Zwans, een verzet vermomd in humor

Niet zwanzen, hé! Zo luidt de (Belgische) uitdrukking die verbazing, twijfel, ongeloof… vertolkt. Vaak draait het rond een grap, een kwajongenstreek. Zwanzers nemen medemensen graag beet. Altijd met een olijke, vaak absurde en toch verfijnde kwinkslag. Toch wordt zwans vaak tot een ietwat platte, volkse humor beperkt. Maar dat is onterecht. In de negentiende eeuw waren zwanzers veeleer heren van stand. Hun schelmenstreken zijn daarbij een fronde tegen dwaasheid, onrecht, vreemde bezetters en een vorm van zoeken naar een eigen ‘Belgische’ identiteit.

Poesjenellemarch
Poesjenellemarch
Toen Pruisen tijdens de Eerste Wereldoorlog Brussel bezette en alle paarden opeiste – paarden die zo belangrijk waren voor onder meer de distributie van bier – brachten de kinderen van de Marollen, de Brusselse volkswijk, hun ‘paarden’ naar de Kommandantur, gevestigd in het imposante Justitiepaleis. Die vrijwillig geleverde ‘paarden’ waren kromme bezemstelen met een kartonnen, getekende paardenkop erop, houten hobbelpaarden met drie poten of zelfs zonder poten, verwrongen schoorsteenpijpen… De Brusselse ‘ketjes’ (een koosnaam voor Brusselse kornuiten) organiseerden zelfs hun ‘poesjenellenmars’ waarbij ze als houten marionetten de Duitse militaire stap nabootsen maar dan wel… ter plaatse drentelden. Op vraag van een Duitse officier wat ze uitspookten, antwoordden de kwajongens besmuikt:

‘Wij rukken op naar Parijs!’

In de Marollen werd het einde van de tweede Duitse bezetting in juni 1945 uitbundig gevierd. Met dolphke begroufenis (de begrafenis van Adolf Hitler). Een man kreeg een snorretje opgeplakt, werd op een draagberrie gehesen en zo onder massale begeleiding door de straten gedragen. Een hilarische rouwbrief en foto’s gedenken die farce. Hoewel het meer dan een grappige weerwraak was want langs het parcours werd geld ingezameld voor de slachtoffers van de kampen van Auschwitz en Birkenau.

Catalogus Great Zwans,  1885
Catalogus Great Zwans, 1885
Dat soort fratsen ondernamen ook deftige burgerheren. Zo bedotte Renier Chalon alias Le Comte de Fortsas boekenliefhebbers van heinde en verre met een veiling van een onbestaande bibliotheek van unieke boeken. Na bijna 180 jaar is het nog altijd een van de beste – en duurste – mystificaties van de boekenwereld. Die negentiende eeuw was de voedingsbodem voor grappen, zotternijen en rabelaisiaanse fopperijen… De mannenclubjes, Les Agathopèdes, La Société des Joyeux, Les Crocodiles… namen met regelmaat mensen in de maling. Louis Ghémar, de beroemde Brusselse fotograaf, realiseerde een eigen Musée Fantaisiste met pastiches van 120 bekende eigentijdse schilderijen. De Great Zwans Exhibitions van 1885, 1887 en 1914 ontlokten hilariteit… Vrolijke genootschappen haalden hun bestaansrecht uit hun lachsalvo’s. Maffe gesprekken, practical jokes, eetfestijnen, drank en gezang…

Toch is zwans(en) meer dan verschalken. La Zwanze, elle fait penser après avoir fait rire (Zwans doet nadenken na te hebben doen lachen), schreef journalist Sander Pierron, die de derde Great Zwans Exhibition in 1914 mede organiseerde. In die esbattementen en farcen van de negentiende en begin twintigste eeuw uitten artiesten en gewone mensen hun kritische, vrijdenkende commentaar op de maatschappij, op het politieke en culturele beleid, op de oorlogen en de gang van zaken… Toch zweeft er een zweem van melancholie in de zwans, die tedere guerrilla.

Het woord

Maar wat betekent het woord ‘zwans’? Het Nederlandstalige leenwoord wordt in België zelfs in het Frans gebruikt: la zwanze en il ne faut pas zwanzer.

‘Zwants’ is ‘eene zwenkende beweging, vooral bij het dansen’, volgens Middelnederlandse – of Dietse – historisch beschrijvende woordenboeken (er is nog geen uniforme spelling). Maar het kan evengoed voor een sleep van een vrouwelijke jurk staan. Een derde betekenis van een ‘swans’ of ‘schwanz’ is het staart(je) van een dier. Zwansen is zwenken. Dat kwispelstaarten lonkt naar de meer vulgaire betekenis van het woord zoals het in Nederland en in Duitsland nog wordt gebruikt, namelijk een piemel. Der Schwanz! Ook in een Joods-Nederlands woordenboek wordt zwans omschreven zowel als staart, pik en als een rare vent, een clown, een prutser.

De dichter Paul Van Ostaijen, ja die zwansde graag:

“Schrijf een novelle waarin ik de mensen probeer voor de aap te houden. Positieve kritiek: bral. Ik voel thans voor novellen waar je zo heerlijk in kunt zwansen. De mensen zijn niet waard gekritiseerd te worden. Enkel stof voor burleske novellen.”

Het woord ‘zwans’ in de betekenis van een ‘grap, gein, grol’ duikt evenwel pas rond 1880 op. Overigens bestond het woord ‘humor’ in de zin van ‘grappigheid’ niet in het Nederlands voor het begin van de negentiende eeuw. Humor was – tot dan – een humeur, namelijk een van de vier lichaamssappen die rondtollen in een mensenlijf. Zijn de humeuren niet in evenwicht, dan wordt een mens ziek. Deze lichaamsvochten – bloed (sanguis), slijm (flegma), gele gal (cholera) en zwarte gal (melancholia) – determineren een menselijk wezen als droger, vochtiger, warmer of kolerieker. De wereld bestaat uit flegmatici, sanguinici, melancholici en cholerici. Met dank aan Hippocrates en Galenus is humor – tot in de negentiende eeuw en het hedendaags taalgebruik – een ‘lichamelijk-medisch-psychologisch’ begrip. Een ‘humeur’ verklapt zich ook bij de uitwendige mens: een droog temperament heeft grote ogen; iemand met enge neusgaten kan niet anders dan een vechtersbaas zijn.

Vanaf 1880 rolt het begrip zwans over eenieders lippen. De (Belgische) liberale krant La Réforme plaatst in 1884 op zijn voorpagina een heel zwansverhaal dat begint met:

“De Fransen zijn grollenmakers. Wij zijn zwanzers. Een woord dat van gelijk waar komt, zoals de boter die we eten of de… gebrande schapenkeutels die we als koffie slurpen. De zwans hoort bij ons. […] We hebben net het tegenovergestelde gebrek: de Parijzenaars klieven hun haar in vier en wij maken er tressen van om ze beter te bundelen.”

Het is dus niet toevallig dat in 1885 in Brussel een eerste Great Zwans Exhibition plaatsvindt. Een wonderlijke Engels-Nederlandstalige titel in een Belgische hoofdstad die verburgerlijkt en waar de ‘verfransing’ begint. Het dolle evenement vindt plaats in het Musée du Nord in een overdekte winkelpassage in het hartje van de benedenstad. Daar kronkelde ooit de Zenne, het stinkende stadsriviertje dat vanaf 1868 overwelfd werd om plaats te maken voor ‘hygiënische’ rechte stadsboulevards en ‘smaakvolle’ appartementsgebouwen. Kranten zijn dithyrambisch:

De openingsavond van de Great Zwans Exhibition, georganiseerd door de kunstkring ‘L’Essor’, ten bate van de opvang van arbeiders zonder werk, was uitermate briljant. Deze doldwaze avond, die zo geestig de opening van de eerste Belgische, ‘incoherente’ tentoonstelling kenmerkte, heeft op alle vlakken de appetijtelijke beloften van de promotie gerealiseerd. Ze heeft volledig de vele toeschouwers die vol goeie goesting voor de gulle en vranke lach kwamen, voldaan. […]
Het publiek heeft zich ook vermaakt met de ervaringen van meneer Cumcumberland, de gedachtelezer van mensen die er geen hebben. Op een gelukzalige manier parodieerde een onderzoeker de taal en de mimiek van de gedachtelezer van mensen die er denken te hebben.

Lachen met alles, dat is de teneur. Oneerbiedigheid als leuze. In de catalogus (1885) staat te lezen:

RUBENS (Pierre-Paul), geboren in Antwerpen
Stelt niet tentoon dit jaar.

Het is een wild, absurd, pré-dadaïstisch feest maar de openingszin van de catalogus van die eerste Great Zwans Exhibition laat achter het vrolijke masker kijken:

“La folie qui rit de tout et ne respecte rien, pas même la mort, dont elle a fait une mailloche, frappe sur la caisse du charlatanisme.” (De zottigheid die met alles lacht en niets respecteert, zelfs niet de dood, die ze tot moker omvormde, roffelt op de grote trom van het charlatanisme)

Beeld in Brussel - Zwans in actie
Beeld in Brussel – Zwans in actie (CC BY-SA 3.0 – agracier – NO VIEWS – wiki)

De kunstenaars achter de organisatie van deze maffe, rebelse expo, uitten hun zwaarmoedigheid in een tijd van versnellende industrialisering, verstedelijking, economische recessie, armoede, migratie en sociale onrust. De schimpscheuten naar de actualiteit – zoals tableaux vivants/performances rond Ierse migranten, een schrijnende sociale realiteit – sijpelen door in de zwanstentoonstellingen. Humor als verdriet dat op zijn kop staat?

Jaren later wordt die Great Zwans Exhibition – en de twee volgende edities in 1887 en 1914 – weggezet als conservatief en als reactie tegen de nieuwe stromingen in de kunst, zoals het (neo-) impressionisme. Daar spotten de kunstenaars inderdaad mee en ook met hun tijdgenoten die de nieuwe tendensen aanhangen. Maar vooral eigenwaan en hoogmoed – in het Brussels samengevat als ‘stoef’ – werken op de heupen en de lachspieren van de zwanzers.

In die zin schaart de zwans zich bij een eeuwenoud thema van maatschappelijke spot. Humor als een vorm van gezelschapsspel. Spelen die op gezette tijden een gemeenschap verblijden, zoals kermissen, circussen en carnaval. De wereld olijk op zijn kop zetten was het opzet van het jaarlijkse carnaval en dat al sinds de middeleeuwen. Volgens de Nederlandse taalkundige Herman Pleij die het Brussel van de zestiende eeuw bestudeerde, was carnaval een hoogtepunt van het jaar:

“Door dronkaards, luiaards en verkwisters op te voeren, zou de (nieuwe) burgerij de normen van spaarzaamheid en werkzaamheid gepropageerd hebben, deels stiekem deels onbewust, maar door carnaval wel efficiënt. De humor van de middeleeuwen was ter lering maar was ook een medicijn tegen de melancholie en hielp primaire angsten onderdrukken.”

Eventjes averechts zijn, kon door de beugel, één keer per jaar en maar voor een paar dagen:

“Bij tijd en wijle werden tijdens middeleeuwse carnavals in de West-Europese gemeenschappen humoristische uitlaten toegelaten. Die expressies kunnen gezien worden als een formele uitdrukking van populaire cultuur, als een voorbeeld van het cultureel concept van de wereld ‘onderste-boven’. Antropologen en folkloristen zagen een gelijkaardige rolomkering en een cultureel overgangsspel in ceremonies en rituelen van traditionele maatschappijen. Het zijn veiligheidskleppen voor het selectief vrijlaten van sociale spanningen of de sociale controle, of een verzetsfunctie van ‘spanningsmanagement’ in sociale hiërarchische relaties.”

Louis De Fré
Brussels liberaal politicus Louis De Fré, gekarikaturiseerd door Félicien Rops
Spot komt ook bovendrijven in de negentiende-eeuwe politiek bij de Brusselse liberale volksvertegenwoordiger Louis De Fré. Humor is zijn strijdwapen in het parlement:

“Rire de ceux qui, étant puissants, oppriment ou menacent, c’est saper leur puissance, c’est mettre le monde contre eux ; les rendre ridicules, c’est les faire crouler de leurs trônes.” (Lachen met diegenen die omdat ze machtig zijn, onderdrukken of bedreigen, dat is hun macht ondermijnen. Dat is de wereld tegen hen opzetten, hen ridicuul maken en hen van hun troon laten rollen)

Zelfs de Université Nouvelle (Nieuwe Universiteit), gesticht in 1894 in het hartje van de hoofdstad, doopten de Brusselaars tot Zwanze Université. Heeft het te maken met dit duimelotlandje en is die averechtse humor een verzetsdaad van een land dat eeuwenlang onder de voet is gelopen door vreemde laarzen? Dat ‘fronde’, balsturigheid, een belangrijke component van zwans is, erkent ook de Brusselse schrijver Michel de Ghelderode:

“Diezelfde rebelse geest die de Belgen ertoe aangezet had om in 1830 te revolteren, bleef. Men kan bevestigen dat onze grootvaders een schuw nationalisme en een dorpsmentaliteit cultiveerden, vijandig als ze stonden tegenover elke vernieuwing en gehecht aan de plaatselijke tradities. Vermits ze geen vreemde, Franse of Hollandse regering meer te jonassen hadden, beduvelden ze hun mannen van de dag, de vedetten en zichzelf. Liederen en karikaturen waren er in overvloed, vooral omdat de toenmalige politieke gevechten snerpend waren. Zo vormden zich concilies van farceurs, van berouwloze studenten, artiesten en journalisten. Ze trainden mekaar in een zeker non-conformisme, een zekere anarchistische opstelling: la bohème bourgeoise quoi!”

René Fayt, ere-bibliothecaris van La Réserve précieuse van de ULB (Université Libre de Bruxelles) stuitte in zijn onderzoek over de negentiende eeuw ook op die zwans:

“Van oudsher heeft de Brusselaar zich laten kennen als een dwarskop. De overheid, of het nu de plaatselijke of een bezetter was, tarten; de draak steken met de politiek of de vedetten van het moment, reglementen verdraaien; spotten met anderen of met zichzelf, dat zijn al altijd geliefkoosde tijdsbestedingen van de inwoners van de hoofdstad geweest.

Het gezellige volk heeft een natuurlijke neiging om het zus-en-zo, de woordspelingen, de grappen van goede of slechte smaak op te fokken. Wat ook de omstandigheden zijn – met toch wel een voorkeur voor plechtstatige en ernstige momenten – een vrijpostige of grijnzende opmerking rolt uit de mond van een of andere toeschouwer van een gebeurtenis. En die grappen, vaak op een koppige toon uitgesproken, hebben altijd dat accent dat onze buren als ‘Belgisch’ omschrijven en ze zijn in een onvatbaar idioom, het perfecte amalgaam van ons meertalige land.”

'Eerbetoon aan de afgekapte hoofden' - parodie op de onthoofding van de graven van Egmont en Horn in de 16e eeuw door Louis Ghémar
‘Eerbetoon aan de afgekapte hoofden’ – parodie op de onthoofding van de graven van Egmont en Horn in de 16e eeuw door Louis Ghémar

Zwans is sollen en rollebollen met de gevestigde orde. In 1917 pent Maurice des Ombiaux, journalist en kabinetschef van de Belgische oorlogsminister Charles de Broqueville in het tijdschrift Nouvelles de France:

Een bevolking die gedurende eeuwen het slachtoffer van de ergste dwingelandijen was, heeft zich via de lach aangepast en dat noemt men in Brussel zwans… De zwans schroeft zijn pretentie niet op om die humor als een vorm van beschaving te aanzien. Hij stelt zich tevreden om enkel maar een Belgische uitdrukking van de lach te zijn. Maar hij is al onmiddellijk de ‘Kultur’ beginnen haten. En mocht de ‘Kultur’ openstaan voor een kritische zin, dan zou ze opgemerkt hebben dat de zwans in het geweten van een volk een nog meer onoverbrugbare kloof dan de IJzer had gegraven. De lach van de Belgen heeft zijn tragische en heroïsche geschiedenis… De sombere Filips II verweet in de zestiende eeuw aan de graaf van Egmont, die hem de grieven van de Belgen ging overmaken, het Brusselse ‘zwanzen’ tegenover het Spaanse bewind en zijn vertegenwoordiger, de kardinaal Granvelle. De bedelzak die de geuzen als symbool van nationale verbinding hadden gekozen, maakte hem en zijn ‘ricos hombres’ furieus.
De Belgische lach bedekte het volk als een gepolijst dekschild, waarop de woede en de meedogenloosheid van de tiran geen enkele pak hadden. Geen enkele repressie, hoe bloederig ook, kreeg de overhand op de farcen die tegen de verdrukker bedacht werden in de Brusselse kroegen, tussen een glas faro en een kruik lambiek…
De zwans reageert heftig tegen de ‘Kultur’. Hij stak zijn stekels uit en bedekte zich met vlijmscherpe angels. Nooit zag men een zo joviale vertoning omkeren tot zo’n verschrikkelijk wapen. Zo berusten de Belgen. Hun hoop houden ze intact hetgeen de vreemde bezetter verbaast…
De zwans, die oude olijkheid geïllustreerd door Bruegel, Jordaens, Teniers, Steen, Adriaen Brouwer en zoveel andere schilders. Volgens Émile Verhaeren waren die schilders dwars door de dichte mist van veldslagen, het klankbord van de brede lach eigen aan François Rabelais. Ja, die lach die mept naar de ‘Kultur’, is de oude Gallische blijmoedigheid die bewaard is bij een altijd jong volk, dat hartstochtelijk liefheeft maar nog vuriger kan haten.”

Le Diable au Corps, 9-9-1894
Karikaturen n.a.v. de verkiezingen 1894 in de spotkrant Le Diable-au-Corps… met de politieke partij… Le Dable-au-Corps
Zwans is ondermijnend, anarchistisch. Het hoeft niet te verbazen dat die eerste zwansuitingen in die clubjes rond de Belgische onafhankelijkheid opborrelen en dat Les Fêtes de Septembre, de viering van de bevrijding van 1830, uitbundig gefêteerd worden. De Société des Joyeux en de olijke bende van Les Agathopèdes ontstaan rond het rumoerige jaar 1848 dat heel Europa doet daveren en waar dat jonge staatje zich handig tussen laveert. Het Musée Fantaisiste van Louis Ghémar floreert rond de Frans-Duitse oorlog (1870) en de Parijse Commune (1871). De eerst Great Zwans Exhibition (1885) opent het jaar na de eclatante verkiezingsnederlaag van de liberale partij en de overname van de regeringsmacht door de katholieken. Na hevige rellen in de Borinage, schermutselingen in Brussel, de oprichting van de Belgische Werkliedenpartij (later de ‘Socialistische Partij’ genoemd) roert de tweede Great Zwans Exhibition (1887) zich. De derde – en nagenoeg laatste – Zwans Exhibition sluit amper een paar weken voor de Eerste Wereldoorlog.

In september 1894 richtten de Brusselse zwanzers zelfs hun eigenste politieke partij op: Le Diable-au-Corps (de duivel onder zijn vel). Aanvankelijk was het een satirische krant, nadien ook een gezellig, artistiek café-cabaret in het hartje van de hoofdstad. Daar – op de binnenkoer vol wingerd en scharrelende kippen – werd het partijprogramma voorgesteld, met onder meer volgende programmapunten:

De afschaffing van de belastingen;
De afschaffing van de openbare schuld;
De afschaffing van alle nutteloze uitgaven;
De verdediging van de artistieke, materiële, commerciële en industriële belangen
Stem voor de lijst van de DIABLE-AU-CORPS
De lijst Nr. 5.

Geen beloften! Geen beloften! Geen beloften!… Maar daden!

Zwans, humor jawel, maar niet vrijblijvend en wel met weerhaakjes.
Zwans, een tedere guerrilla…

~ Eliane Van den Ende
Eliane Van den Ende is historica en cultuurjournaliste. Ze verdiept zich in het (Belgische) fenomeen ‘zwans’, publiceert en geeft er lezingen over. Dit is de exclusieve voorpublicatie van een boek. Volgende week? Het vervolg met een van de grote zwansfiguren, Louis Ghémar.

Lees ook: Louis Ghémar, fotograaf van de (Belgische) koning


Archiefstukken:

Meer tips ➱

Verder speuren:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister