampkuipen in windmolen De Ster, waarin de snuiftabak wordt fijngehakt (CC BY-SA 2.5 – Quistnix – wiki)

Specerijen worden wel nog steeds gemaakt in de Lelie en de Ster en zijn ook te koop in de molen-winkel. Men kan in De Ster onder andere zwarte en witte peper kopen alsook vleeskruiden, nootmuskaat, kaneel, kruidnagel, speculaaskruiden en Kerrie. Voor wie niet naar de molen toe kan komen, is bestellen via de molen-website ook mogelijk. De peper van de Ster werd vroeger over heel Nederland verkocht. De busjes met een ster erop van firma Hioolen kennen veel oudere mensen nog wel van thuis en zijn nog steeds terug te vinden op veel Nederlandse zolders en in allerlei keukenkastjes.

Bekende video van een man die moet niezen van snuiftabak

Video gemaakt door Thomas Alva Ediso in 1894

Beroemde snuiftabak-liefhebbers

Hoewel snuiftabak voor de moderne Nederlander wellicht wat oubollig, excentriek en exotisch aandoet, stond het vroeger in hoog aanzien. Bekende snuiftabak-gebruikers waren onder andere keizer Napoleon, Marie-Antoinette, Frederik de Grote, science fiction-schrijver Philip K. Dick, Mozart, Anton Bruckner, Abraham Lincoln en Helmut Schmidt.

Dromenland

Ook veel schrijvers hebben zich met (snuif)tabak ingelaten. Volgens de Franse fascistische schrijver Louis Ferdinand Céline (1894-1961) is de mens in de allereerste plaats een dromer. In zijn roman D’un chateau L’autre schreef hij dat de mens aan heel wat dingen de pijp uit kan gaan, maar zonder sigaret zou het nooit lukken. Iemand die op het punt staat om opgehangen of onthoofd te worden, moet eerst dromen, anders gaat het niet. Victor Hugo was het met hem eens. “Tabak is de plant die gedachten omzet in dromen”, schreef hij eens. Volgens de Ierse auteur George Bernard Shaw is een sigaret echter niets meer dan “een snuifje tabak opgerold in papier met aan de ene kant een vuurtje en de andere kant een gek”.

Winston Churchill gaf weer een ander beeld van tabak. Toen hem gevraagd werd wat het geheim was achter zijn hoge ouderdom, antwoordde hij: “Whisky met sigaren en absoluut geen sport!”. Toch gaan sport en tabak soms ook ‘goed’ samen. Denk maar eens aan Eddy Merckx en Johan Cruijff die beiden in het verleden reclame voor sigaretten maakten, zonder dat het hun carrière ooit heeft geschaad…

~ Paul Prillevitz

Ook interessant: Rodrigo de Jerez, de eerste roker van Europa

- advertentie -

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister

Helden - Stephen FryDe jodenvervolging in foto'sDe Bourgondiërs - Bart Van LooWij zijn de Bickers - Simone van der Vlugtt Hooge Nest - Roxane van IperenVietnam - Max HastingsBoerhaave botanicus - Margreet WesselingHet gedroomde Noorden - Adwin de KluyverVet oud - Gouden EeuwDe zaak Oldenbarnevelt
Gelijk naar geschiedenisboeken over: