Dark
Light

Vloeken als een dragonder

…of ketellapper
Auteur:
5 minuten leestijd
Nederlandse dragonders zoals ze in 1815 deelnamen aan de Slag bij Waterloo, getekend door de bekende militair illustrator Jan Hoynck van Papendrecht.
Nederlandse dragonders zoals ze in 1815 deelnamen aan de Slag bij Waterloo, getekend door de bekende militair illustrator Jan Hoynck van Papendrecht.

Terwijl de uitdrukking ‘vloeken in de kerk’ nog regelmatig wordt gebezigd om aan te geven dat een bepaalde uitspraak of gedraging als uitermate ongepast wordt beschouwd, hoor je nauwelijks nog iemand spreken van ‘vloeken als een dragonder’. Datzelfde geldt voor ‘vloeken als een ketellapper’ of ‘vloeken als een bootwerker’. In alle drie gevallen gaat het om een beroepsgroep uit lang vervlogen tijden, waarvan de dragonder wel het minst bekend is.

Foto van een ketellapper, gemaakt door Ignacy Krieger (1817-1889)
Foto van een ketellapper, gemaakt door Ignacy Krieger (1817-1889)
De ketellapper hield zich bezig met het repareren (oplappen) van metalen potten en pannen, de bootwerker verdiende zijn geld met het laden en lossen van schepen in de haven. Eens stond al het werkvolk dat ook maar iets met de scheepvaart te maken had bekend als ‘ruw’ en het vloeken was daar misschien nog wel de meest onschuldige uiting van. De ketellapper kan gezien worden als de voorloper van de metaalarbeider en aangezien deze sector al gauw geassocieerd wordt met een weinig gepolijst taalgebruik, kunnen we ons daar bij die ketellapper ook wel iets bij voorstellen. Maar wat hield het werk van de dragonder nu precies in dat het vooral mannen aantrok die grof in de mond waren?

De eerste vermeldingen van dragonders dateren uit de tweede helft van de zestiende eeuw en hebben betrekking op infanteristen, behorende tot het voetvolk binnen een leger, die voor speciale opdrachten te paard gingen om zich sneller te kunnen verplaatsen. Op het slagveld aangekomen lieten ze hun paard achter om vervolgens te voet ten strijde te trekken. Dat ze aanvankelijk tot het wapen der infanterie bleven behoren blijkt wel uit het feit dat ze nog steeds in compagnieën georganiseerd waren, terwijl dat bij de cavalerie – de bereden militairen bij uitstek – eskadrons waren. Zo’n compagnie dragonders stond nog steeds onder bevel van een kapitein en niet van een ritmeester zoals bij de cavalerie en ontving haar signalen van een trommelaar in plaats van een trompetter.

Vuurwapens

Over de oorsprong van de benaming dragonder lopen de lezingen uiteen, maar de meest genoemde heeft betrekking op hun vuurwapen. Dat zou vaak een zogenaamd radslotgeweer zijn geweest waarvan de kolf gedecoreerd was met de kop van een draak (‘dragon’ in het Frans). Dit paste binnen een traditie in de vroege ontwikkeling van de vuurwapens om er dierennamen aan te geven zoals de falconet (een licht kanon, genoemd naar de valk, ‘falcon’ in het Engels), de serpentine (afgeleid van het Franse woord ‘serpent’ voor slang, omdat het een kanon met een lange loop was dat in het Nederlands ook wel als ‘veldslang’ werd aangeduid) of de culverin (voorloper van de haakbus, afgeleid van het Franse woord ‘couleuvre’ voor gladde slang).

Een andere verklaring gaat uit van de totale verschijning van een galopperende dragonder die door zijn wapperende lange jas en brandend lont op die van een vuurspuwende draak zou lijken. Tenslotte is er nog de weinig plausibele bewering dat het Nederlandse woord ‘dragen’ er aan ten grondslag zou liggen, omdat het ging om soldaten die tijdelijk door paarden naar het slagveld ‘gedragen’ werden.

Spotprent waarin de dragonders worden voorgesteld als de nieuwe missionarissen die de hugenoten moeten bekeren.
Spotprent waarin de dragonders worden voorgesteld als de nieuwe missionarissen die de hugenoten moeten bekeren.

Onderdrukking van hugenoten

De rol van dragonders in de onderdrukking van de Franse hugenoten heeft zeker bijgedragen tot hun reputatie van onbehouwen soldaten. Deze Franse protestanten moesten zich na de herroeping van het Edict van Nantes (1598), die een einde maakte aan een zekere godsdienstvrijheid in het land, bekeren tot het katholicisme. Velen reageerden hierop door te vluchten naar landen waar juist het protestantisme de staatsgodsdienst was zoals Engeland, de Republiek der Zeven Provinciën en Pruisen, hoewel dit illegaal was en dus in het geheim moest gebeuren. Dat laatste gold ook voor de erediensten die de achterblijvers tegen de verboden in bleven houden en om beide praktijken te stoppen zette de Franse regering militaire machtsmiddelen in.

Omdat de hugenoten vooral in afgelegen gebieden, zoals de Cevennen, de Vivarais, de Jura en Lotharingen woonden, viel de keuze op de dragonders om deze toezichthoudende taak uit te oefenen. Te paard konden ze lange patrouilletochten maken om vluchtende hugenoten aan te houden. Bovendien werden ze bij de protestante families ingekwartierd, niet enkel om praktische redenen omdat er verder geen huisvesting voor handen was, maar ook bij wijze van intimidatie. Zo’n inkwartiering kwam bekend te staan als een ‘dragonnade’ en is als dusdanig ook in de Nederlandse taal opgenomen. Vele duizenden hugenoten zochten hun heil in de Republiek en brachten verhalen mee over deze vorm van staatsterreur waarin dragonders een prominente rol speelden.

Ruiter zonder paard

Omdat ze hun paarden enkel gebruikten om zich te verplaatsen waren deze van aanmerkelijk mindere kwaliteit dan die van de cavalerie en daardoor goedkoper. De cavalerist moest in feite een eenheid vormen met zijn paard om hier in het gevecht op te kunnen vertrouwen en daarvoor was jarenlange training vereist, hetgeen de cavalerie tot een elitekorps maakte.

Het Britse leger kent een lange traditie van de inzet van dragonders, zoals hier de Royal Scots Dragoon Guards.
Het Britse leger kent een lange traditie van de inzet van dragonders, zoals hier de Royal Scots Dragoon Guards.
Dragonders daarentegen moesten het in vredestijd vaak zonder paarden stellen en werden hier pas van voorzien als een nieuwe oorlog aanstaande was. Er werden dan massaal paarden aangekocht en/of gevorderd om complete regimenten mee uit te rusten en dat kwam de betrouwbaarheid uiteraard niet ten goede. Menig dragonder moest het met een onwillig paard stellen, hetgeen aanleiding zal hebben gegeven tot veel gevloek.

Het mochten dan over het algemeen geen beste paarden zijn, de vaardigheden van de dragonders om er mee om te gaan schoten eveneens te kort. Hoewel ze niet betrokken waren bij de strijd kon dit zo’n paard toch fataal worden en dat had alles te maken met hoe ze door de dragonder achtergelaten werden. Als deze zijn paard aan een boom bond alvorens naar het slagveld te marcheren was de kans groot dat deze bij lange afwezigheid van zijn berijder aan de schors begon te knabbelen om zijn honger te stillen. Het zuurhoudende tannine hierin kon het beest dan fataal worden, zodat de dragonder die de strijd overleefd had bij terugkomst een dood paard aantrof.

Huzaren en pandoeren

Dragonder-helm, ca. 1911
Dragonder-helm, ca. 1911 (CC BY-SA 4.0 – Gutedel – wiki)
In de loop van de achttiende eeuw gingen steeds meer landen er toe over om dragonders in hun leger op te nemen en begonnen deze zelfs in te delen bij de cavalerie. Reden voor dat laatste was dat ondertussen ook andere bereden soldaten hierbij ondergebracht werden zoals huzaren, pandoeren, kurassiers, kozakken en ulanen die zich vooral door hun hoofddeksels van elkaar onderscheidden. Zo werd de dragonder in de negentiende eeuw, naar Frans voorbeeld, herkenbaar aan een helm met kam en veren of pluimen.

Net als in het Staatse Leger kreeg in 1815 ook het Nederlandse leger een regiment dragonders, die een halve eeuw later echter tot huzaren omgedoopt werden. In de loop van de vorige eeuw was er door de motorisering weliswaar geen plaats meer voor paarden in de krijgsmacht, de hang naar traditie zorgde er echter voor dat benamingen van hun berijders behouden bleven. Zo ging men tankbemanningen als cavaleristen aanduiden en kwamen militairen die zich met pantserwagens verplaatsen bekend te staan als dragonders (of huzaren, zoals in de Nederlandse krijgsmacht).

Marc Busio (1970) is chemisch technoloog en amateurhistoricus, gespecialiseerd in industrieel verleden. Naast Historiek publiceert hij regelmatig artikelen op zijn eigen website www.fabriekofiel.com en in het tijdschrift 'Erfgoed van Industrie en Techniek'.

Gerelateerde rubrieken:

Gratis geschiedenismagazine

Ontvang, net als ruim 51.000 anderen, iedere week de gratis nieuwsbrief van Historiek:
×