Dark
Light

De CPN en de dekolonisatie van Indonesië

Deel 3
Auteur:
11 minuten leestijd
Drees houdt een toespraak tijdens een sobere soevereiniteitsoverdracht in het Koninklijk Paleis op de Dam op 27 december 1949, met naast hem koningin Juliana en premier Mohammed Hatta van de Republiek Indonesië
Drees houdt een toespraak tijdens een sobere soevereiniteitsoverdracht in het Koninklijk Paleis op de Dam op 27 december 1949, met naast hem koningin Juliana en premier Mohammed Hatta van de Republiek Indonesië. (CC0 - Joop van Bilsen, Anefo)
In deze reeks van drie artikelen gaat historicus Jan de Vetten in op de houding van de Communistische Partij van Nederland (CPN) tegenover het Nederlandse regeringsbeleid inzake de dekolonisatie van Indonesië tussen 1945 en 1950.

In het eerste deel van de serie ging het over de gebeurtenissen in de jaren 1945 en 1946: het uitroepen van de Indonesische onafhankelijkheid op 17 augustus 1945 en de eerste reactie in Nederland daarop, alsmede die van de CPN. In het tweede deel van de serie kwamen de gebeurtenissen 1947 en 1948 aan de orde, onder meer de eerste politionele actie (1947) en de Renville-akkoorden (1947-48). In de loop van 1947 en 1948 nam de CPN steeds meer afstand van haar coöperatieve houding van na de oorlog. De partij ging steeds scherper oppositie voeren tegen het Indonesië-beleid van de regering. Dat uitte zich in een stem tegen de voorstellen tot herziening van de Grondwet.

In dit derde en laatste deel van de serie wordt ingegaan op de gebeurtenissen in de tweede helft van 1948 en in 1949, van de communistische opstand in Madioen in september 1948 tot de soevereiniteitsoverdracht in december 1949.

Madioen (september 1948)

In Indonesië trad de PKI, de Indonesische communistische partij, onder leiding van haar leider Manoevar Moesso, die net terug was uit Moskou, steeds agressiever op tegen wat zij zag als de Amerikaanse invloed in Indonesië. Dit paste in de verscherping van de Koude Oorlog, de strijd tussen een communistisch blok onder leiding van de Sovjet-Unie en een democratisch-kapitalistisch blok onder leiding van de Verenigde Staten.

Een en ander leidde half september 1948 tot conflicten en ook tot gewapende schermutselingen tussen de PKI en de regering van de Republiek (door de PKI de ‘Soekarno-Hatta-kliek’ genoemd). Pro-Moesso eenheden bezetten de stad Madioen op Oost-Java. Soekarno, president van de Indonesische Republiek, verklaarde op de radio dat een communistische coup dreigde en vroeg de bevolking te kiezen voor de PKI of voor hem en (vice-president) Hatta. Moesso ging in op die provocatie en vroeg de Indonesische bevolking in opstand te komen. Die opstand mislukte, waarna het leger hard optrad tegen de communisten. De leiders sneuvelden (onder wie Moesso) of werden geëxecuteerd; duizenden communisten vonden de dood.

In Nederland zag de CPN ‘Madioen’ aanvankelijk als een echte communistische opstand; dat werd zo ook beschreven in partijkrant De Waarheid. CPN-leider Paul de Groot was rond die tijd in de Sovjet-Unie en probeerde daar te weten te komen wat er speelde in Indonesië, en hoe dat moest worden gezien. Zolang hij niets hoorde hield hij zich stil voor vragen uit Nederland – waar men in gespannen afwachting was van zijn instructies over in te nemen politieke standpunten.

Weer terug uit de Sovjet-Unie sprak De Groot eind oktober de Tweede Kamer toe over Madioen. Hij noemde de toestand in Indonesië zorgwekkend. Er was volgens hem helemaal geen sprake van een communistische opstand in Madioen; in werkelijkheid was het een ‘staatsgreep’ van een groep mensen rond Soekarno en Hatta met de bedoeling de communisten uit te schakelen:

‘Met arrestaties, bloedige terreur en sluipmoord begon men de aanval op het werkende volk van Indonesië. Men poogde de staatsgreep op de bekende manier van alle fascisten te camoufleren door het voorwenden van een communistische opstand in Madioen. Deze opstand is van a tot z verzonnen’.

De Amerikanen zouden bij het plannen van de ‘staatsgreep’ betrokken zijn geweest; in ruil daarvoor zouden zij de Republiek steunen bij de onderhandelingen met Nederland, aldus Paul de Groot.

Tweede Politionele Actie (december 1948)

Op 19 december 1948 begon de tweede ‘politionele actie’, de tweede koloniale oorlog dus. In korte tijd veroverden Nederlandse troepen het hele grondgebied van de Republiek. Volgens de Nederlandse regering was een grootschalige militaire actie nodig in verband met de voortdurende Indonesische bestandsschendingen; er woedde daar in feite een guerrilla-oorlog.

Wederom grepen de Verenigde Naties in. De Veiligheidsraad van de VN (teruggekeerd van kerstverlof) veroordeelde de oorlog; in een resolutie werd aan Indonesië en Nederland gevraagd om de vijandelijkheden te staken en de politieke gevangenen vrij te laten. Officieel kondigde Nederland een staakt-het-vuren af (die ging in op 31 december), maar ondertussen ging de guerrillastrijd gewoon door.

Tweede politionele actie. Parachutisten van het Korps Speciale Troepen, 19 december 1948.
Tweede politionele actie. Parachutisten van het Korps Speciale Troepen, 19 december 1948. (CC0 – Nationaal Archief – Hendrikse, D. / DLC – wiki)

De CPN was de enige partij die zich in de Tweede Kamer verzette tegen de militaire actie. De Groot noemde op 20 december het Nederlandse optreden een ‘wanhoopsdaad’ van een ‘speler die zelf beseft dat hij het spel in feite verloren heeft’. Verder zei hij:

Wij beloven diegenen, die in ons hun vertrouwen hebben gesteld, en al diegenen, die thans gebukt gaan onder een leed, dat, naar wij dachten, reeds achter ons volk lag, dat wij onvermoeid verder zullen strijden tot alle Nederlandse gezinnen hun zonen en vaders weer terug hebben en tot de vrijheid in Nederland en in Indonesië zal hebben gezegevierd. Wij beloven hun, wij zweren hun, dat zij er van overtuigd kunnen zijn, dat de slachtoffers van deze fascistische oorlog in de koloniën gewroken zullen worden, zoals de slachtoffers van andere fascistische oorlogen werden gewroken, en dat zij, die de verantwoordelijkheid voor deze daad dragen, hun straf niet zullen ontlopen.

De CPN-fractie diende een motie in om de Nederlandse strijdkrachten op te dragen ‘onverwijld het vuren te staken’. Deze motie werd verworpen met 80 tegen 8 stemmen.

Van Roijen-Roem-overeenkomst (mei 1949)

Na de uitbarsting van grootschalig oorlogsgeweld eind 1948 kwamen in de loop van 1949 de onderhandelingen weer op gang, dit onder auspiciën van de Verenigde Naties. De onderhandelaars waren Jan Herman van Roijen (voor Nederland) en Mohammed Roem (voor de Republiek Indonesië).

Mohammed Roem, 12 augustus 1967
Mohammed Roem, 12 augustus 1967 (Eric Koch / Anefo – wiki)
De besprekingen leidden tot de Van Roijen-Roem-overeenkomst. Het ging hier in feite om enkele akkoorden die op 7 mei 1949 werden gesloten en ter goedkeuring aan de parlementen werden voorgelegd. Er zou later dat jaar een Ronde Tafel Conferentie plaatsvinden in Den Haag die tot een onvoorwaardelijke overdracht van de soevereiniteit aan de Verenigde Staten van Indonesië zou moeten leiden.

Bij de behandeling van de Van Roijen-Roem-overeenkomst in de Tweede Kamer medio mei 1949 zei Paul de Groot:

‘[D]eze erkenning van het mislukken van de militaire actie betekent terzelfder tijd ook het mislukken van de gehele Indonesische politiek der Regering en ook het mislukken der Regering zelf’.

Zijn pijlen richtten zich verder op de Verenigde Staten en de PvdA, de bekende zondebokken in de Koude Oorlog-retoriek van de CPN. De Groot: ‘De mislukking van de militaire actie in Indonesië is een onderdeel en een nevenverschijnsel van deze zware militaire nederlaag van de Amerikaanse politiek in Azië, omdat de politiek van de Nederlandse Regering daarvan een onderdeel is’. En richting de PvdA:

‘Want als er een mislukking is van de Regeringspolitiek, dan is dit allereerst een mislukking van haar politiek’.

In een motie vroeg de CPN-fractie om de volgende drie stappen: (1) een duidelijke erkenning van de Republiek Indonesië als zelfstandige staat; (2) terugtrekking van de Nederlandse troepen en snelle demobilisatie; en (3) een onvoorwaardelijke vrijlating van alle politieke gevangenen.

Tijdens het Kamerdebat werden door de CPN-fractie ook de gruweldaden van Nederlandse soldaten aan de kaak gesteld, waarbij onder meer werd geciteerd uit soldatenbrieven. In een tweede motie werd de regering gevraagd een onafhankelijke commissie in te stellen om…

‘…een onderzoek in te stellen naar de mishandelingen en wreedheden, in Indonesië gepleegd, opdat de schuldigen daaraan zonder aanzien des persoons kunnen worden gestraft’.

Beide moties werden verworpen, met alleen de stemmen van de CPN voor.

Ronde Tafel Conferentie (augustus-november 1949)

De onderhandelingen in het kader van de Ronde Tafel Conferentie (RTC) in Den Haag duurden van 23 augustus tot 2 november 1949. Deelnemers waren delegaties van Nederland, van de Republiek en van de Indonesische deelstaten, alsmede de leden van de VN-commissie voor Indonesië.

De RTC-overeenkomst voorzag in de vorming van een Nederlands-Indonesische Unie, met aan het hoofd de Nederlandse koning, waarvan Nederland en de Verenigde Staten van Indonesië (VSI) deel uit zouden maken. Nederland zou de soevereiniteit over Indonesië overdragen aan de VSI. Tot zover was dit vergelijkbaar met de akkoorden van Linggadjati en Renville. Enkele andere punten waren wel nieuw: er zou een Nederlandse militaire missie in Indonesië blijven, buitenlandse ondernemingen in Indonesië zouden worden beschermd, Indonesië zou een schuldenlast van 4 miljard gulden op zich nemen, en Nieuw Guinea zou vooralsnog van de soevereiniteitsoverdracht worden uitgesloten, dit in afwachting van een nadere regeling. De overeenkomst moest in de Tweede Kamer met een twee-derde meerderheid worden aangenomen, dit in verband met een Grondwetswijziging. Ook in Indonesië moest het parlement de overeenkomst goedkeuren.

De Waarheid (van 3 november) was negatief over de Ronde Tafel Conferentie:

Het was […] een conferentie, die niets heeft opgelost, maar integendeel de bron is voor nieuwe moeilijkheden en nieuwe strijd in Indonesië. En toen de heren Hatta [namens de Republiek] en sultan Hamid [namens de deelstaten] hun handtekeningen onder de overeenkomst zetten, hadden zij daarmede Indonesië uitgeleverd aan de buitenlandse imperialisten en een nieuwe knechting van dit land en zijn volk aanvaard, een knechting op een meer gecamoufleerde en geraffineerde wijze.

In een redactioneel commentaar stelde de krant dat de zelfstandigheid van Indonesië beperkt zou zijn; men zag…

‘…het opdringen van de Amerikaanse invloed in Indonesië en het negeren van de werkelijke verlangens van het Indonesische volk.’

Tot slot: hoe lang zouden de Nederlandse soldaten nog in Indonesië blijven? De krant eiste ’een onmiddellijke en onvoorwaardelijke terugtrekking van de troepen’.

Debat soevereiniteitsoverdracht (december 1949)

De CPN was tegen de resultaten van de Ronde Tafel Conferentie, met name omdat Indonesië in haar ogen zo in de Amerikaanse invloedssfeer zou terechtkomen. Dat bracht de partij ertoe om begin december 1949, met de rechtse oppositie, tegen de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië te stemmen.

Van 6 tot en met 9 december 1949 vond in de Tweede Kamer het debat plaats over de overdracht van de soevereiniteit aan Indonesië. Het wetsontwerp ter zake werd met twee-derde meerderheid aanvaard: 71 stemmen voor en 29 tegen. De Kamervoorzitter memoreerde dat voor het eerst in de parlementaire geschiedenis alle – toen nog 100 – Kamerleden zich hadden uitgesproken over een wetsontwerp.

Paul de Groot in 1967 (CC0 - Anefp - Ben MErk - wiki)
Paul de Groot in 1967 (CC0 – Anefo – Ben Merk – wiki)
Opmerkelijk was dat de tegenstemmers zich bevonden aan de uiterste linkerzijde van de Kamer, te weten de CPN, en aan de uiterste rechterzijde, de gereformeerde partijen ARP en SGP, de katholieke KNP, en enkele leden van de hervormde CHU. Een waar monsterverbond dus, maar wel vanuit verschillende vertrekpunten. De rechtse oppositie keerde zich tegen elke overdracht van de soevereiniteit; voor hen stond het behoud van de rijkseenheid voorop. Voor de CPN gold juist dat zij teveel beperkingen zag bij de overdracht van de soevereiniteit aan Indonesië.

Volgens Paul de Groot was de overdracht van de soevereiniteit in feite imperialisme in een nieuw jasje:

‘[W]at men met de [zogenoemde] politionele acties niet kon bereiken, wilde men met andere middelen pogen: [namelijk] met de voorspiegeling van een soevereine Indonesische staat – in werkelijkheid een fantoom-staat! Zo hopen de imperialisten de krachten van de Indonesische nationale beweging te verdelen’.

De Groot:

De Indonesische, evenals de Nederlandse Communistische Partij verwerpt het bedrieglijke maakwerk van de Ronde Tafel-Conferentie principieel en volledig. Zij aanvaarden de fantoom-staat der R.I.S. [de Verenigde Staten van Indonesië] niet en zetten hun strijd voort tegen deze nieuwste camouflage van het Amerikaans-Nederlandse koloniale bewind. Voor de P.K.I. onze roemrijke zusterpartij, die in haar lang bestaan de bloedigste vervolgingen van de koloniale machthebbers en de Japanse fascisten heeft getrotseerd, is geen enkel compromis met de imperialisten denkbaar.

Volgens De Groot zouden in Indonesië de communisten de strijd voortzetten.

In Indonesië stemde het parlement in met de RTC-akkoorden; de communistische PKI verwierp de akkoorden. Tijdens een vergadering van de Verenigde Naties stemden de vertegenwoordigers van de Sovjet-Unie half december 1949 tegen de RTC-akkoorden. Een van hen noemde de overeenkomst ‘verraad aan het Indonesische volk’ en ‘oude koloniale slavernij in een nieuwe juridische vorm’.

In De Waarheid van 10 december schreef De Groot dat het debat over de soevereiniteitsoverdracht liet zien dat de democratie in Nederland in verval was: ‘Het debat in de Tweede Kamer heeft met onmiskenbare duidelijkheid het verval van de burgerlijke staat gedemonstreerd. Dit verval is zo ver gevorderd dat het ons letterlijk tegemoet stinkt!’ Hij hekelde ook de toegenomen Amerikaanse invloed in Indonesië; alleen de CPN verzette zich daar tegen: ‘Ogendienarij van vreemde kapitaalsmachten vervangt de vrije discussie en onafhankelijke besluitvorming, die het volk werden beloofd. Slechts de communistische arbeidersvertegenwoordigers richten zich op de belangen van eigen volk en spreken openhartige taal.’

Volgens De Groot zou dus alleen de CPN bij het debat het Nederlandse belang hebben verdedigd.

Het CPN-standpunt diende volgens de historicus en Paul de Groot-biograaf Jan Willem Stutje echter vooral het belang van de Sovjet-Unie. Die vreesde dat de soevereiniteitsoverdracht aan het Indonesië van Hatta en Soekarno een versterking van de positie van de Verenigde Staten in Zuidoost Azië zou betekenen.

De soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949 werd door De Waarheid – en dat is symbolisch – pas op pagina 5 van de krant vermeld: ‘Hedenochtend vond in de Burgerzaal van het Paleis op de Dam te Amsterdam de officiële instelling plaats van de nieuwe schepping van het Amerikaanse imperialisme in het Verre Oosten: de Republiek Indonesia Sarekat (R.I.S.)’, oftewel de Verenigde Staten van Indonesië. De publieke belangstelling was mager, en dat vond de krant een veeg teken.

De CPN had nu haar hoop gevestigd op een guerrillastrijd van de PKI tegen de rechtse ‘Soekarno-Hatta-kliek’. Op het partijcongres van februari 1950 benadrukte Paul de Groot zijn solidariteit met de ‘Indonesische arbeiders en arme boeren’. Zij zouden zich laten inspireren door het Chinese voorbeeld (in China hadden de communisten eind 1949 de macht veroverd). De RTC-akkoorden moesten vernietigd worden en het Indonesische volk zou zich moeten bevrijden van ‘alle buitenlandse imperialisten en hun handlangers’. En er was ook nog Nieuw-Guinea; keer op keer zou de CPN zeggen dat Nieuw-Guinea onverwijld moest worden overgedragen aan Indonesië, dit om een volgend koloniaal conflict te vermijden.

Tot slot

De CPN heeft de Indonesische onafhankelijkheid altijd fel verdedigd, als enige partij in het Nederlands parlement. Haar feitelijke stemgedrag in de Tweede Kamer lijkt echter nogal afhankelijk van de ontwikkelingen in de Koude Oorlog, en met name van de perceptie daarvan in de Sovjet-Unie.

Aanvankelijk was het parool vanuit Moskou dat er samengewerkt moest worden met de ‘nationale democratische krachten’. Dat leidde ertoe dat de CPN in 1945 en 1946 in grote lijnen het Nederlandse regeringsbeleid inzake Indonesië steunde en eind 1946 ook voor het verdrag van Linggadjati stemde. Toen was de CPN nog een voorstander van samenwerking tussen Nederland en Indonesië in een Nederlands-Indonesische Unie.

In de loop van 1947 draaide de wind en kwam vanuit Moskou de oekaze dat communistische partijen zich fel moesten verzetten tegen het oorlogszuchtige imperialistische kamp, geleid door de Amerikanen. Dat betekende ook dat de CPN haar opstelling ten opzichte van de dekolonisatie van Indonesië geleidelijk aanpaste. Een samengaan van Nederland en Indonesië in Unieverband, zeker als dat een Unie was met ruimere bevoegdheden, was nu taboe. Verder zette de partij zich scherp af tegen wat zij zag als de toenemende invloed van de Verenigde Staten in Indonesië en tegen president Soekarno en vicepresident Hatta, die werden gezien als steunpilaren van het Amerikaanse imperialisme in Zuidoost Azië. Het gevolg was dat de CPN, nota bene samen met de rechterzijde van het parlement die tegen de onafhankelijkheid van Indonesië was, eind 1949 tegen de soevereiniteitsoverdracht aan de Verenigde Staten van Indonesië stemde.

Bronnen

Boeken:
– Doel, H.W. van den, Afscheid van Indie. De val van het Nederlands imperium in Azië (Amsterdam 2000).
– Schulte Nordholt, Henk, en Harry Poeze, Merdeka. De strijd om de Indonesische onafhankelijkheid en de ongewisse opkomst van de Republiek, 1945-1950 (Zutphen 2022).
– Verrips, Ger, Dwars, duivels en dromend. De geschiedenis van de CPN 1938-1991 (Amsterdam 1995).
– Stutje, J.W., De man die de weg wees. Leven en werk van Paul de Groot 1899-1986 (Amsterdam 2000).

Archieven:
– Handelingen Tweede Kamer: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/uitgebreidzoeken/historisch

Kranten:
– De Waarheid (Delpher: http://www.delpher.nl.)

×