Dark
Light

De lange geschiedenis van westerse inmenging in Irak

10 minuten leestijd
De verdeling van het Midden-Oosten in een Frans (A) en Brits (B) protectoraatgebied volgens het Sykes-Picotverdrag van 1916
De verdeling van het Midden-Oosten in een Frans (A) en Brits (B) protectoraatgebied volgens het Sykes-Picotverdrag van 1916

Nu het geweld in Irak oplaait, blikt Maarten Roest met zijn boek Woordvoerder terug op de Amerikaanse inval van het land. Op zoek naar de wortels van het huidige conflict, kijkt hij ook terug op de lange geschiedenis van westerse inmenging in Irak.

In 1916 spraken Frankrijk en Groot-Brittanië in het geheim af hoe zij hun invloed in het Midden-Oosten zouden verdelen mocht het Ottomaanse rijk, dat over dit deel van de wereld heerste, ineenstorten, wat niet veel later gebeurde. Het Sykes–Picot akkoord, genoemd naar de opstellers ervan, was volgens Roest een staaltje verdeel- en heerspolitiek waarmee beide grootmachten tot de dag van vandaag hun stempel op de ontwikkeling van de regio zouden drukken. De strijders van ISIS verklaren – onder meer – dat ze vechten om de gevolgen van Sykes-Picot terug te draaien.

Op Historiek publiceren we een fragment uit “Het verval van Basra”, het negende hoofdstuk van Woordvoerder. Dit hoofdstuk gaat over de lange geschiedenis van Britse inmenging in Irak.


Het verval van Basra

Drie dagen later spraken hij en Nora af om verder te zoeken. Al was de reden om dat te doen vanuit een beroepsmatig oogpunt, toen al een drogreden geworden. Er was namelijk besloten om niet eerst in Basra met de voedseldistributie te beginnen. Geheel Irak zou op hetzelfde moment voedsel krijgen. Nora wees op de politieke bedoeling van deze opzet: er werd niemand voorgetrokken. Echter, je kon verwachten dat het nieuws niet uit Basra, maar uit Bagdad zou komen, waar immers de meeste journalisten zaten.

Aldus, met niet geheel zuivere bedoelingen, gingen zij op weg. De chauffeur stelde zelfs voor om Basra te verlaten. Hij kende een mooi dorp aan de rivier. Officieel was het niet toegestaan om de stad uit te gaan en het was ook niet in overeenstemming met hun plan om in Basra een locatie te zoeken. Maar spannend was het wel, vonden Rik en Nora allebei. Abulkhasib heette het dorp, zei de chauffeur. Het lag tien kilometer naar het zuidoosten aan de Sjat-al-Arab.

Door een trieste buitenwijk, langs daken zonder bedekking, dichtgetimmerde ramen, half vergane muren, van sommige was niet veel meer dan een stapel stenen over, reden zij Basra uit. Rik vroeg aan de chauffeur waarom het verval van Basra zo alomtegenwoordig leek? Dat kon toch niet alleen het gevolg zijn van de Amerikaanse invasie en de Britse bezetting? De chauffeur beaamde dit. Het embargo speelde ook een belangrijke rol, zei hij, omdat er toen, afgezien van voedsel en medicijnen, niets het land binnen mocht, geen verf, geen cement, geen stenen, schroeven, boren, zagen, niets. Hoe kan iemand zijn huis dan onderhouden? Voor het embargo had je de Golfoorlog gehad en daarvoor weer de oorlog tegen Iran. Iran ligt vlakbij, aan de overkant van de Sjat-al-Arab. Basra werd toen bijna dagelijks gebombardeerd. Ook zijn huis werd getroffen. Van herstel was het nog niet gekomen.

Zij parkeerden in de hoofdstraat van Abulkhasib, die als markt dienst deed. Er werden groente, fruit en huishoudelijke artikelen verkocht. De chauffeur nam hen mee naar de voedselagenten tussen de marktkooplieden. Een van hen, Mojib Abbas, verklaarde dat hij eind maart, op de dag van de invasie, voor het laatst bevoorraad was. In zijn kraam waren dan ook geen voedselpakketten meer over. Hij zei in het Engels dat Abbas ‘boze leeuw’ betekent en, voegde hij eraan toe, ‘de koning van de woestijn’. Mohammed Yasib mengde zich in het gesprek. Hij vond dat de rantsoenen vergroot moesten worden. Er moest meer rijst, meer meel, meer van alles uitgedeeld worden. Nora zei dat het hervatten van de voedseldistributie voorop stond. Mohammed liep met hen mee terwijl Rik bij verschillende stallen informeerde naar de prijs van de aangeboden waar. Tomaten, aardappelen, uien, knoflook, aubergine en watermeloen, alles kostte per kilo meer dan een maandelijks voedselrantsoen. Maar het lag er wel. Een marktkoopman zei:
      ‘Niemand eet het, want niemand kan het kopen.’
      Nora wilde hem op de foto zetten vanwege die uitspraak, maar ook vanwege zijn zonnebril met donkergroene glazen en glimmend montuur, model Aviator van Ray-Ban, en het contrast tussen die typisch westerse uitmonstering en zijn traditionele kleren, de witte arakchin op zijn hoofd en zijn eveneens witte dishdasha. Zij vroeg of de man een watermeloen wilde pakken en drukte af.

Aan het einde van de markt aangekomen, nodigde Mohammed hen uit om bij hem thuis ‘over voedsel te praten’. Ze stemden in en volgden hem, eerst terug, langs de marktstal van de man met de Ray-Ban bril, die dadels stond aan te prijzen en zijn bril ondertussen had afgezet. Het bleek dat hij één oog miste. Daarna sloegen ze een stoffige, onverharde straat in naar de rivier. Mohammed vertelde dat hij als ingenieur op een bedrijf in de haven werkte. Het bedrijf had schade opgelopen door oorlogshandelingen tijdens de invasie en was daarna geplunderd. Een maand geleden had hij zijn laatste salaris ontvangen, maar toch ging hij nog twee keer per week naar zijn werk om de boel schoon te houden. Vooral de machines vergden veel aandacht. Reparaties waren onmogelijk, er waren immers geen onderdelen voorhanden. Zijn echtgenote werkte ook, zei hij, op de afdeling boekhouding van het Industriële Instituut, een school voor voortgezet technisch onderwijs. Rik veronderstelde dat ze het in vergelijking met de rest van het dorp betrekkelijk goed moesten hebben, ook al hield Mohammed niet op zich te beklagen, er was ‘geen werk, geen geld, geen eten’.

Het was ongeveer een kilometer lopen naar zijn huis. Bij de voordeur zei Mohammed gewichtig dat het honderdvijftig jaar oud was. Rik keek de straat in en zag nog vijf huizen die er net zo uitzagen. De sfeer was vredig. Het woord ‘verstild’ kwam in hem op. Mohammed maakte de zware houten deur open en hield even de klopper omhoog, alsof die een bewijs van de ouderdom van zijn huis was. Hij keek verbaasd toen Rik zei dat die in Nederland ook nog gebruikt werden.

Achter Mohammed aan liepen zij naar binnen, door de donkere gang een patio op. Het leek wel op de binnenplaats van een koloniaal herenhuis in Latijns-Amerika, of van een deftig pand in Andalusië. Rik kreeg het gevoel alsof hij terugging in zijn eigen tijd, naar het Midden-Amerika van zijn jaren als reporter en vandaar naar het Spanje waar hij als student had gewoond. Zijn hoofd tolde bij de gedachte dat dit type huis met binnenplaats dezelfde weg in omgekeerde richting had afgelegd. De Moren hadden de bouwstijl in Andalusië geïntroduceerd, vanwaar het door de Spaanse veroveraars naar Latijns-Amerika was meegenomen. Maar de oorsprong moest hier liggen, dacht Rik, in de delta van het Tweestromenland.

Het gejoel van een groepje kinderen bracht hem weer bij zijn positieven. Mohammed wees zijn zoon en dochter aan, de overigen waren vriendjes en vriendinnetjes. Hij verzocht de kinderen om netjes naast elkaar te gaan staan voor een foto. Twee meisjes en vier jongens. De twee jongens rechts, de oudsten, leken een beetje verlegen naar de camera te kijken, de anderen lachten onbevangen.

Mohammeds vrouw kwam tevoorschijn, gevolgd door haar moeder. Toen Nora met de vrouwen was gaan zitten praten, nam Mohammed hem mee het dak op om de moestuinen te laten zien. Terwijl hij uitkeek over de akkers, bevloeid door kanaaltjes die hun water kregen uit de vlakbij gelegen Sjat-al-Arab, overviel Rik opnieuw het denkbeeld tegen de loop van de tijd in te zijn gegaan. Hij stond naar de geïrrigeerde landbouw te kijken, die zich duizenden jaren geleden in deze delta had ontwikkeld en van hieruit naar het Westen was gekomen.

Weer beneden troffen ze Mohammeds schoonvader, een oude man in een witte dishdasha met een witte arakchin op zijn rimpelige hoofd. Hij bood Rik een sigaret aan en zei dat hij minstens een pakje per dag rookte. ‘Ik ook,’ zei Rik, en voegde eraan toe dat roken eigenlijk helemaal niet goed is. De oude man lachte, schouderophalend. Daarna nodigde hij Rik met een armgebaar uit om samen te gaan zitten. De rest van het gezelschap voegde zich bij hen, maar allen bleven staan. De manier waarop zijn verwanten hem bejegenden ademde respect uit, ze draaiden om hem heen, zonder te dicht in de buurt te komen, alsof een onzichtbare cirkel de grens aangaf. Mohammed zei dat zijn schoonvader onderwijzer was geweest. Hij had zijn hele leven grote waarde gehecht aan het vergaren van kennis.
      ‘Nederland betekent lage landen,’ zei de schoonvader.
      Om dit te verduidelijken, hield hij zijn rechterhand laag boven de vloer. Vervolgens vertelde hij waarom Hitler in de Tweede Wereldoorlog niet meteen Frankrijk, maar eerst Nederland en België was binnengevallen: om de Maginotlinie te omzeilen.

      ‘Hij weet veel van geschiedenis,’ lichtte zijn dochter toe.
      Nu zei de schoonvader iets in het Arabisch. Ditmaal gebruikte hij zijn beide handen om het uit te leggen. Met de vingertoppen van zijn rechterhand streek hij van rechts naar links over de palm van zijn linkerhand, die hij als een opengeslagen bladzijde voor zich hield. Daarna keek hij Rik vragend aan. Rik knikte dat hij hem begreep: de schoonvader zocht het graag in de boeken. Er sloeg een golf van sympathie voor de man over hem heen.
      Rik sprak zijn afschuw uit over de oorlogen die dit verstilde dorp getroffen hadden, de jongste Amerikaanse invasie, de Golfoorlog, Iran-Irak.
      ‘Vergeet 1941 niet,’ zei de schoonvader.
      ‘1941?’
      ‘De Britse invasie.’
      Hij vertelde dat Basra ook in 1941 door Britse troepen bezet was geweest. Later las Rik dat die bezetting het begin was van een inval waarmee Winston Churchill beoogd had om in Irak ‘regime change’ te bewerkstelligen. Churchill vreesde de militairen die in Bagdad de macht hadden gegrepen vanwege hun sympathieën voor Duitsland en om hun Arabisch nationalisme, dat sterke anti-Britse en anti-Joodse trekken had.

Faisal I van Irak
Faisal I van Irak
Later las hij ook dat de Britse dominantie over Irak al dateerde van het einde van de Eerste Wereldoorlog. En dat de Engelsen toen, om hun macht te vestigen, Irak eveneens in het zuiden waren binnengevallen. De voormalige provincie van het Ottomaanse rijk, dat na de Eerste Wereldoorlog was ineengestort, kwam onder Brits mandaat. Onafhankelijkheid volgde in 1930, maar koning Faisal, dezelfde die Irak onder de Britten had bestuurd, slaagde er niet in om het volk voor zich te winnen. Iraakse nationalisten kwamen in opstand. Hun coup van 1941 kon nog met hulp van de Britten in de kiem gesmoord worden, maar in 1958 werd de koning definitief van de troon gestoten. Uit de machtsstrijd die volgde, kwam uiteindelijk de Baath-partij als winnaar tevoorschijn. Het zou niet lang duren voordat één man uit de rangen van deze partij alle macht naar zich toe zou trekken, Saddam Hoessein.

Zwijgend liet Rik zijn blik door het oude huis gaan. Hij keek naar de oude man, wiens kennis van zijn wereld zoveel groter was dan Riks kennis van die van hem, maar die toch zeer verheugd leek om samen over geschiedenis te praten. De man wilde ook graag muntjes uitwisselen. Hij liet een paar Iraakse munten zien, er zat een zeshoekige bij, op andere waren palmbomen geslagen. Rik liet zijn euromuntjes zien. Ze ruilden. Hij kreeg er een brok van in zijn keel.

Mohammed nodigde hen uit voor het middageten. Hij zei dat het zeer onbeleefd zou zijn als hij dat niet zou doen. En weigeren konden ze niet, voegde hij toe. Rik overlegde met Nora. De gedachte om te blijven eten deed hun geweten opspelen. Zij konden deze missie van twijfelachtig professioneel gehalte niet ook nog eens rekken voor een ongetwijfeld langdurig middagmaal. Zij beriepen zich daarom op dringende verplichtingen aangaande hun werk. De gastheer liet zich overtuigen, misschien was hij stiekem ook wel blij om er vanaf te zijn. Maar, ze konden niet vertrekken zonder met hem naar de rivier te zijn geweest.

De menigte kinderen die hen achterna liep, groeide snel. Handtastelijk werden ze niet. Ze wilden handen schudden, riepen ‘hello!’ en moesten daar dan erg om lachen. De grootste jongen uit de groep ging voor Rik staan en begon stoten in de lucht op hem te richten, die hij in zijn geopende handen opving.

Bij de oever vielen de kinderen stil. Was dat de kalmerende werking van het lichtbruine water, dat snel en geruisloos naar de Perzische Golf stroomde? Nora kwam naast hem staan. Ze lachten er allebei om dat hun schoenen diep wegzakten in de rivierklei. Rik vroeg of zij het Gilgamesj-epos soms kende. Nee, dat kende ze niet. Eén van de eerste literaire werken uit de geschiedenis, zei Rik. In het Louvre bevindt zich een exemplaar, geschreven op kleitabletten. Van dezelfde klei als die aan hun schoenen.

Koning Gilgamesj heerste over Oeroek, vertelde hij, één van de oudste steden ter wereld, net voorbij het tegenwoordige Nassiriya. Na de dood van zijn vriend Enkidoe heeft Gilgamesj nog maar één verlangen: zelf aan de dood ontsnappen. Hij reist voorbij het einde van de wereld naar de enige mens met het eeuwige leven, zijn voorvader Oetnapistjtim, koning van Sjoerroeppak. Maar zelfs deze kan hem niet helpen, de mens is nu eenmaal sterfelijk. Wel openbaart Oetnapistjtim aan Gilgamesj het geheim van zijn eigen onsterfelijkheid, dat nauw verbonden blijkt te zijn met het verhaal van de zondvloed. Oetnapistjtim vertelt hoe hij en zijn vrouw, gewaarschuwd door een gunstig gezinde god, deze ramp hebben weten te overleven, waarna de goden uit berouw om de vernietiging die zij hebben aangericht, hun het eeuwige leven schenken.

Woordvoerder - Maarten Roest
Woordvoerder – Maarten Roest
De eerste westerse vertaling van het Gilgamesj-epos, van eind negentiende eeuw, sloeg in als een bom. De tekst bewees dat het Bijbelse verhaal over de ark van Noach bronnen had die ouder waren dan de Bijbel zelf:

Man van Sjoerroepak, zoon van Oebartoetoe,
breek je huis af, bouw een boot.
Doe afstand van al je rijkdommen; houd alleen je levende have.
Geef je bezit op en red je leven.

Toen de zevende dag was aangebroken,
ging de storm die de geweldige watervloed had opgestuwd op slag liggen,
nadat hij eerst als een barende vrouw om zich heen had geslagen.

Ik keek naar het weer, overal heerste stilte.
De mensdom was tot aarde vergaan.
Het overstroomde land strekte zich voor mij uit, zo plat als een dak.
Ik opende het luik, het zonlicht viel op mijn gezicht.
Ik knielde neer en huilde.

Rik stak een hand uit om Nora uit de klei omhoog te helpen, maar ook toen ze op de wal stonden en terugliepen, bleef zij zijn hand vasthouden. De kinderen verloren hun kalmte weer. Ze achtervolgden hen naar de auto, waar ze afscheid namen van Mohammed. Even later reden ze onder luid gejoel Abulkhasib uit.

~ Maarten Roest
www.maartenroest.com

Bekijk dit boek bij:

Bestel dit boek bij de Historiek Geschiedeniswinkel

×