Dark
Light

Slavernij in de antieke wereld en het vroege christendom

Slavernij en beschaving – Karwan Fatah-Black
6 minuten leestijd
Slaven in een mijn in Laurion.
Slaven in een mijn in Laurion (Griekenland).

Zie erop toe dat Afrika niet langer leegloopt door de oneindige stroom van zijn inwoners die hun vrijheid verliezen in een gevangenschap erger dan bij barbaren.
Augustinus

Toen ik het bovenstaande citaat van Augustinus voor de eerste keer las, was ik geschokt door de treffende manier waarop de kerkvader duizend jaar geleden leek te hebben voorvoeld welk lot 12 miljoen Afrikanen in de trans-Atlantische slavenhandel te wachten stond.

Oudste afbeelding van Augustinus van Hippo
Oudste afbeelding van Augustinus van Hippo
Het citaat is een van de twee motto’s van een in 2011 gepubliceerd boek van Kyle Harper over slavernij in het late Romeinse Rijk. Ik ging op zoek naar de oorspronkelijke tekst, en dat bracht me bij een brief uit 428 n.Chr. die in 1981 werd gevonden door onderzoeker Johannes Divjak. Augustinus klaagt in de brief tweemaal, in ongeveer dezelfde bewoordingen, over diverse vormen van mensenroof die zijn Noord-Afrikaanse bisdom Hippo teisteren. De brieven van Augustinus zijn interessant omdat ze historici iets leren over vormen van slavernij in Noord-Afrika en het verzet ertegen, maar zijn woorden krijgen een diepere lading door de kennis die we hebben van wat er in latere eeuwen op een andere Afrikaanse kust zou gebeuren.

Wat Harper, ikzelf, en u als lezer wellicht, zo treffend vinden aan het citaat is de gelijkenis die het suggereert tussen de mensenroof in Noord-Afrika en de trans-Atlantische slavenhandel in de vroegmoderne tijd. Maar laten we ons dan niet te veel leiden door kennis achteraf? Bepaalt de latere Atlantische geschiedenis dan niet te veel de interpretatie van het Romeinse verleden van duizend of zelfs tweeduizend jaar eerder? Wat mij betreft wel. We zijn overigens met onze ‘Atlantische blik’ op het slavernijverleden van de oudheid niet uniek. Het is zelfs niet overdreven om te stellen dat de oorsprong van de bestudering van de slavernij in de Griekse en Romeinse oudheid in zijn geheel terug te voeren is op de periode dat men in de Atlantische wereld worstelde met de vraag of en hoe de slavernij moest worden afgeschaft. De percepties van de Atlantische slavernij zijn vaak op de achtergrond aanwezig in de slavernijonderzoeken van vele generaties oudheidkundigen. En die door de Atlantische context beïnvloede lezing van de Romeinse tijd versterkt vandaag nog altijd het Grote Verhaal waarin ons slavernijdebat is vastgelopen. We zitten in een ware feedback loop. Oudheidkundigen proberen daar steeds meer uit te ontsnappen, en hopelijk zal de publieke perceptie op termijn ook gaan veranderen.

“Samenlevingen in de oudheid kenden verschillende vormen van slavernij die nu vaak gezamenlijk onder eenzelfde noemer worden gebracht.”

In de achttiende en negentiende eeuw leefde in het Westen het idee dat de Griekse en Romeinse oudheid belangrijke culturele voorlopers van de Europese beschaving waren. Dat was ook toen geen nieuw idee, maar het kreeg door de escalerende discussie over de wenselijkheid van slavernij een nieuwe relevantie. Als slavernij een belangrijke plaats heeft in de Romeinse en Griekse beschavingen, en deze beschavingen ook de belangrijkste bouwstenen aandragen voor de westerse beschaving, maakt het dan onlosmakelijk deel uit van de westerse beschaving? Historicus David Brion Davis ziet deze vraag als deel van het grotere ‘probleem van slavernij in de westerse cultuur’. Als het Westen zo beschaafd is, waarom wordt het dan zo direct geassocieerd met slavernij? Of is dat geen tegenstelling, en is die beschaving een voortbrengsel van slavernij?

Auguste Comte
Auguste Comte
De interpretatie van de klassieke oudheid was een manier om de discussie over de wenselijkheid van de Atlantische slavernij te beslechten. Over deze kwestie hebben veel Verlichtingsdenkers hun licht laten schijnen en hun antwoorden hebben zich bijzonder goed weten te nestelen in het Grote Verhaal waarmee de relatie tussen de westerse beschaving en de slavernij wordt geduid. Zo stelt de negentiende-eeuwse positivistische wetenschapsfilosoof Auguste Comte dat slavernij simpelweg nuttig is in een bepaald stadium van maatschappelijke ontwikkeling. Het brengt volgens hem de barbaarse volken tot productiviteit en als zodanig is het een nuttige stap voorwaarts. De analogie met de Atlantische slavernij die in het racistische vertoog van de slaveneigenaren de Afrikanen beschaving bijbracht is geen toeval. Ook zit er in de visie van Comte een oriëntatie op de toekomst na de slavernij: zodra de ontwikkeling naar productiviteit eenmaal is doorgemaakt kan de slavernij weer verdwijnen. En daarmee is het geweten gesust: de slavernij in de Atlantische wereld is slechts tijdelijk en op termijn bovendien goed. Het is een redeneertrant die we ook vandaag nog tegenkomen in de opvatting dat de nazaten van slaven beter af zijn dan de nazaten van degenen die in Afrika achterbleven. De slavernij in de oudheid kan dus volgens Comte simpelweg worden gezien als een lagere trede van ontwikkeling waarop later is voortgebouwd. Anderen, zoals Henri Wallon, die meer genegen waren om de afschaffingsbeweging te ondersteunen, zouden hier nog een tweede draai aan geven door te stellen dat de verheffing van het christendom tot staatsreligie bijdroeg aan het einde van de slavernij in Europa in de nadagen van het Romeinse Rijk.

Theorie en praktijk van slavernij bij de Grieken

De bestudering van de geschiedenis van slavernij in de oudheid is nog altijd in ontwikkeling en nieuwe studies onderzoeken de ideeën over de economie en de samenleving in de klassieke oudheid die gemeengoed zijn geworden. Deze nieuwe studies maken duidelijk dat de analyses van Finley over de slavernij in de oudheid aan herziening toe zijn. De door hem en zijn generatiegenoten benadrukte uniciteit van de Griekse en Romeinse slavernij, met het scherpe verschil tussen vrij en onvrij, blijkt bij nadere inspectie niet houdbaar. Oudheidkundige David Lewis onderzocht de geschiedenis van de Griekse slavernij in de context van de andere samenlevingen met slavernij die zich in de Griekse regio bevonden. Hij onderzocht ook de verschillen binnen de Griekse wereld. Het vertrekpunt van zijn studie is dat de Middellandse Zee en het Nabije Oosten niet als hermetische zones met verschillende economische systemen gezien zouden moeten worden. Regionale economieën waren onderling verbonden, en ook in culturele zin was er veel uitwisseling tussen de Grieken en de beschavingen in het Nabije Oosten. Ook het idee dat de structuur van de stadsstaat en het democratisch bestuur uniek Grieks waren moet op de schop. Dat is echter makkelijker gezegd dan gedaan, over de Grieken en Romeinen is nu eenmaal veel meer kennis voorhanden.

Romeins mozaïek waarop slaven staan afgebeeld die op het land werken
Romeins mozaïek waarop slaven staan afgebeeld die op het land werken (CC BY-SA 4.0 – Historym1468 – wiki)

Samenlevingen in de oudheid kenden verschillende vormen van slavernij die nu vaak gezamenlijk onder eenzelfde noemer worden gebracht. Slaven die tijdens oorlogen werden gemaakt, als krijgsgevangenen en als oorlogsbuit, werden in veel gevallen gehouden als arbeidskracht. In Babylon, Rome en bij de oude Grieken werd daarbij een verschil gemaakt tussen de aanvoerders die zich konden vrijkopen of laten vrijkopen door hun tempel, familie of koning, en de krijgers die direct werden ingezet voor het aanleggen van infrastructuur en verdedigingswerken, en later pas voor landbouw en mijnbouw. Ook via handelaren werden slaafgemaakten uit andere samenlevingen aangevoerd, vaak op een kleinere schaal dan degenen die door een oorlog slaaf werden. Een andere categorie slaven in deze samenlevingen vormden de lokale slaven. Het kon gaan om mensen die zichzelf hadden verkocht (waarschijnlijk een fenomeen dat maar beperkt voorkwam), veroordeelde misdadigers, schuldenaren of vondelingen die waren opgenomen in een huishouden en daar als slaaf werden gehouden – meestal tot zij een bepaalde leeftijd hadden bereikt.

Slavernij en beschaving - Karwan Fatah-Black
 
Het lijkt erop dat de slaven van buiten de eigen samenleving vaak in een eeuwigdurende slavernij terechtkwamen. De lokale slaven kwamen meestal na verloop van tijd weer vrij, bijvoorbeeld als ze volwassen waren geworden, in het zevende jaar dat ze in dienst waren of als hun schuld was afbetaald. Zelfverkoop kwam waarschijnlijk in Babylon en Rome nauwelijks voor maar was wel met wetten omschreven. Dat resulteerde in een tussenstatus, waarin de slaafgemaakte een legaal persoon bleef, niet kon worden doorverkocht en eventueel voor een vervanger kon zorgen. Ook in de Bijbel vinden we verwijzingen naar het verschil tussen lokale en buitenlandse slaven: op verschillende plaatsen wordt aangegeven dat slaven in het zevende jaar moeten worden vrijgelaten. In al deze samenlevingen lijkt het slaaf zijn een extreme, eerloze toestand die ten koste van alles moet worden voorkomen: men was liever arm dan slaaf. Nog erger was dat je als slaaf aan het buitenland werd verkocht. Dit gold in extreme mate voor vrouwen, aangezien in al deze samenlevingen slavernij ook de lichamelijke onderwerping aan de eigenaar betekende.

Fragment uit het eind 2021 verschenen boek Slavernij en beschaving. Kleine geschiedenis van een paradox. Karwan Fatah-Black onderzoekt hierin hoe het denken over slavernij zich door de eeuwen heen gevormd heeft. Hoe kan een beschaafde samenleving slavernij toestaan? Waarom is er debat over iets waar iedereen tegen is? Waarom worden beelden van slavenhandelaren van hun sokkel getrokken terwijl de slavernij allang is afgeschaft? En hoe komt het dat in onze huidige samenleving nog steeds miljoenen mensen onvrij zijn?
×