De nazifilm over de Titanic die twee keer werd verboden

//
23 minuten leestijd
Poster voor de Titanic-film van de nazi's uit 1943
Poster voor de Titanic-film van de nazi's uit 1943

In 2022 is het honderdtien jaar geleden dat de RMS Titanic in de Noord-Atlantische Oceaan verging. De verfilming van de ramp met het Britse luxeschip door James Cameron uit 1997 spreekt nog altijd tot de verbeelding. De met elf Oscars onderscheiden productie is echter een van minstens zeventien bioscoopfilms over het ‘onzinkbare’ schip die verschenen van 1912 tot heden. De misschien wel opvallendste productie komt uit 1943, ook al is de titel – ‘Titanic’ – weinig origineel. Deze Duitse spektakelfilm in zwart-wit verscheen midden in de Tweede Wereldoorlog en werd gemaakt door de nazifilmindustrie als propaganda tegen het vijandige Engeland.

Voorblad van de Illustrierte Filmbühne uit 1942 met de filmposter van ‘Titanic’.
Voorblad van de Illustrierte Filmbühne uit 1942 met de filmposter van ‘Titanic’. Bron: Collectie Malte Fiebing-Petersen
De ramp met de Titanic in de nacht van 14 op 15 april eiste het leven van 1522 opvarenden. Al direct was mondiaal de aandacht in de populaire media groot. Nog datzelfde jaar verschenen drie stomme films over de catastrofe, respectievelijk van Amerikaanse, Franse en Duitse makelarij. Terwijl deze producties allang vergeten zijn, heeft de speelfilm ‘Titanic’ van regisseur James Cameron uit 1997 een onuitwisbare invloed gehad op tientallen miljoenen kijkers wereldwijd. De speelse boegscène, waarin hoofdpersonages Jack en Rose op de boeg van het schip doen alsof ze kunnen vliegen, is al even legendarisch als het dramatische fragment waarin Jack voor de ogen van Rose langzaam wegzinkt in de ijskoude oceaan. En wie kan Celine Dions hit ‘My Heart Will Go On’ – de titelsong van de film – horen zonder te denken aan de ondergang van het majestueuze schip? Bij het grote publiek spelen speelfilms meestal een grotere rol bij het vormen van een beeld van de geschiedenis dan geschiedenisboeken.

Nazipropagandaminister Joseph Goebbels begreep lang voor Cameron de potentie van het verhaal over de Titanic toen hij de opdracht gaf tot het maken van een film hierover. Anders dan de Hollywoodfilm uit 1997 moest de naziversie geen liefdesdrama worden, maar beloofde deze een realistische weergave te geven van de oorzaak van de ramp. Hoewel het schip in de nazifilm net als in werkelijkheid zinkt na een botsing met een ijsberg, werd het scenario echter verder uit de duim gezogen. Om de Britten in een kwaad daglicht te zetten werd de ramp door de filmmakers direct in verband gebracht met de nietsontziende hebzucht van de Britse upperclass. Dit moest bij de Duitse filmkijker afkeer oproepen voor de vijand van het eerste uur waarmee het Duitse leger sinds 1939 in oorlog was. Toch zou de film in oorlogstijd nooit in de Duitse bioscopen draaien, omdat Goebbels dat verbood. Na de oorlog werd ‘Titanic’ in 1950 opnieuw verboden in Duitsland, dit keer door de westerse overwinnaars.

Eerste plannen

Hoewel de eerste plannen voor het maken van de film dateren uit 1940, duurde het tot 1942 voordat begonnen werd met de opnamen. Het had tijd gekost voordat het script goedgekeurd werd door het ministerie van Propaganda onder aanvoering van Joseph Goebbels. Een in 1936 in Duitsland verschenen boek van Josef Pelz von Felinau, getiteld Tragödie eines Ozeanriesen, vormde de inspiratiebron. Een vroege versie van het script werd geschreven door Harald Bratt, een professor in de pedagogie wiens echte naam August Christian Riekel was. Hij was datzelfde jaar betrokken bij twee andere propagandafilms, waaronder Ohm Krüger (1941) dat zich afspeelt tijdens de Tweede Boerenoorlog (1899-1902) en waarin de Britten worden neergezet als kwaadaardige onderdrukkers van de rechtschapen Boeren. De schrijver van het definitieve script was Walter Zerlett-Olfensius. Deze veteraan uit de Eerste Wereldoorlog had al vaker samengewerkt met Herbert Selpin, die werd aangewezen als de regisseur. Selpin was sinds 1932 bekend als de maker van amusementsfilms. Het laatste gezamenlijke project van Zerlett-Olfenius en Selpin, voorafgaand aan ‘Titanic’, was Geheimakte W.B.1. (1942) over Wilhelm Bauer, de Duitse pionier in de bouw van onderzeeboten.

Bouwtekening van de constructie in de Scharmützelsee waarmee het model van de Titanic tot zinken kon worden gebracht. Bron: Collectie Malte Fiebing-Petersen
Bouwtekening van de constructie in de Scharmützelsee waarmee het model van de Titanic tot zinken kon worden gebracht. Bron: Collectie Malte Fiebing-Petersen

Drie opnamelocaties

‘Titanic’ werd geproduceerd door productiemaatschappij Tobis Film. Dit bedrijf ging in 1942 onderdeel uitmaken van filmconcern UFA-Film GmbH, de enige overgebleven filmmaatschappij onder supervisie van het Duitse propagandaministerie. De makers stond een indrukwekkend budget van 3 miljoen Rijksmark ter beschikking, het hoogste ooit voor een film van Tobis Film. De opnamen stonden gepland van 23 februari tot 14 augustus 1942 en vonden grotendeels op drie locaties plaats. Filmarchitect Fritz Maurischat was verantwoordelijk voor de decors en attributen. De binnenopnamen werden uitgevoerd in vier studio’s van het Jofa-Atelier in het Berlijnse stadsdeel Johannisthal. Hier werden verschillende delen van het interieur van het schip als decor nagebouwd, waaronder de grote, met houten lambrisering gedecoreerde balzaal voor de passagiers uit de eerste klasse. Selpin stond erop dat hij ook kon filmen op een echt schip en daarvoor werd de Cap Arcona aangewezen. Dit passagierschip uit 1927 had voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog reizen gemaakt naar Zuid-Amerika voor de Hamburg-Südamerikanische Dampfschifffahrts Gesellschaft. In 1940 werd het door de Kriegsmarine in gebruik genomen. Op het moment van de filmopnamen lag het voor anker in Gotenhafen, het tegenwoordige Gdynia in Polen. Daar fungeerde het als opleidingscentrum en accommodatie voor duikbootbemanningsleden. Dat het schip iets kleiner was dan de Titanic en beschikte over drie schoorstenen in plaats van vier, daar zouden filmkijkers niets van gaan zien.

Modellen van de Titanic (links) en Cap Arcona met elkaar vergeleken. Bron: Collectie Malte Fiebing-Petersen
Modellen van de Titanic (links) en Cap Arcona met elkaar vergeleken. Bron: Collectie Malte Fiebing-Petersen

De derde opnamelocatie was bestemd voor de buitenopnamen met een speciaal voor de film gemaakt model van de Titanic. Hiermee moesten de botsing met de ijsberg en het zinken van het schip zo natuurgetrouw worden gesimuleerd. Omdat de opnamen in het donker moesten plaatsvinden, was het te riskant om ze in Berlijn te laten plaatsvinden, waar de belichting had kunnen fungeren als baken voor geallieerde bommenwerpers. Daarom werd gekozen voor de Scharmützelsee, een meer zeventig kilometer ten zuidoosten van de hoofdstad. Om het tien meter lange gevaarte in en uit het water te halen werd een houten constructie gebouwd, naast een rails onder water waarop het model voortbewogen werd. Met een wipwapachtige techniek kon het schip met de achtersteven omhoog tot zinken worden gebracht. Vanwege slechte weersomstandigheden, waarbij het model doorweekt en beschadigd raakte, duurde het langer dan verwacht tot de opnamen slaagden. Vermoedelijk ligt het modelschip tegenwoordig nog altijd op de bodem van het meer, naar voorbeeld van het echte schip op de bodem van de Atlantische Oceaan.

Een klucht

De opnamen aan boord van de Cap Arcona, die begonnen op 30 april, verliepen vanwege de weersomstandigheden al evenmin voorspoedig. “Slecht weer, natte kabels, nachtopnames niet mogelijk, stemming middelmatig”1, zo somde de productiemanager de problemen op. Daar bleef het niet bij, want er ging in Gotenhafen nog zoveel meer mis dat het haast wel een klucht leek. In oorlogstijd was het niet mogelijk om de activiteiten van de marine in de drukke haven stil te leggen, waardoor de opnamen veelvuldig werden verstoord door het geluid van scheepvaartverkeer. Ook het luchtalarm loeide op ongelegen momenten. Nieuwsgierige marinemannen zorgden eveneens voor problemen. De aanwezigheid van knappe actrices en figurantes vormde voor hen een plezierige afleiding van hun militaire taken. Meer dan eens liepen ze door het beeld of verstoorden ze de opnamen doordat ze bijvoorbeeld hun idool Monika Burg, een jonge blonde Oostenrijkse actrice, op de foto wilden zetten. Tot twee keer toe werden tijdens opnamen met de reddingsboten vrouwelijke figuranten uit het water ‘gered’ door de bemanningsleden van een U-boot. Verder gebeurde het vaak dat figuranten niet op tijd kwamen opdagen, waarschijnlijk omdat ze het in de kroeg of elders veel te gezellig hadden met de marinemannen.

Het zou onterecht zijn om alleen de schuld te leggen bij het marinepersoneel, want ook bij de filmmakers zelf was discipline soms ver te zoeken. De bekende actrice Sybille Schmitz was na een dronkenschap eens drie dagen onvindbaar en haar collega, de eerder genoemde Monika Burg, verbleef gedurende een dag aan boord van een U-boot, ondanks dat het strikt verboden was dat de filmmakers zich aan boord begaven van oorlogsschepen. Verder hadden de acteurs hun teksten niet goed ingestudeerd en waren er conflicten met de marineleiding, onder andere omdat laatstgenoemde aanvankelijk toestemming weigerde te geven voor nachtelijke opnamen. Een affaire tussen scriptschrijver Zerlett-Olfensius en zijn assistente riep irritatie op bij velen op de set. Regisseur Selpin maakte zich evenmin geliefd door van zijn positie misbruik te maken en via de scheepskok verkregen levensmiddelen naar Berlijn te smokkelen.

Schijtridderkruisdragers

Op 5 mei ging het helemaal mis toen Zerlett-Olfensius en Selpin in het hotel waar ze tijdens de opnamen in Gotenhafen verbleven ruzie met elkaar kregen. De regisseur verweet de scriptschrijver dat deze zijn taken niet goed uitvoerde. Volgens Zerlett-Olfenius sprak Selpin daarbij de volgende woorden tegen hem uit:

“Hij noemde me een ‘voormalige schijtofficier’ met zijn ‘schijt-erekruis eerste klasse’ en sprak over ‘schijtridderkruisdragers’ […]. Toen ik hem zei dat hij mij niet kon beledigen, viel hij op de gemeenste wijze Duitse infanteriesoldaten aan, noemde ze laffe, slappe kerels die het niet eens lukte de Russen te verslaan, omdat ze uit angst niet op de Russen maar in de lucht schoten en wegliepen. Ik stond op en verliet de kamer, voor mij was de maat ten slotte vol.” 2

Joseph Goebbels
Joseph Goebbels (Bundesarchiv – Heinrich Hoffmann / CC-BY-SA 3.0)
Zerlett-Olfenius weigerde nog langer te werken met de regisseur en verraadde hem bij Hans Hinkel. Deze nazi van het eerste uur gaf leiding aan de Reichskulturkammer, de instelling die onder supervisie van het propagandaministerie toezicht hield op de cultuursector. Op 30 juli 1942 werd Selpin ontboden door de intussen op de hoogte gebrachte Goebbels. De propagandaminister vroeg aan de regisseur of hij daadwerkelijk de antimilitaristische beledigingen had geuit, wat Selpin bekende. Hij weigerde zijn woorden terug te nemen toen Goebbels hem daarom vroeg. “Ik zie mezelf genoodzaakt om de filmregisseur Selpin te laten arresteren en uit te leveren aan het volksgerechtshof”, zo noteerde de minister de volgende dag in zijn dagboek.

“Hij heeft ongefundeerde uitspraken gedaan tegen de Duitse Wehrmacht en tegen het algemene verloop van de oorlog.”3

Selpin werd uitgesloten van de Reichskulturkammer, wat neerkwam op een beroepsverbod, en gevangen gezet in een cel in het hoofdbureau van de politie op de Alexanderplatz in Berlijn. Op 1 augustus werd hij hier dood aangetroffen. Hij had zich verhangen aan zijn bretels.

Vaak is gesuggereerd dat de zelfmoord van Selpin in scène was gezet door de Gestapo, maar daarvoor is geen overtuigend bewijs. De huisarts en persoonlijke vriend van de regisseur trof tijdens een autopsie geen sporen aan op het lichaam die wezen op een andere doodsoorzaak. Selpin had tegenover filmarchitect Maurischat eerder al eens gesproken over zelfmoord. Vermoedelijk verkoos hij dit boven een rechtszaak die hoe dan ook tot de doodstraf had geleid. Goebbels zou tijdens zijn onderhoud met Selpin al gedreigd hebben dat zijn “defaitistische, ondermijnende opmerkingen hem de kop zouden kosten”.4 Bang dat Selpins dood tot onrust zou leiden, werd in opdracht van de filmafdeling van het propagandaministerie in alle filmstudio’s en op de set van ‘Titanic’ de volgende verklaring opgehangen:

“Filmregisseur Herbert Selpin heeft zich met smerige laster en beledigingen van Duitse frontsoldaten en frontofficieren tegen de oorlogsmoraal gekeerd. Hij werd daarom in hechtenis genomen om aan het gerecht overgedragen te worden. De misstappen van Selpin waren zo verachtelijk, omdat hij nimmer aan de wereldoorlog, noch aan deze oorlog deelgenomen heeft, maar voor de productie van belangrijke filmopdrachten was vrijgesteld van dienst. Selpin heeft in voorarrest in de nacht van 1 augustus een einde aan zijn leven gemaakt door verhanging.”5

Een soortgelijke verklaring, waarin werd opgedragen om de naam van Selpin niet meer te noemen, werd verspreid onder bioscopen in Duitsland. Ook in de uiteindelijke film zelf bleef zijn naam onvermeld. Om te voorkomen dat medewerkers op de set van ‘Titanic’ tekenen van sympathie voor Selpin toonden, werd het toezicht door de Sicherheitsdienst opgevoerd. Het was vast niet toevallig dat op de dag van zijn begrafenis, op 7 augustus, medewerkers van het ministerie een bezoek brachten aan de filmstudio. Hiermee voorkwamen ze dat de crewleden de begrafenis konden bijwonen om hun solidariteit te tonen met de regisseur. Drie dagen later werden de opnamen hervat. Als opvolger van Selpin was Werner Klinger aangewezen. Hij was sinds 1936 actief als regisseur en had in 1933 als regieassistent meegewerkt aan de Duits-Amerikaanse productie ‘S.O.S. Iceberg / S.O.S. Eisberg’, waarin Leni Riefenshahl een hoofdrol speelde. Zij werd later bekend als maakster van bombastische propagandafilms ter verheerlijking van het nazisme.

Proefvertoning

Op 17 december 1942 was het eindelijk zover: de eerste versie van ‘Titanic’ werd aan Goebbels vertoond. In zijn dagboek noteerde hij dat hij tevreden was met de massa-scènes, maar wat minder met het slot. Hierop werd de film aan de montagetafel nog flink ingekort, waarna het definitieve resultaat op 30 april 1943 het predicaat staatspolitisch wertvoll (staatspolitiek waardevol) kreeg, in juni gevolgd door het predicaat künstlerisch wertvoll (artistiek waardevol). Er stond hiermee in theorie niets meer in de weg om de film in Duitsland een grootse première te laten beleven, maar toch zou vertoning in de bioscopen in Duitsland in oorlogstijd uitblijven. Wel zou de film in 1943 en 1944 draaien in het buitenland. Dit was het geval in door Duitsland bezette landen (o.a. Nederland, België en Frankrijk), neutrale landen (Finland, Spanje en Zwitserland) en Duitse bondgenoten (Hongarije, Kroatië, Roemenië en Slowakije). In 1944 volgde een officieel vertoonverbod voor ‘Titanic’ in Duitsland. Om te kunnen bedenken waarom Goebbels tot dit besluit kwam, is het van nut om eerst de inhoud van de film te bespreken.

Verschillende verhaallijnen

Afbeelding uit het Duitse tijdschrift Illustrierte Filmbühne met daarop acteurs en figuranten uit de film. Op de voorgrond van links naar rechts: directeur Ismay, kapitein Smith en eerste-officier Petersen. De vrouw linksachter Petersen is Sigrid Olinsky. Bron: Collectie Malte Fiebing-Petersen
Afbeelding uit het Duitse tijdschrift Illustrierte Filmbühne met daarop acteurs en figuranten uit de film. Op de voorgrond van links naar rechts: directeur Ismay, kapitein Smith en eerste-officier Petersen. De vrouw linksachter Petersen is Sigrid Olinsky. Bron: Collectie Malte Fiebing-Petersen
In de film lopen verschillende verhaallijnen door elkaar, die zich afspelen aan boord van de Titanic. Vanuit propagandaoogpunt zijn twee daarvan van belang. De eerste is die rond Bruce Ismay. Hij was de directeur van White Star Line, de rederij waaronder de Titanic voer. In de film werd Ismay gespeeld door Ernst Fritz Fürbringer die met zijn aristocratische voorkomen geschikt bevonden werd om de rol te spelen, ook al leken de mannen qua uiterlijk niet op elkaar. Er werd ook geen enkele moeite gedaan om de acteur op de Brit te laten lijken, want zelfs de kenmerkende puntsnor van laatstgenoemde ontbreekt. Het ging er dan ook niet om een perfecte weergave neer te zetten van deze historische persoon. De rol van Ismay was hoofdzakelijk bedoeld om aan te tonen dat de Britse elite meer gaf om geld dan om mensenlevens. De film begint met een door Ismay geleide vergadering waarin hij zijn medebestuurders mededeelt dat de firma in zwaar weer verkeert. De maidentrip van de Titanic moet de aandelenprijs weer op voeren. Natuurlijk zouden vooral Ismay en zijn collega’s hiervan profiteren, als aandeelhouders. In werkelijkheid verkeerde de White Star Line overigens niet in financieel zwaar weer en was de rederij evenmin beursgenoteerd.

Scène uit de film waarop de lage waarde van een aandeel van de White Star Line wordt getoond. Bron: Collectie Malte Fiebing-Petersen
Scène uit de film waarop de lage waarde van een aandeel van de White Star Line wordt getoond. Bron: Collectie Malte Fiebing-Petersen
Net als in werkelijkheid reist Ismay in de film mee aan boord van de Titanic. Kapitein Edward J. Smith werd vertolkt door Otto Wernicke, die ondanks zijn huwelijk met een Joodse vrouw dispensatie kreeg om te blijven acteren in de naziperiode. De kapitein volgt strikt de orders op van de directeur, die eist dat het schip een snelheidsrecord breekt waarmee de Blue Riband (Blauwe Wimpel) moet worden gewonnen, de prijs die wordt toegekend aan het snelste passagiersschip op de trans-Atlantische route. Deze overwinning zou de waarde van de aandelen verder opstuwen. Waarschuwingen van de eerste officier en van kapiteins van andere schepen dat er grote stukken ijs op de route drijven, worden in de wind geslagen. De naam van deze eerste officier is Petersen, die wordt gespeeld door Hans Nielsen. Eerder speelde deze acteur onder meer de rol van dokter Höfer in Ich klage an (1941), een propagandafilm ter promotie van het nazi-euthanasieprogramma. Hierin wordt een vrouw met multiple sclerosis (MS) door haar man gedood, zogenaamd uit genade.

Tegenpolen

Petersen en Ismay zijn in ‘Titanic’ elkaars tegenpolen, waarbij de eerste het goede vertegenwoordigt en de tweede het kwade. Het is niet verbazingwekkend dat Petersen een Duitser is, ook al bevonden zich in 1912 geen Duitse bemanningsleden aan boord van het schip. Als de kapitein en Ismay Petersens waarschuwingen in de wind slaan, probeert de Duitser een van de passagiers, de welvarende Baltische dame Sigrid Olinsky, te overtuigen om haar invloed op Ismay uit te oefenen en te eisen dat het schip snelheid mindert. De rol van de mysterieuze vrijgezelle vrouw werd gespeeld door de al eerder genoemde Sybille Schmitz. Voor haar rol kreeg ze 40.000 Rijksmark, wat haar op dat moment een van de best betaalde actrices maakte. Dat terwijl ze zeker niet een lieveling van Goebbels was. Op 21 oktober 1937 had hij aan zijn dagboek toevertrouwt dat de actrice “geen discipline” had, “niet in haar leven, noch in haar werk.”6 Omdat ze geen blondine was, speelde ze in de nazicinema meestal de femme-fatale of een getroebleerde buitenlandse vrouw in plaats van het naïeve, trouwe Arische meisje, zoals de propagandaminister vrouwen liever zag.

Officier Petersen - Still uit de film Titanic uit 1943
Officier Petersen – Still uit de film Titanic uit 1943 (CC-BY-SA – Fandom)
Nadat het schip de ijsberg ramt, werpt Peterson Olinsky toe:

“…voor eens kon je je rijkdom voor het goede inzetten. Nu speelt geld meer geen rol. Nu draait het slechts om overleven.”

Een ander antikapitalistisch citaat uit de film komt uit de monden van het rijkste echtpaar aan boord, Lord en Lady Astor, gespeeld door de Oostenrijker Karl Schönböck en de Duitse Charlotte Thiele. “Alles wat jij kent is geld. Niets anders”, werpt de Lady haar man toe tijdens een ruzie in hun suite. Hij antwoordt:

“En met goede reden. Geld is de enige waarde waarin ik geloof.”

Wanneer het schip zinkt, blijkt rijkdom echter nutteloos. Lord Astor probeert bij directeur Ismay een plekje voor zichzelf aan boord van een reddingsboot te kopen, maar vrouwen en kinderen gaan voor. Ismay zelf eist in paniek van de kapitein dat hij toegelaten wordt aan boord van een reddingssloep. Tegen de verwachting in is het echter Petersen die dit regelt voor directeur – niet omdat hij de man wil bevoorrechten, maar omdat hij wil dat hij voor zijn handelen ter verantwoording wordt geroepen door een maritiem tribunaal.

Iedereen voor zichzelf

Terwijl de nog in glitterjurk geklede Sigrid al op het punt staat om aan boord te stappen van een reddingssloep besluit ze de leiding te nemen bij het inschepen van de passagiers. Petersen geeft haar zijn officiersjasje dat haar beschermt tegen de kou. Terwijl de kapitein tegen zijn bemanning roept “Nu is het iedereen voor zichzelf” en er aan boord grote paniek uitbreekt, ontpoppen de Duitse eerste officier en de Baltische vrouw zich als de ware helden. Eerstgenoemde redt zelfs nog een alleen gelaten jong meisje uit een suite. Uiteindelijk zien we mensen in het water springen, stroomt de balzaal vol zeewater en zinkt het schip, nadat eerst alle lichten aan boord doven. De film eindigt in een rechtszaal waar Petersen, die de ramp heeft overleefd, getuigt tegen Ismay. Ondanks zijn roekeloosheid wordt de directeur vrijgesproken, omdat niet hij maar de kapitein de eindverantwoordelijkheid draagt voor de ramp. Kapitein Smith is echter met zijn schip ten onder gegaan. Tot slot verschijnt de volgende boodschap in beeld:

“De dood van 1500 mensen blijft zonder meer een eeuwige aanklacht tegen Engelands hebzucht.”

Sigrid Olinsky met eerste-officier Petersen in een reddingsboot. Bron: Collectie Malte Fiebing-Petersen
Sigrid Olinsky met eerste-officier Petersen in een reddingsboot. Bron: Collectie Malte Fiebing-Petersen

Het propagandacomponent in ‘Titanic’ is onmiskenbaar, maar de film zou net zo goed gericht kunnen zijn tegen het kapitalisme in het algemeen als tegen het vijandige Engeland. Typisch nazistische elementen, zoals hakenkruizen, antisemitisme en militarisme, ontbreken volledig. De voorzitter van de Duitse Titanic-vereniging Malte Fiebing, die een boek publiceerde over de nazifilm, concludeert zelfs:

“Titanic is meer een historische film gemaakt voor entertainment dan pure propaganda. Je krijgt het gevoel dat de wens om te vermaken en om propaganda te verspreiden elkaar opgeheven hebben. Als het een propagandafilm is, dan is het een slechte die de plank mis slaat.”7

De nazicinema bracht echter heel veel films voort waarover iets vergelijkbaars gezegd kan worden. Goebbels wist dat hij alleen met bombastische propagandafilms zoals Der Sieg des Glaubens (1933) van Leni Riefenstahl of met haatzaaiende troep, zoals het antisemitische Der ewige Jude (1940), de aandacht van de filmkijkers niet kon vasthouden. Door hen te vermaken met historisch, romantisch en komisch drama, waarin op naar verhouding subtiele wijze propaganda werd verwerkt, wist hij de bioscoopzalen vol te krijgen en tegelijkertijd het volk te beïnvloeden. Dat lukte hem mede doordat voorafgaand aan elke film het bioscoopjournaal werd getoond met daarin ronkende nieuwsfeiten die het nationaalsocialisme en de Duitse oorlogsinspanningen in een positief daglicht plaatsten.

Fanatische kapitein

Er zijn na de oorlog verschillende redenen genoemd waarom ‘Titanic’ in oorlogstijd nimmer in de Duitse bioscopen draaide. Het vaakst wordt beweerd dat dit was vanwege de scènes waarin aan boord van het schip paniek uitbreekt. Omdat Duitse steden gebombardeerd werden door de geallieerde luchtmachten zouden de zenuwen van de Duitsers al zo op de proef worden gesteld dat het zien van deze film hen te sterk zou verontrusten. Het klopt dat Goebbels bij het uitbrengen van films rekening hield met de stemming onder het volk. Een andere film uit 1943, ironisch genoeg getiteld Panik, mocht niet vertoond worden uit vrees dat deze paniekgevoelens zou oproepen. De film ging echter over dieren die tijdens een bombardement ontsnapten uit een Duitse dierentuin, wat dus veel herkenbaarder was voor de kijkers dan het zinken van een Brits schip ruim dertig jaar eerder. Ook bij de voorbereidingen van Kolberg, de laatste nazipropagandafilm die werd uitgebracht, had Goebbels geëist dat bepaalde angstaanjagende fragmenten werden weggelaten. Dat gebeurde, maar alsnog zaten in het eindresultaat beelden van bombardementen en ander oorlogsgeweld. De Duitse bioscoopbezoeker was ook niet van suiker.

Een andere reden die wordt genoemd voor het vertoonverbod is dat Duitse rederijen hun beklag deden omdat de verfilming van de scheepsramp afbreuk deed “aan hun goede reputatie” en ze “een verlies van vertrouwen bij de bevolking vreesden”,8 maar dit was reeds in 1942. De Amerikaanse historicus Robert P. Watson, die een boek schreef over de Cap Arcona, concludeerde weer iets anders. “De film gaat eigenlijk over een fanatische kapitein die onschuldige mensen tegen een ijsberg en de dood in drijft”, legde hij uit in een lezing.

“Het is een metafoor voor nazi-Duitsland met Hitler als de kapitein.”9

Behalve dat de kapitein helemaal niet wordt neergezet als een fanaticus, maar als een onverschillige man die slechts de bevelen van directeur Ismay opvolgt, trekt de Amerikaan zijn conclusie vooral met de kennis van nu. Toen de film uitkwam in 1943 was de Slag om Stalingrad weliswaar eerder dat jaar verloren en werd de strijd in Noord-Afrika in mei beslist in het voordeel van de geallieerden, maar hield Hitler Europa nog steeds in zijn greep. Door veel Duitsers werd hij nog niet gezien als de roekeloze maniak zoals we hem tegenwoordig zien.

James Bond uit de jaren veertig

In een analyse wijst de Amerikaanse historicus Jared Poley weer een andere oorzaak aan voor het uitzendverbod in Duitsland. Hij beschouwt de film als een clandestien teken van protest van regisseur Selpin die kritisch stond tegenover het regime en de Duitse oorlogsinspanningen, zoals bleek uit zijn woede-uitbarsting. Poley legt daarbij de nadruk op de rol van Petersen en Olinsky, die goede daden verrichten, niet door bevelen van hogerhand op te volgen maar juist door daar tegenin te gaan. Dat was een mentaliteit die in de Duitse maatschappij – met Befehl ist Befehl als parool – ongewenst was. Poley beschouwt de weergave van de ramp…

“…als een teken van desintegratie, van een maatschappij die verwoest wordt door de hoogmoed van zijn intellectuele en culturele leiderschap”.

Volgens hem vormt het handelen van Petersen, die hij vergelijkt met een “James Bond uit de jaren veertig”, een “ethische oproep tot mobilisatie aan een Duits publiek”, waarmee hij doelt op het plegen van verzet tegen het naziregime. De Amerikaan concludeert dat deze “vorm van artistiek verzet tegen het regime” mogelijk door Goebbels werd herkend toen hij de film verbande.10 Deze conclusie gaat echter voorbij aan het feit dat buiten Duitsland de film wel werd vertoond, waardoor Duitse militairen en ambtenaren die onderdeel uitmaakten van bezettingsmachten deze hier gewoon konden bekijken.

Vermoedelijk de meest doordachte uitleg komt van Hemma Marlene Prainsack, die in 2013 haar proefschrift wijdde aan de film. Zij veronderstelt dat Goebbels vooral wilde voorkomen dat er binnen Duitsland vragen werden gesteld over de in ongenade gevallen regisseur. Haar conclusie is:

“Herbert Selpin was op het hoogtepunt van zijn carrière toen hij in 1942 ‘Titanic’ regisseerde. Door zijn filmsuccessen werd hij een gevierd filmregisseur, die tijdens publieke optredens aan de zijde van nazifunctionarissen stond en werd bekeken als lid van de NSDAP. De film ‘Titanic’ was met regisseur Herbert Selpin tijdens het filmen op een onvoorziene manier in de publiciteit gekomen. De propagandaleiding probeerde, door het verbod op het publiekelijk noemen van Herbert Selpin, de redenen voor en de omstandigheden omtrent zijn dood aan de publieke aandacht te onttrekken. […] Een première van ‘Titanic’ had Herbert Selpin bij het publiek in herinnering geroepen. Het verbieden van de film in Duitsland, die elders in Europa met succes werd vertoond, was een manier om Herbert Selpin effectief te elimineren.”11

Bioscoopadvertentie uit een Nederlandse kranten uit 1944 voor ‘Titanic’. Bron: Delpher
Bioscoopadvertentie uit een Nederlandse kranten uit 1944 voor ‘Titanic’. Bron: Delpher

Hoogstaand filmisch kunnen

Buiten de Duitse grenzen werd ‘Titanic’ volgens de Duitse kranten een succes. Op 27 december 1943 zaten de bioscopen in Parijs elke dag vol. In Brussel verbrak de film vanaf 27 januari 1944 alle records. In Nederland ging ‘Titanic’ op 28 april 1944 tegelijkertijd in première in het Asta Theater in Den Haag, in Tivoli in Amsterdam en in Luxor in Rotterdam. In een aankondiging in de Delftsche Courant van 20 april 1944 werd de lezer alvast bekend gemaakt met de naziversie van de geschiedenis. Verwezen werd naar “de dolzinnige tocht op bijna volle kracht door een uitgestrekt ijsbergenveld”. De conclusie luidde: “De catastrofe van de Titanic is het gevolg geweest van misdadige lichtzinnigheid en gewinzucht.”12 Een journalist van De Telegraaf concludeerde na het zien van de film dat deze niet ontkomt “aan den oorlogstoestand, die op alles, ook op een ramp als deze, een schril licht werpt.” Hij concludeerde niet erg enthousiast:

“Het verhaal is hier en daar zeer overtuigend; de eenige kerel aan boord van dit drijvend paleis is de Duitsche eerste-officier, die dapper alle grootere en kleine bandieten aan boord, van den schurkachtigen president, tot den slappen kapitein trotseert. Stuk voor stuk zijn deze figuren, en hun vrouwen, onsympathiek gehouden. Er zijn knappe staaltjes massaregie, maar over het algemeen ontkomt men niet aan den indruk, dat de niet genoemde regisseur de reportage van deze huiveringwekkende gebeurtenis toch niet aankon.”13

Een verslaggever van het Haagse dagblad De Residentiebode roemde het vakmanschap van de filmmakers. Hij schreef:

“De film is een boeiend relaas geworden van het leven op een zeekasteel als dit en bereikt in suggestiviteit en indrukwekkendheid haar toppunt in de weergave van de ramp, een staal van hoogstaand filmisch kunnen.”

Wel had hij een kanttekening te maken, want hij miste de vertolking van het christelijke lied ‘Nader mijn God tot U’, dat het scheepsorkest gespeeld zou hebben op het moment dat de ramp zich voltrok. Hij schreef beteuterd:

“Dit moment komt niet; wel laat de kapitein tijdens de laatste uren de scheepskapel spelen, doch dit neemt in de film niet die plaats in die het in de volksverbeelding ongetwijfeld heeft en voor het ‘Nader mijn God tot U’ wordt in het geheel geen aandacht gevraagd. Deze afwijking door het draaiboek van de geijkte voorstelling van de Titanic-affaire is niet gelukkig. Men vindt nu het hoogtepunt niet daar waar men het verwacht, hetgeen even onbevredigd laat. Het is alsof men in een film de gladiatoren de arena zou doen binnentreden zonder hun befaamden groet: zij die gaan sterven groeten U, of zou verzuimen, Caesar bij het overtrekken van den Rubicon het legendarische ‘de teerling zij geworpen’ te doen spreken. Er is nu eenmaal een mythe, die men niet zonder schade schendt.”14

Artikel uit Deutsche Zeitung in den Niederlanden van 28 april 1944 over ‘Titanic’. Bron: Delpher
Artikel uit Deutsche Zeitung in den Niederlanden van 28 april 1944 over ‘Titanic’. Bron: Delpher

Grote leugens over Engeland

In Duitsland werd ‘Titanic’ voor het eerst vertoond in 1950, zowel in West-Duitsland als Oost-Duitsland. In de communistische Duitse Democratische Republiek (DDR) werd een vrijwel onbewerkte versie goedgekeurd door de autoriteiten. De film bevatte immers geen specifieke nazistische elementen en kon gemakkelijk doorgaan voor antikapitalistische propaganda. Duitse krijgsgevangenen kregen de film naar verluidt ook te zien in krijgsgevangenenkampen in de Sovjet-Unie. In de Bondsrepubliek vond de première van een iets ingekorte versie plaats in Stuttgart. De stad viel van 1949 tot 1955 onder toezicht van de Amerikaanse High Commissioner nadat deze eerder onderdeel had uitgemaakt van de Amerikaanse bezettingszone. Volgens een correspondent van Nijmeegsch dagblad stond het publiek “in lange rijen voor de bioscoop”.15 Het Duitse tijdschrift Der Spiegel verklaarde dat de bevolking van Stuttgart “nooit eerder 1.600 mensen zo realistisch zien verdrinken.”16 Ook in Frankfurt zou er, volgens het Parool, veel belangstelling zijn geweest voor het zien van de film waarin

“Engelse vrouwen bepakt en beladen met juwelen naar de reddingsboten worden gedragen, terwijl honderden Duitse emigranten verdrinken”.17

In de voormalige Britse bezettingszone werd de film niet vertoond. Dat de film wel in de voormalige Amerikaanse zone draaide was tegen het zere been van de Britse commentator A.J. Cummings. Hij deed zijn beklag in de Britse krant News Chronicle. “Het lijkt mij”, zo wordt hij geciteerd in Trouw

“…een betreurenswaardige misvatting van hun taak, als hoge Amerikaanse officieren maar stil zitten en er niets tegen doen, wanneer een van Goebbels’ grote leugens over Engeland onder het publiek wordt verspreid.”

Het krantenartikel besluit: “Nauwelijks minder verbazingwekkend noemt hij [Cummings] het zwijgen van het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken. Cummings kan niet aannemen, dat Bevin [de Britse minister van Buitenlandse Zaken] onverschillig staat tegenover de uitwerking, die deze film op het Duitse volk heeft.”18 De kwestie werd behandeld in het Lagerhuis. Daar zou Bevin hebben verklaard dat de film “in de tegenwoordige vorm geen anti-Engelse tendensen bevatte”. De voormalige oorlogspremier Winston Churchill, op dat moment oppositie- en partijleider van de Conservative Party, zou gezegd hebben…

“dat een dergelijke film in de tegenwoordige toestand beter niet gedraaid kon worden”.19

Van 1943 naar 1997

Filmposter van de Titanic-film uit 1997
Filmposter van de Titanic-film uit 1997
Vier weken na de première werd de film door de Allied High Commission alsnog verboden in de voormalige Amerikaanse, Britse en Franse bezettingszone en in West-Berlijn. Het duurde tot 1955, toen de geallieerde commissies waren opgeheven, voordat de film in de Bondsrepubliek weer vertoond kon worden. Sindsdien is ‘Titanic’ behalve in de bioscopen ook vertoond op televisie en verspreid op VHS en DVD. Op IMDb.com wordt de film gewaardeerd met: 6,2/10. Daarmee is het verhaal over de film nog niet helemaal beëindigd, want enkele scènes eruit werden (in spiegelbeeld) hergebruikt in de Britse productie A Night to Remember uit 1958. Het ging om beelden van het model van het schip en de machinekamer die volloopt met zeewater. Het lijkt erop dat ook James Cameron zich bij het maken van zijn in 1997 uitgekomen blockbuster heeft laten inspireren door de nazifilm. Er zijn namelijk verschillende treffende overeenkomsten tussen beide films met dezelfde titel. Zo wordt er bijvoorbeeld in beide producties aan boord een kostbare diamant gestolen. Malte Fiebing van de Duitse Titanic-vereniging concludeert:

“Als je Selpins ‘Titanic’ vergelijkt met de versie van Cameron kun je constateren dat, op een prozaïsche manier, de jongere film niet minder anti-Brits is dan de film uit 1943. Behalve dat het verleden het standpunt veranderde. Cameron nam in feite veel motieven over uit ‘Titanic’, zelfs hele plots; van de opgesloten passagiers in het benedendek in contrast met de arrogante rijken van de eerste klasse, tot de ‘blauwe diamant’ […]. Sommige camerastandpunten vertonen zelfs een verbijsterende overeenkomst, bijvoorbeeld van de volgestroomde machinekamer. In beide Titanic-films worden de protagonisten geïntroduceerd terwijl ze de grote trappen af slenteren. Ondanks alle parallellen zal niemand Camerons epos een propagandafilm noemen.”20

De Cap Arcona voorafgaand aan de oorlog. Vermoedelijk in een Zuid-Amerikaanse haven. Bron: Collectie Malte Fiebing-Petersen
De Cap Arcona voorafgaand aan de oorlog. Vermoedelijk in een Zuid-Amerikaanse haven. Bron: Collectie Malte Fiebing-Petersen

Vriendelijk vuur

Tot slot mag het lot van de Cap Arcona niet onbenoemd blijven. Na gefungeerd te hebben als decor voor een film over een scheepsramp, werd het schip zelf het toneel van een tragedie van nog dodelijkere omvang. Met aan boord concentratiekampgevangenen werd het vaartuig op 3 mei 1945 door de Britse luchtmacht in de Lübecker Bocht gebombardeerd en tot zinken gebracht. Hetzelfde gebeurde tegelijkertijd met het vrachtschip de Thielbeck dat eveneens fungeerde als ‘drijvend concentratiekamp’. De vliegeniers van de Royal Air Force waren er niet van op de hoogte dat de schepen gevangenen van de nazi’s vervoerden. In totaal kwamen bij deze ramp, die plaatsvond op de valreep van de bevrijding, meer dan 7.000 mensen om. Historicus Robert Watson noemde het in een interview “‘s wereld meest fatale geval van vriendelijk vuur”.21

~ Kevin Prenger

Ook interessant: De ramp met de RMS Titanic (1912)
…of: De duurste én slechtst bekeken propagandafilm van de nazi’s

De Titanic-film uit 1943:

Noten en bronnen

Noten

1 – Fiebing, p. 45.
2 – Prainsack, p. 100.
3 – Ibid., p. 117.
4 – Ibid., p. 116.
5 – Fiebing, p. 54.
6 – Prainsack, p. 89.
7 – Fiebing, p. 79.
8 – Giesen & Hobsch, p. 434.
9 – Watson, op: YouTube
10 – Poley, pp. 24-25.
11 – Prainsack, p. 171.
12 – Delftsche courant, 20-04-1944.
13 – De Telegraaf, 10-07-1944.
14 – De residentiebode, 26-04-1944.
15 – Nijmeegsch dagblad, 10-04-1950.
16 – Fiebing, p. 68.
17 – Het Parool, 21-03-1950.
18 – Trouw, 22-03-1950.
19 – Nijmeegsch dagblad, 10-04-1950.
20 – Fiebing, p. 78.
21 – Watson, op: TracesOfWar.nl

Literatuur
– Malte Fiebing, Titanic (1943). Nazi Germany’s version of the disaster, 2012.
– Rolf Giesen & Manfred Hobsch, Hitlerjunge Quex, Jud Süss und Kolberg. Die Propagandafilme des Dritten Reiches, 2005.
– Hemma Marlene Prainsack, Diplomarbeit: ‘So sank die Titanic. Antibritische Propaganda im nationalsozialistischen Spielfilm’, 2013.
– Jared Poley, ‘Analysis of a Nazi Titanic’, New German Review, vol. 18, 2002-2003, pp. 7-27.
– Artikelen uit Nederlandse kranten via Delpher.nl
Titanic (1943)
Het verhaal over ‘de nazi-Titanic’ dat Robert P. Watson moest vertellen
Robert Watson’s The Nazi Titanic Lecture
The Nazi Titanic (1943) | Watch Old Movies Online

Vorige verhaal

Albrecht von Wallenstein – Duitse veldheer

Volgende verhaal

Konstantin von Neurath – Duits diplomaat

×