Op 26 augustus 1933 deed zich een tafereel voor in de straten van Marburg dat deed denken aan de openbare vernederingen tijdens de Middeleeuwen. Een groep bruinhemden van de SA joeg de Joodse student Jacob Spier op. Hem was een protestbord in handen gedrukt met de boodschap “Ich habe ein Christenmädchen geschändet” (Ik heb een christelijk meisje aangerand). De jongeman werd door de politie, zogenaamd voor zijn eigen veiligheid, in preventieve hechtenis (Schutzhaft) genomen, maar kon in 1936 naar New York vluchten waar hij in 1977 overleed.
De beschuldiging tegen hem was ongegrond, maar de naziploerten wilden Joodse mannen in Marburg waarschuwen dat ze geen liefdesrelatie met ‘Arische’ vrouwen meer moesten aangaan. Ze liepen hiermee vooruit op de Rassenwetten van Neurenberg die op 5 september 1935 werden ingevoerd en zulke ‘gemengde’ relaties verboden. Ook elders in Duitsland vonden in de eerste maanden van Hitlers dictatuur soortgelijke publieke vernederingen van Joden plaats, die door de Amerikaanse historicus Hermann Beck ‘schandpaalmarsen’ (pillory marches) worden genoemd.
Joodse populatie
De geschiedenis van de Joden in Marburg begon in de Middeleeuwen. In die tijd woonden ze in hun eigen deel van de stad, aan het marktplein en aan de ‘Judengasse’, een straat die door de nazi’s werd omgedoopt in Schlosssteig. Ongeveer halverwege de veertiende eeuw en vermoedelijk opnieuw ongeveer twee eeuwen later werden Joden uit de stad verdreven, na beschuldigd te zijn van het verspreiden van de pest.
Van 1861 tot 1932 nam de Joodse populatie in de stad toe van 74 tot 325. De meeste Joden werkten in de handel en in de stad waren drie banken met Joodse eigenaren. Sinds de veertiende eeuw beschikte de gemeenschap over een synagoge, de nieuwste was in 1897 ingewijd aan de Universitätsstrasse. De hierboven beschreven schandmars kende in de contemporaine geschiedenis van Marburg geen precedent, maar dat betekende niet dat antisemitisme afwezig was. Antisemitisme was eind negentiende eeuw wijdverspreid op het platteland rondom Marburg. Dit werd onder andere veroorzaakt doordat Joden een invloedrijke rol hadden binnen de financiële sector en de handel. In tijden van economische tegenspoed maakte dat hen een makkelijke zondebok.
De boerenkoning
Het politieke antisemitisme wordt door de Amerikaanse historicus Rudy Koshar “de motor van populistische politiek in Marburg voor de Eerste Wereldoorlog” genoemd.84 De belangrijkste verspreider van het antisemitisme in de tijd voor de opkomst van het nationaalsocialisme was de Hessische rechts-populistische politicus Otto Böckel. Van 1887 tot 1903 had Böckel een zetel in de Rijksdag, eerst als onafhankelijke volksvertegenwoordiger en daarna als lid van de door hem in 1890 opgerichte radicaal-antisemitische Antisemitische Volkspartei, die drie jaar later opging in de Deutsche Reformpartei.
De antisemitische populist had gestudeerd aan de universiteit van Marburg en hier ook gewerkt als bibliothecaris. Als verzamelaar van Hessische volksliedjes kwam hij vaak op het platteland in de omgeving van Marburg waar hij door gesprekken met de lokale bevolking gemotiveerd raakte om de politiek in te gaan als vertolker van de stem van de ‘gewone man’. Vanwege zijn populariteit onder de plattelandsbevolking kwam hij bekend te staan als de ‘boerenkoning’.
Böckel riep zijn volgelingen op zich te bevrijden van de Joden. Zijn boodschap werd mede verspreid door de Mitteldeutscher Bauernverein, een boerenbelangenclub van 15.000 leden, die twee keer per week Böckels persoonlijke krant ontvingen. In de regio werden onder invloed van Böckel ‘Jodenvrije’ markten georganiseerd. Onder het motto ‘Tegen Junker en Jood’ zette de antisemitische politicus zijn volgelingen op tegen zowel de Joden als de dominantie van de Pruisische adel binnen het keizerrijk. Zijn agitatie tegen onder meer grootstedelijk kapitaal en grootgrondbezetters vond gehoor bij boeren en kleinstedelijke middenstanders. Böckels campagne leek sterk op die van de nazi’s decennia later. Koshar schrijft:

Volgens Koshar was een andere overeenkomst tussen Böckels beweging en die van de nazi’s de afwijzing van partijpolitiek. “Conservatief, pausgezind, liberaal, progressief; al deze partijen moeten verdwijnen”, zo bepleitte de populistische politicus. Hij wilde ze vervangen door één “middenstands- en volkspartij”.86 De sociaaldemocratische partij wees Böckel af, want die vertegenwoordigde volgens hem een klasse, terwijl hijzelf erop voorstond dat zijn partij ‘het volk’ vertegenwoordigde. Het hoogste percentage stemmen verkreeg hij bij de tweede en beslissende ronde van de rijksdagverkiezingen van 1893, toen hij in de stad Marburg 70,8% van de stemmen verkreeg en 68,5% in het kiesdistrict waaronder het platteland rondom de stad viel.
Nazi-ideologen uitten later waardering voor Böckel, maar concludeerden dat de tijd nog niet rijp was geweest voor zijn politieke ideeën en dat het hem aan leiderskwaliteiten ontbrak. Tot het succes van de NSDAP speelde de antisemitische beweging verder geen rol van politieke betekenis, als gevolg van onderlinge verdeeldheid.
Onbeschaamde antisemitische retoriek
Ook nadat Böckel in 1909 de politiek verliet en de antisemitische beweging uiteenviel, behield het antisemitisme wel een plek op de politieke agenda in Marburg en omgeving. In de campagne voor de rijksdagverkiezingen van 1920 plaatste de conservatief-liberale Deutsche Volkspartei (DVP) een krantenadvertentie waarin ze de Deutsche Demokratische Partei (DDP), die het financiële kapitaal zou vertegenwoordigen, ervan beschuldigde Joden leidinggevende posities te hebben gegeven binnen hun gelederen. De DDP pareerde dit door te benadrukken dat “de Jood Riesser” de DVP-lijst aanvoerde, een verwijzing naar jurist en bankdirecteur Jakob Riesser die medeoprichter van de DVP was.
De Deutschnationale Volkspartei (DNVP) noemde zich tijdens dezelfde verkiezingscampagne in een politieke advertentie “de enige partij die het opnam tegen de Joden”.87 Al deze burgerlijke partijen, die onbeschaamd antisemitische retoriek bezigden om stemmen te winnen, behaalden tot en met de verkiezingen van 1928 gezamenlijk meer dan de helft van de Marburgse stemmen. Met hun antisemitische gepreek legden ze, evenals Böckel, een rode loper uit voor het antisemitisme van de NSDAP.
Bij de verkiezingen van 1924 in Marburg vormde antisemitisme ook een van de kernpunten van het Völkisch-Sozialer Block, de coalitie van extreemrechtse partijen waarin ook de nationaalsocialisten waren vertegenwoordigd. In een krantenadvertentie pleitte het blok voor…
…bevrijding […] van de economie, de ambachten en de boeren van de afhankelijkheid van Jodenbanken en Jodenmarkten; [bevrijding] van het bestuur, parlementen, partijen en vakbonden van Joodse leiding en verleiding; [bevrijding] van het Duitse culturele leven van raciaal Joods bestuur en zeggenschap.88
Universiteit van het antisemitisme
Op de universiteit van Marburg was antisemitisme al ruim voor Hitlers machtsovername een dominante factor. De universiteit werd zelfs wel eens ‘dé universiteit van het antisemitisme’ genoemd. Hoewel Joodse studenten een kleine minderheid vormden, kregen ze al voor de Eerste Wereldoorlog te maken met discriminatie. Zo sloot de prestigieuze studentenvereniging Corps Teutonia in 1882 Joodse studenten uit van lidmaatschap. Verschillende andere verenigingen volgden dit voorbeeld.
Een van de verklaringen die Koshar noemt voor het felle antisemitisme op de universiteit is dat meer dan 80% van de Marburgse studenten een protestantse achtergrond had, terwijl het gemiddelde op Pruisische universiteiten minder dan 65% was. Protestantse studenten vonden elkaar in hun afkeer van de Joden en pleegden georganiseerd verzet tegen de aanwezigheid van Joodse medestudenten en hoogleraren op hun universiteit.
Fatsoenlijke Jood
Milton Mayer omschreef alle Marburgers met wie hij een vriendschappelijke relatie aanknoopte als antisemieten, op gymnasiumleraar Heinrich Haye na. Haye was de enige wiens omgang met Joden verder ging dan slechts zakelijk contact, als koper of verkoper. In Mayers gesprekken met de tien mannen brachten zij zelf hun kijk op Joden ter sprake, soms zelfs al tijdens hun tweede ontmoeting. Mayer verzweeg tegenover hen dat hij Joods was. Volgens de Amerikaan was politieman Wolfgang Heyer “een aardige oude man” die niet antisemitisch wilde zijn, maar dat wel was. DAF-medewerker Karl-Otto Straub en meubelmaker Conrad Kilian omschreef hij als de mildste antisemieten. Volgens hem was hun antisemitisme “geenszins ‘raciaal’ en vrijwel volledig economisch, ‘rationeel’”.
Kilian had van zijn vader geleerd dat de Joden “mensen als alle andere mensen” waren, maar dat je ze niet kon vertrouwen met geldzaken. Zelf werd Kilian nimmer bedrogen door een Jood, naar eigen zeggen omdat hij “gewaarschuwd en voorzichtig” was. Met een professor die klant van hem was geweest, die in 1933 zelfmoord pleegde (vermoedelijk Hermann Jacobsohn), en hem een trouwgeschenk stuurde, hoefde hij echter nimmer voorzichtig te zijn.89

Ook de radicalere antisemiet Hans Steih scheerde niet alle Joden over één kam. Zo kocht hij een trouwring voor zijn vrouw bij de Joodse juwelier Springer. “We deden altijd zaken met Springer”, vertelde hij Mayer. “Voor een Jood, was hij fatsoenlijk.”91 Ook zes andere van Mayers ‘vrienden’ kenden Springer en noemden hem eveneens een fatsoenlijke Jood. Steih beweerde daarentegen ook dat zijn voorouders veel kwaad was aangedaan door Joden, die hen bestalen en ruïneerden. Tegelijkertijd zei hij dat zijn familie alleen voorspoed had gekend, maar Mayer vond het niet zinvol om hem op deze contradictie te wijzen.
Op naar Palestina
Een van de radicaalste antisemieten van het tiental was incassomedewerker Heinrich Möller. Hij beweerde eens dat Duitsers de Joden konden herkennen, niet aan hun uiterlijk maar gevoelsmatig. “Ze zijn niet zoals u en ik”, zei hij tegen Mayer, niet wetende dat de Amerikaan Joods was. Möller geloofde ook niet dat Jezus een Jood was. Hij noemde de Talmoed “een geheime Bijbel”, waarin rituele moord werd aangemoedigd en waarin stond dat Joodse mannen moesten “trouwen met Duitse vrouwen en het Duitse ras verzwakken”. Wanneer je Joden er echter naar zou vragen, zouden ze niet de echte Talmoed laten zien. Hij beschuldigde professoren op de universiteiten ervan dat ze door de Joden werden betaald om deze leugen in stand te houden.92
Partijkantoormanager Heinrich Dörr was niet minder mild in zijn oordeel over Joden. Hij vertelde dat zijn familie altijd antisemitisch was geweest en memoreerde dat een Joodse veehandelaar eens een kalf van zijn vader had gekocht dat hij met winst had doorverkocht. Mayer wees Dörr erop dat dit toch gewoon was zoals het kapitalisme werkte en hij was toch geen communist? “Duitsers konden niet met elkaar handelen”, beklaagde de man zich. “Er zat altijd een Jood tussen hen. Alle Joden zijn Händler, handelaars, nooit arbeiders of boeren. Elk kind weet dat. Alle handel was in de handen van de Joden. Wat konden wij arme Duitsers doen?” Mayer mocht Dörr wel, maar vond hem wel een “professionele boerenkinkel”. Als christen beschouwde de Duitser de Joden als “vijanden van het christelijke geloof”. Hij zag het als “christelijke plicht” om de Joden te vernietigen, want de Joden hadden immers ook de Heer bedrogen.93
Op een foto van de Marburgse carnavalsoptocht van 1936 is een praalwagen te zien waarop carnavalsvierders zich hebben uitgedost als karikaturen van Joden. Op de kar liggen meubelstukken opgestapeld zoals in een verhuiswagen. Op een van de bijbehorende borden staat de boodschap ‘Auf nach Palästina!’ (Op naar Palestina!). Deze wens om Joden uit te sluiten of zelfs te verbannen, op grond van eeuwenoude christelijke en economische vooroordelen, leefde sterk onder nationalistische en conservatieve Duitsers en werd door de nazi’s verder aangewakkerd, waarbij ze er nog een raciale component aan toevoegden.

Kristallnacht
Voorafgaand aan de oorlog kon niemand nog vermoeden dat Hitlers antisemitisme zou leiden tot een industrieel georganiseerde genocide. Het vooroorlogse beleid was gericht op discriminatie en uitsluiting. Onder invloed van alle door de overheid georkestreerde pesterijen en anti-Joodse maatregelen verlieten veel Joden Duitsland. Van de 325 Joodse inwoners die Marburg in 1932 telde, waren er in 1938 nog 149 over. Dat jaar vond op 9 en 10 november een landelijke geweldsuitbarsting plaats die bekend is komen te staan als de Kristallnacht, vanwege de glasscherven van de door bruinhemden ingegooide ruiten van winkels van Joodse eigenaren.
Door heel Duitsland werden synagogen in de brand gestoken en vielen Joden en hun eigendommen ten prooi aan door propagandaminister Joseph Goebbels opgehitste relschoppers. In Marburg drongen jongens van de Hitlerjugend op 9 november binnen in een lesruimte bij de synagoge en smeten meubels door de ramen. Politieman Wolfgang Heyer vertelde Mayer dat de voorzitter van de synagoge melding had gemaakt van ingegooide ruiten en een brandlucht. De Kriminalinspektor liet een diender poolshoogte nemen, die een rapport opmaakte waarin hij schreef dat er geen aanwijzingen waren voor wie de daders waren.

Laat op de avond werd meubelmaker Conrad Kilian, die adjudant was van de chef van de vrijwillige brandweer, door zijn zus gebeld dat de synagoge in de brand stond. Hij ging er meteen heen op de fiets en constateerde dat er sprake was van brandstichting. Kilian zei tegen Mayer dat hij zelf nog wel het brandende gebouw in was geweest en enkele religieuze kleden had veiliggesteld. Ook de Torahrollen konden worden behoed voor de vlammenzee.
Hoewel hij dat zelf tegenover Mayer ontkende was Sturmführer Hans Steih de hoofddader van de brandstichting. De opdracht hiertoe was op 9 november gegeven door de Sicherheitsdienst (SD) in Kassel. Met een groepje van vijftien man was Steih naar de synagoge gegaan waar ze op verschillende plaatsen in het gebouw met benzine en boenwas brand stichtten. De brandweer arriveerde pas na 6.00 uur ’s ochtends en voorkwam vervolgens slechts dat het vuur oversloeg naar naburige panden. De Oberhessische Zeitung berichtte later over deze “relatief kleine vergeldingsactie”, die met tevredenheid was gadegeslagen door een grote menigte. Door de brand was “een gebouw verdwenen dat door zijn Aziatische stijl en lompe vorm ons mooie stadsbeeld ernstig had bedorven”.94 Vanwege instortingsgevaar werden op 10 november de nog overeind staande pilaren en muren neergehaald.

Naoorlogse vervolging van de brandstichters
SA-aanvoerder Steih werd in 1947 veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar voor brandstichting, twee mededaders kregen respectievelijk anderhalf en een jaar gevangenisstraf. In hoger beroep werd de straf van een jaar verlaagd tot een half jaar. In 1952 werd de zaak tegen Steih heropend en werd zijn gevangenisstraf teruggebracht tot anderhalf jaar, omdat op grond van nieuwe getuigenverklaringen niet meer bewezen kon worden dat hij actief betrokken was bij het brandstichten. Een superieur van Steih binnen de SA werd in 1952 voor het opdracht geven tot brandstichting tot anderhalf jaar gevangenisstraf veroordeeld. Verschillende medeplichtigen ontsnapten aan straf.
Mayer concludeerde dat de rechters mild waren, omdat de daders in hun woorden “nimmer veroordeeld zijn voor een misdaad, uitgezonderd degene die voortkomen uit hun politieke activiteiten. Ze behoorden niet tot de ‘criminele klasse’. Ze zijn goede burgers geweest en, volgens het rapport voor ons, eerbare mannen. Politieke passie maakte criminelen van hen.”95 Steih, die tijdens een rechtszaak tegen zijn mededaders werd opgeroepen als getuige, beweerde een oude man te zijn die zich alles niet meer goed kon herinneren.
Een ongeluk
De Amerikaan Robert H. Harlan verbleef eind jaren dertig enkele maanden als uitwisselingsstudent in Duitsland. Gedurende het wintersemester van 1938-1939 volgde hij lessen aan de universiteit van Marburg. Hij was gedurende de Kristallnacht in de stad en schreef op de dag na de pogrom in zijn dagboek dat “de algemene indruk” in de stad was dat het uitbranden van de synagoge “een ongeluk” was.96
Of er nou een antisemitische praalwagen door hun stad reed, een Joodse student tot een schandmars werd gedwongen of de synagoge in brand werd gestoken; de Marburgse bevolking liet het gebeuren en velen leek het niet te deren, als ze deze acties al niet aanmoedigden of er zelf aan deelnamen. Deze houding beloofde niets goeds voor de jaren die zouden volgen, waarin de discriminatie van Joden een genocidale wending nam.

Nooit meer
Bij de herdenking van de Kristallnacht op 9 november 2024 bracht burgemeester en SDP-politicus Thomas Spies in herinnering dat Marburgse burgers zich 86 jaar eerder “met haat in hun hart” keerden tegen hun Joodse buren en bekenden.
Het waren de nationaalsocialisten en hun aanhangers, maar het waren ook heel normale mensen die Joodse locaties en mensen met geweld aanvielen, toekeken, applaudisseerden.
De gebeurtenis vormde volgens Spies “de opmaat naar de Shoah, de systematische massamoord op miljoenen Joden. Op 9 november 1938 begon het dieptepunt van de menselijke geschiedenis, een misdaad die zo monsterlijk was dat zij zelfs – en misschien vooral – 86 jaar later niet kan worden begrepen”. De burgervader benadrukte dat elk jaar de afstand tot de gebeurtenissen van toen groter wordt en de verleiding groeit om “de gruwel van het nationaalsocialisme slechts als historische datum te zien”. Hij verwees naar de opleving van het antisemitisme in het hedendaagse Duitsland en sloot met de volgende woorden zijn toespraak af:
‘Nooit meer’ betekent dat alle Joden, alle mensen die het doelwit zijn van haat en vijandigheid, veilig zijn in ons midden en zich elke dag veilig kunnen voelen.
Daarom herdenken we. Daarom willen we, daarom moeten we ons de gruwel van de Holocaust aantrekken: Omdat we anders niet zullen zien wat er gebeurt, omdat we anders niet waakzaam genoeg zullen zijn, omdat we er anders niet in zullen slagen om het halt toe te roepen.
Laten we samen diegenen herdenken die hun leven en dierbaren verloren door deze verschrikkelijke gruweldaden. En laten we samen opstaan.
Nooit meer is nu.97
NB: Notenapparaat wordt gepubliceerd bij laatste artikel van de serie