Antieke auteurs over de Feniciërs

‘Knabbelaars aan andermans goederen’ en ‘niet vies van leugentjes’
/
10 minuten leestijd
Afbeelding van een Fenicisch schip op een sarcofaag uit de tweede eeuw voor Christus
Afbeelding van een Fenicisch schip op een sarcofaag uit de tweede eeuw voor Christus (CC BY-SA 3.0 - NMB - wiki)
Tussen 1500 en 400 v.Chr. waren de Feniciërs – afkomstig uit Fenicië, het huidige Libanon – de belangrijkste en succesvolste zeevaarders en handelaren rond de Middellandse Zee. Zij stichtten overal koloniën, waarmee ze de handel over zee, na het verval van het Minoïsche Kreta, in stand hielden totdat de Romeinen de suprematie in het Middellandse Zeegebied overnamen. Vadim S. Jigoulov beschrijft hun geschiedenis in het deze week verschenen boek De Feniciërs. De grootste zeemogendheid uit de Oudheid (Omniboek). Hij gaat brongericht te werk; hij beschrijft en analyseert verschillende artefacten. Ook vertelt hij hoe historici zijn omgegaan met het feit dat over de Feniciërs weinig geschreven bronnen bewaard zijn gebleven. Op Historiek een fragment over de weinige bronnen die wél iets melden over de Feniciërs. En dat was niet altijd positief…


De feniciërs volgens Homerus

Homerus’ Ilias is een van de eerste schriftelijke beschrijvingen van Griekse contacten met de Feniciërs, maritieme ontdekkingsreizigers en bedreven ambachtslieden. Homerus heeft het over elegante gewaden uit Sidon en een prachtige zilveren mengschaal, ‘een kunstwerk’ dat door Feniciërs uit Sidon is meegenomen.

Buste van Homerus in het British Museum, Romeinse voorstelling
Buste van Homerus in het British Museum, Romeinse voorstelling (Publiek Domein – wiki)
Zijn beschrijvingen zijn vrij neutraal en worden gekenmerkt door het onderscheid tussen de Sidoniërs en de Feniciërs, hoewel de twee woorden synoniem lijken. Maar de Odyssee, een ander aan Homerus toegeschreven dichtwerk, geeft al een verandering in perspectief te zien. Hoewel zowel de Ilias als de Odyssee uit de achtste eeuw v.Chr. stamt, geeft laatstgenoemd werk een verandering in houding tegenover de Feniciërs te zien, wat wellicht wijst op veranderende sentimenten nu de economische en politieke situatie in het Middellandse Zeegebied onstabieler werd, blijkens stevige wedijver in de handel tussen oost en west. Sommige passages zijn onmiskenbaar positief (Odyssee, XIII: 271-296 heeft het over ‘voorname Fenicische mannen’), maar vervolgens stuiten we op passages waarin Feniciërs gekenschetst worden als ‘heel bedreven in bedrog’, ‘knabbelaars aan andermans goederen’ en niet vies van ‘leugentjes’.

Sommige commentatoren vinden de karakterisering van de Feniciërs in de Odyssee niet representatief – eerder is het zo dat sommige slechteriken toevallig Feniciërs zijn. Maar ook al handelt een stereotiep karakter soms edelmoedig, het ontkracht daarmee nog niet het stereotype. In de bovengenoemde passages wordt de typische Feniciër geschilderd als uitgekookt, altijd gespitst op een voordeeltje, een bedrieger en geslepen handelaar, en een venter van ‘leuke dingetjes’. De passages zijn keihard in hun kritiek op beroemde zeelieden en handelaren, en geven blijk van ‘partijdigheid, vooropgezet wantrouwen en vijandigheid’. In de typering van Feniciërs in Griekse teksten zou zo’n houding de komende eeuwen vrij algemeen worden. Het was een beknopte karikaturale schildering voor de Grieken, met wie de Feniciërs wedijverden in de handel en later in de politiek.

De feniciërs volgens Herodotus

De grote faam van de Feniciërs als bedreven zeelieden die we in de Ilias en Odyssee zagen, is ook te zien in HerodotusHistoriën. Herodotus van Halicarnassus (ca. 484-ca. 425 v.Chr.) was een Griekse historicus die niet alleen een schat aan informatie gaf over de geschiedenis van Fenicië in de Perzische periode tijdens welke hij schreef, maar hij vulde ook de hiaten in over veel vroegere tijden. De bedrevenheid van de Feniciërs in handel en zeevaart vormt de kern van Herodotus’ verslagen; ergens meldt hij dat de Feniciërs zelfs rond Afrika voeren. Zij waren het ook die de Perzische vloot, die Herodotus gewoon de ‘Fenicische’ noemt, schepen en bemanning leverden.

Herodotus
Herodotus
Een paar passages roepen de vraag op of Herodotus wel zo tolerant en grootmoedig was tegenover niet-Grieken, in het bijzonder de Feniciërs, waar hij vaak om geprezen wordt. Herodotus plaatst de Feniciërs in het begin van zijn werk. Daar haalt hij een oude mythe van Perzische of Fenicische oorsprong aan, die de schuld voor het conflict tussen de Grieken en de Perzen – de kern van zijn historische onderzoek – regelrecht bij de Feniciërs legt. Of Herodotus bevredigde zijn lezers door ze een hapklaar verhaaltje toe te werpen dat hout sneed of Herodotus, als de rationele persoon die hij was, erkende alleen wat in die tijd bekend was, zonder daarbij partij te kiezen. Maar we kunnen niet buiten beschouwing laten dat Herodotus een Griek was, en hij koos wel degelijk partij en gebruikte vaak de term ‘barbaren’ om niet-Griekse volkeren aan te duiden (hoewel hij vaak zijn eigen volk en hun instituties als ‘barbaars’ kastijdde). In het grote conflict tussen de Grieken en de Perzen waren laatstgenoemden ‘barbaren’, en dat gold ook voor wie met hen samenwerkte. De Feniciërs deden dat natuurlijk en hielpen de Perzen tijdens de Cypriotische en Ionische opstanden. Als collaborateurs met de Perzen kregen de Feniciërs alle gebruikelijke beschuldigingen over zich heen.

Herodotus’ perspectief is nog steeds dat van een Griekse schrijver, en hij is geneigd zijn vooringenomenheid jegens de Feniciërs te tonen, zoals hij dat ook jegens de Perzen deed. Niettemin stelt Herodotus de Feniciërs vaak in een positief daglicht. In één geval, als Cambyses, koning van Perzië, de Feniciërs beveelt naar Carthago te varen, weigeren ze dat, met een beroep op de ‘nauwe band’ tussen Fenicië en Carthago, en dat het een ‘zonde’ zou zijn om tegen zijn eigen ‘kinderen’ oorlog te voeren. In tegenstelling tot zijn lange etnografische uitweidingen over andere volkeren (de Egyptenaren, Perzen en Scythen) geeft Herodotus de Feniciërs niet deze behandeling. In Historiën staan ze heel dicht bij de Grieken en dienen ze zelfs als stamvaders voor sommige. De Feniciërs die met Cadmus, de stichter van Thebe, meekwamen, brachten ook het alfabet mee. We kunnen dezelfde verwantschap zien in Euripides’ Fenicische vrouwen, waarin Tyrus en Thebe voor altijd verbonden zijn door de figuur Cadmus. Gegeven de nauwe band tussen de Grieken en Feniciërs dienen de Feniciërs voor Herodotus vaak als een stijlfiguur om de Griekse identiteit te onderzoeken en te benadrukken – beide groepen hadden dezelfde belangen in handel en zeevaart, en de Grieken konden hun eigen geschiedenis opkrikken door de imposantere Fenicische erfenis erbij te halen.

Helleense triomfboog in Tyrus
Helleense triomfboog in Tyrus (CC BY-SA 2.5 – wiki)

Herodotus’ gebruik van de termen ‘Fenicië’ en ‘Feniciërs’ verdient een korte toelichting. Voor hem vormden verscheidene stadstaten het land Fenicië. Een daarvan was Tyrus en een andere Sidon; laatstgenoemde krijgt aanzienlijk meer tekst. Sidon wordt geprezen om de kwaliteit van zijn schepen en de bekwaamheid van zijn marineofficieren in dienst van Perzische koningen. Zijn schepen waren de snelste, en de koning van Sidon krijgt op een gegeven moment de hoogste eerbewijzen van Xerxes, koning van Perzië, voor de militaire bekwaamheid van zijn manschappen. Ondanks deze verschillen vormden de Feniciërs in de weergave van Herodotus een enkele culturele entiteit aan de Levantijnse kust; hoewel ze in bestuurlijk opzicht in verscheidene stadstaten waren verdeeld, bleven zij verenigd door hun ‘handelsgeest’.

De feniciërs volgens Thucydides

Thucydides, een andere Griekse historicus uit de vijfde eeuw v.Chr. (ca. 460-400 v.Chr.) en schrijver van De geschiedenis van de Peloponnesische Oorlog, illustreert het punt dat Griekse auteurs oog hadden voor de Feniciërs zolang zij actief deelnamen aan de oorlogen tegen de Grieken. In de tijd van de Peloponnesische Oorlogen, toen het conflict met Perzië grotendeels luwde en de Fenicische deelname aan militaire acties te verwaarlozen was, kelderde de belangstelling voor de Feniciërs. Thucydides spreekt in clichés over de Feniciërs: hij vermeldt hun piraterij, de kolonisatie van eilanden en hun betrokkenheid bij de oorlogen van Darius als experts in maritieme zaken.

De feniciërs volgens Diodorus Siculus

Een van de andere historici die over de Feniciërs en Carthagers schreven is Diodorus Siculus, een Siciliaan die in de eerste eeuw v.Chr. leefde. Hoewel qua schrijftechniek niet representatief voor het klassieke Griekenland kijkt Diodorus in zijn Biblotheek van de geschiedenis terug op de gebeurtenissen van de vierde eeuw v.Chr., met informatie die elders niet te krijgen is – sommige van zijn bronnen gaan minstens tot die tijd terug. Er zijn talrijke twijfels over de algemene betrouwbaarheid en historiciteit van zijn verslagen. Zijn venijn tegen de Feniciërs spreekt uit de beschrijving van hen als een…

‘…opstandig en onbetrouwbaar volk, dat alleen aan eigen welstand denkt’.

Ze zijn het schoolvoorbeeld van wrede barbaren en ze zijn vindingrijk als het gaat om martelen en extreem ongemak veroorzaken. Toen Alexander de Grote Tyrus belegerde, pakten volgens Diodorus de Tyriërs de aanvallers aan door zand in bronzen en ijzeren schilden te verhitten en die naar de massa’s Macedoniërs te slingeren. Het zand kwam onder hun borstschilden, schroeide de huid en bezorgde Alexanders soldaten verschrikkelijke pijn. Soms zijn de Tyriërs ongelooflijk bijgelovig; tijdens datzelfde beleg waren ze bang dat de god Apollo hen in de steek zou laten door zijn broodnodige bescherming in te trekken en ketenden ze daarom zijn standbeeld aan de sokkel vast. De list werkte natuurlijk niet, ‘een toonbeeld van de overwinning van Griekse rationaliteit en macht’.

La dame de Carthage Musée de Carthage
La dame de Carthage Musée de Carthage

De Siciliaanse historicus spaart ook de Carthagers niet. Historici hebben erop gewezen dat er voor Diodorus weinig verschil was tussen de Feniciërs en de Carthagers, omdat de Grieken geen apart woord voor westelijke Feniciërs hadden. Voor Diodorus zijn de Carthagers barbaren, die tot buitengewone en onnodige wreedheid geneigd zijn. Als hij vertelt over de inname in 409 v.Chr. van Selinunte op Sicilië, benadrukt hij dat ze zich niet tevredenstelden met een plundering van de stad, maar hun toevlucht zochten in onvoorstelbare wreedheid. De Carthagers verspreidden zich over de stad, staken huizen met bewoners en al in brand, regen vrouwen, kinderen en ouderen aan het zwaard en namen hun afgehakte ledematen in bosjes met zich mee, ‘overeenkomstig de gewoonte van hun volk’. Om de Carthagers nog meer in een kwaad daglicht te stellen vertelt Diodorus dat ze zelfs kinderen aan Baäl Hammon offerden toen ze in 310 v.Chr. door Agathocles werden belegerd.

De ‘Periplus’ van Pseudo-Scylax

Naast de klassieke geschiedenissen zijn er reisverslagen, met als voorbeeld in het geval van Fenicië de Periplus van Pseudo-Scylax, een zesde- of vierde-eeuws werk dat waarschijnlijk in de tweede helft van de vierde eeuw v.Chr. zijn uiteindelijke vorm kreeg. Als een zeemanshandboek beschrijft de Periplus (wat letterlijk ‘zeilen rondom’ betekent) van west naar oost de antieke steden, te beginnen met Iberië en West-Afrika. Pseudo-Scylax vermeldt in zijn verslag de Fenicische stadstaten, en hij is een van de eersten die de Feniciërs als een ethnos, een volk, aanduidt, zij het dat het verdeeld is over de individuele stadstaten Arwad, Sidon en Tyrus.

Andere antieke Griekse bronnen

Griekse fictieschrijvers gebruikten ook versleten clichés als ze meestal aan de Feniciërs refereerden vanwege hun betrokkenheid bij de handel en hun voortreffelijke ambachtelijkheid (bijvoorbeeld in Fenicische vrouwen van Euripides, ca. 408 v.Chr.). Maar wat doorschemerde, was toch wel wantrouwen, dat de Feniciërs in een ongunstig daglicht stelde. In een aan Aristofanes toegeschreven citaat lezen we: ‘Ik word een Feniciër: met een hand geef ik en met de ander neem ik.’ Het is niet helemaal duidelijk of het personage dat zo spreekt een Griek of een Feniciër is, maar het maakt niet echt veel uit – het stereotype blijft overeind. De Republiek (ca. 375 v.Chr.) van Plato geeft ook een negatief beeld van de Feniciërs. Wanneer Socrates begint over de ‘edele leugen’, verwijst hij ernaar als ‘Phoinikikon ti’, letterlijk ‘het Fenicische ding’ (‘Fenicische verhalen’ in de vertaling hieronder):

Wel, we hebben het enige tijd geleden over nuttige leugens gehad. Zouden we er nu een kunnen bedenken, een edele leugen, die wellicht door de heersers zelf wordt geloofd, of op zijn minst door de rest van de stad? Aan wat voor leugen denk je dan? Niets nieuws. Net als een van die Fenicische verhalen over dingen die vroeger in veel delen van de wereld hebben plaatsgevonden – althans de dichters beweren het en ze hebben mensen zover gekregen het te geloven. Maar het betreft iets wat in onze tijd misschien niet gauw staat te gebeuren, en het zou zeker moeilijk zijn mensen zover te krijgen het te geloven.

Sommigen hebben geprobeerd het concept van de ‘edele leugen’ te bagatelliseren, maar de ongegronde verwijzing naar de Feniciërs in deze context kan alleen maar negatief lijken – ze worden afgeschilderd als geneigd om losjes onwaarheden te verkondigen.

Geromantiseerde weergave van de  Slag bij Himera
Geromantiseerde weergave van de Slag bij Himera – Giuseppe Sciuti (publiek domein – wiki)

Een recente stroming in de wetenschap wil het ontstaan van een negatief sentiment jegens de Feniciërs in Griekse bronnen herleiden tot de Slag bij Himera, waarin de Griekse troepen onder leiding van Gelon, koning van Syracuse, en Theron, tiran van Agrigentum, de Carthaagse troepen van Hamilcar de Magonide verpletterend versloegen. Griekse bronnen dateren de slag op 480 v.Chr., dezelfde dag dat de Atheners de Perzen overwonnen in de Slag bij Salamis. De datum van de Slag bij Himera, die samenviel met de grote overwinning op een andere ‘ander’ – wat niet waar is – versterkte toch een gevoel van triomf, vooral onder de Syracusers, van de Grieken op een ‘barbaars’ volk. De triomf werd op grote schaal gevierd, vooral in de poëzie van de Griekse dichter Pindarus. Omdat er geen taalkundig onderscheid was tussen Feniciërs en Carthagers, ging men hen zien als een amorfe groep, bedreigend en vreemd, losstaand van de Grieken en hun gewoonten. Josephine Quinn wijst erop dat de eerste identificatie van de Feniciërs als ‘barbaren’ te vinden is in Thucydides’ Geschiedenis, geschreven in deze tijd van de Feniciërs wegzetten als ‘de ander’, of die nou uit Carthago kwamen of uit het Fenicische moederland. Later gebeurde dit ook in Pseudo-Scylax en Diodorus Siculus.

De Feniciërs
De Feniciërs – Vadim S. Jigoulov
De Grieken zeiden toch ook wel positieve dingen over de Feniciërs en Carthagers, afgezien van hun maritieme vaardigheden, en hun bijdragen werden soms geprezen en gevierd. Strabo, een Griekse geograaf die in de eerste eeuw v.Chr. leefde, had de mond vol over de prestaties van de Feniciërs in ‘veel schone kunsten’, waaronder astronomie, filosofie, rekenkunde en geometrie.

Isocrates, die in de vierde eeuw v.Chr. schreef, prees de Carthagers om hun zeer geslaagde bestuursvorm, een combinatie van democratie, aristocratie en elementen van de monarchie. Aristoteles schreef in de vierde eeuw v.Chr. ook positief over de Carthagers: hij roemde…

‘…de stabiliteit van hun staat, de trouw van de bevolking aan het systeem, en dat burgertwist noch tirannie het bestuur van het rijk heeft verstoord’.

Polybius, een Griekse historicus uit de tweede eeuw v.Chr., zei in zijn Historiën dat Carthago door een combinatie van monarchistische, aristocratische en democratische elementen gunstig afstak tegen de Romeinse Republiek. Ongetwijfeld was Rome voor Polybius de gouden standaard, maar zijn keuze voor Carthago om daar Romes politieke en bestuurlijke systeem tegen af te zetten bevestigt zijn bewondering voor Carthago.

~ Vadim S. Jigoulov

Boek: De Feniciërs – Vadim S. Jigoulov

Bekijk dit boek bij:

Bekijk dit boek bij Historiek Geschiedenisboeken

Abonneer
Stuur mij een e-mail bij
guest
0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties
Eerder gepubliceerd

Alma Bimmermann, pionier in Nederlands-Indië

Hierna verschenen

Avonturiers in Amerika in de achttiende eeuw