België is een surrealistisch land. Het is een adagium. Tegenwoordig wordt veel als ‘surrealistisch’ bestempeld. Maar wat is/was dat surrealisme? Brussel staat met twee tentoonstellingen stil bij het het lokale, nationale en internationale surrealisme en dat levert olijke, vrolijke, tegendraadse maar soms ook wrange beelden. Lachen of grimlachen.
In 1924 schreef de Franse kunstpaus André Breton het Manifest van het Surrealisme. Overal – in Frankrijk, Groot-Brittannië, Nederland, Spanje, Latijns-Amerika, Japan,… – doken sprankels van bovenwerkelijke artistieke uitingen op: Salvador Dali, Joan Miró, Francis Picabia, Dora Maar, Dorothea Tanning, Meret Oppenheim… soms met meer of minder mystieke tentakels.

op doek, KMSKB, Brussel © succession Magritte –
Sabam België 2024
Wat is surrealisme dan wel? Een vraag voor Xavier Canonne, die er een doctoraat en nu ook een uitgebreide tentoonstelling (met bijhorend boek) over maakte:
Voor mij is het een attitude, een ingesteldheid. Eerder dan een esthetische kunstuiting is het een filosofische, poëtische en politieke beweging. Het surrealisme werd gedragen door dichters, schilders, fotografen…
En zelfs juristen/advocaten: Louis Scutenaire, Tom Gutt, Achille Chavée,..Paul Nougé, Roger Van de Wouwer, Leo Dohmen waren wetenschappers/scheikundigen/biologen…
Lolbroekenhumor
Nougé noemde zichzelf ouvrier des lettres (letterarbeider) en een van zijn eerste geschriften kreeg de titel Histoire de ne pas rire (kwestie van niet te lachen).
Dat surrealisme lolbroekenhumor is, wou ik absoluut ondergraven. Het is niet iets als Belgische pralines, de smurfen of dans-Mariekes. Natuurlijk bestaat humor maar het is van een ernstige soort, geen plaisanterie. Het doel is niet enkel te doen lachen. Het is ook een wapen. Xavier Canonne
Met deze stelling onderschrijft Xavier Canonne de heldere definitie van de Zwans door journalist-kunstcriticus Sander Pierron die in 1914 de derde Great Zwans Exhibition in Brussel mede organiseerde:
La Zwanze fait penser après avoir fait rire. (De Zwans doet nadenken na te hebben doen lachen)

Humor was en is niet vrijblijvend. Maar Brussel werd – al te lang – als het artistieke nakomertje van Parijs gezien. Capitale d’opérette (operette-hoofdstad) noemde René Magritte de Belgische hoofdstad. Brussel hoefde echter niet onder te doen voor Parijs want datzelfde jaar – 1924 – verscheen ongeveer gelijktijdig met het Franse Manifest het eerste nummer van een serie traktaten onder de noemer Correspondance van Paul Nougé, samen met Camille Goemans en Marcel Lecomte. Nougé, een man die liefst in de luwte opereerde. Overdag was hij een brave biochemicus in een medisch laboratorium.
Nougé is een schaduwfiguur, een anti-artiest bij uitstek, die journalisten en publiciteit schuwt. Zijn eerste interview dateert van de jaren 1960 en het is zijn vriend Marcel Mariën die zijn geschriften – zowat tegen zijn zin – publiceert. Xavier Canonne

Ondermijnen
Paul Nougé, het brein van het Belgisch surrealisme en levenslang overtuigd communist, heeft altijd het automatisme waar André Breton en Parijs zo fan van waren, geweerd. Dat spiritisme, droomgewauwel en bovennatuurlijke visioenen werden door de eigengereide Belgen argwanend bekeken. Voor Nougé is elke artistieke actie vooraf afgewogen en wel overpeinsd.
Het gaat over het reële, de werkelijkheid te transformeren. Nougé vergelijkt het met… terrorisme.Xavier Canonne

De schilderijen van René Magritte illustreren goed dat uitgangspunt; ze zijn allesbehalve spontaan. De Magritte-beelden zijn antwoorden en verdraaiingen van woorden, van voorwerpen, van alledaagse voorvallen… Dankzij de bevreemdende schilderijen van de Italiaan Giorgio de Chirico en de collages van Max Ernst begint Magritte, die van beroep een schilder en ontwerper van reclame en behangselpapier was, zich ook te interesseren in het ‘omvormen’ van voorwerpen. Vaak dezelfde vereenvoudigde items: een bilboquet (een balvangertje), wolkjes, een bolhoed met mannetje eronder…
Het is overigens Nougé die Magritte helpt om titels voor zijn werken te bedenken en zo een provocerend denk-beeld te creëren. Het enige (gekende) beeldende werk dat Nougé zelf maakt, is de fotoreeks La subversion des images (de ondermijning van de beelden 1929-1930).

De pijp maar niet aan Maarten
Het bekendste voorbeeld van het ‘averechtse’ gebruik – de metamorfose – van beelden is het werkje:
Ceci n’est pas une pipe. (dit is geen pijp)
…dat later hernomen wordt als: Ceci continue de ne pas être une pipe (dit is nog altijd geen pijp). Want het beeld van een voorwerp is nog altijd niet dat voorwerp zelf. Is het surrealisme, poëzie of gewoon (noordelijke) nuchterheid?
Laat de mens gaan waar hij nooit is geweest, ervaren wat hij nooit heeft ondervonden, denken wat hij nooit heeft gedacht, zijn waar hij nooit is geweest. We moeten hem daarbij helpen, we moeten die vervoering en die crisis uitlokken, laten we dus onthutsende objecten creëren. Paul Nougé

Vijfenzeventig surrealistische jaren, dat is een veelheid van beelden en van (soms botsende) ideeën. Maar ook van vrouwen die zich laten kennen in dat kunstmilieu: Rachel Baes, Jane Graverol… allebei dochters van schilders.
Dat surrealisme kenmerkt zich – net zoals de Zwans – door het samenspannen van individuen (ego’s soms) in groepsverband. Zo speelt de jonge Tom Gutt, advocaat en kleinzoon van een belangrijke Belgische naoorlogse minister, een rol in een de film L’imitation du cinéma van Marcel Mariën. Een film die als heiligschennend en obsceen werd gebannen.
Vriendenvete
Marcel Mariën was zowat surrealisme in manspersoon. Geboren in Antwerpen met een Nederlandstalige vader en een Franstalige moeder – of vice versa, zoals hij zelf zei – waren verbale steekspelen en verdraaien van situaties zijn handelsmerk.

Nog altijd provocatief
Toch blijven sommige vriendschappen en gemeenschappelijke acties bestaan: zoals in het Henegouwse La Louvière. De beminnelijke Pol Bury, later wereldberoemd door zijn bewegende waterfonteinen, maakte met zijn eerste ‘kinetische’ kunstwerken al deel uit van een olijke groep dichters/advocaten, schrijvers-leraars, Le Daily-Bul, die in de voormalige industriestad nog altijd absurde activiteiten opzetten.
Het surrealisme blijft voortleven, erkent Xavier Canonne.
De beweging blijft voortbestaan in de blik en de attitude van (sommige) mensen tegenover de wereld. Daarom hoeft men niet noodzakelijk iets te creëren. Men kan surrealist zijn zonder iets te doen. On peut être surréaliste sans rien faire!

Surrealisme, nog lang niet dood maar soms – nog altijd – niet begrepen.