De Delftse donderslag, de buskruitramp van 1654

Een apocalyptische nachtmerrie

Op 12 oktober 1654 voltrok zich een grote ramp in Delft. Een opslagplaats in het noordoosten van de binnenstad, vol met buskruit, ontplofte en zorgde voor een enorme ravage. Hoeveel slachtoffers de ramp, die bekend kwam te staan als de Delftse donderslag, eiste is niet helemaal duidelijk. Historici vermoeden dat het er honderden moeten zijn geweest.

In het Kruithuis lag naar schatting 90.000 pond buskruit opgeslagen. De explosie was volgens de overlevering zo groot dat deze tot op Texel te horen was. De oorzaak van de ramp is nooit officieel vastgesteld. Historici vermoeden dat Cornelis Soetens, de beheerder van het Kruithuis, de explosie veroorzaakte toen hij met zijn lantaarn de opslagplaats binnenliep. Kort voor de ramp had men hem de opslagplaats binnen zien gaan. Er zouden vonken van zijn brandende lantaarn zijn overgeslagen op het buskruit. Het lichaam van Soetens is nooit teruggevonden.

Delft na de explosie, tekening door Gerbrand van den Eeckhout
Delft na de explosie, tekening door Gerbrand van den Eeckhout

De stad had niet alleen honderden doden te betreuren, ook de verwoesting was enorm. Zo’n vijfhonderd gebouwen raakten onherstelbaar beschadigd. Het gebied aan de Oostkant van de Verwersdijk werd volledig weggevaagd.

De beschilderde ramen in de Oude Kerk en de Nieuwe Kerk, die tijdens de Beeldenstorm nog gespaard waren, sprongen door de donderslag. Alles ging aan diggelen. In het dak van de Nieuwe Kerk zat daarnaast een groot gat en de muren van de Nieuwe Kerk zaten vol scheuren. Bomen waren ontworteld en verbrand.

- advertentie -

Een ontstelde bezoeker schreef over de ramp:

“Hele straten met hun bewoners, hele scholen met hun leerlingen, liggen begraven onder de puinhopen.”

Een visioen van de hel

Carel Fabritius, zelfportret (ca. 1645)
Carel Fabritius, zelfportret (ca. 1645)
Een van de slachtoffers was de beroemde kunstschilder Carel Fabritius, bekend van zijn schilderij Het puttertje. Fabritius bevond zich ten tijde van de Delftse donderslag in zijn woning aan de Doelenstraat. Niet alleen hijzelf, maar ook zijn schoonmoeder en vermoedelijk een van zijn broers werd onder het puin bedolven. In een boek over de kunstenaar schreef historica Deborah Davis in 2015 beeldend:

“Binnen een paar minuten was het juweeltje Delft veranderd in een apocalyptische nachtmerrie, een visioen van de hel. De schade aan de gebouwen was schokkend om te zien. De smeulende wolk vuur en de storm die die had veroorzaakt, had menselijke resten met zich meegesleurd – ook hoofden en ledematen die van hun romp gescheiden waren – en die over de stad verspreid.”

Ongeveer zeven uur na de donderslag werd Carel Fabritius zwaargewond onder het puin vandaan gehaald. Hij werd nog overgebracht naar een gasthuis maar het mocht niet baten. De verwondingen waren te erg. Zijn “arme ziel verliet het verschrikkelijk gekwetste lichaam”. Carel Fabritius werd slechts 32 jaar oud. Aangenomen wordt dat door de ontploffing brand ontstond, waarbij alle schilderijen in zijn atelier verloren gingen.

Een geluk bij een ongeluk was nog dat op de dag van de ramp de Varkensmarkt gehouden werd in Schiedam. Veel inwoners van de stad waren hierdoor niet in Delft aanwezig toen het kruithuis ontplofte.

De ontploffing van het Kruithuis in Delft, 12 oktober 1654, Hendrik de Winter, naar Egbert Lievensz. van der Poel, 1758
De ontploffing van het Kruithuis in Delft, 12 oktober 1654, Hendrik de Winter, naar Egbert Lievensz. van der Poel, 1758

Wederopbouw

De wederopbouw van de stad nam jaren in beslag. Andere steden in Holland waren begaan met de Delftenaren en hielden inzamelingsacties. Verhalen over de ramp en de enorme ravage gingen als een ‘lopend vuurtje’ rond. Favoriet was het verhaal over de redding van een meisje van ongeveer anderhalf jaar oud. De peuter werd tussen de brokstukken van haar ouderlijk huis gevonden. Ze zat blij rechtop in haar kinderstoel, met een appel in haar hand. Een ooggetuige meldde dat het meisje haar redders “een lief lachje” schonk. Pas na haar redding begon ze te huilen.

Vondel
De beroemde dichter Joost van den Vondel schreef een gedicht over de ramp. Enkele zinnen:

Nu zaeghthe, hier op Hollants gront,
Vesuvius in zynen mont,
Te Delf, daer, tegens styl en orden,
Ons kruit, ‘s lants vyandin geworden,
Stadthuis ontziet, noch kerckgewelf,
En delft een burgergraf voor Delf.
In puin, en menschevlees, en golven.
Van gloeiende assche en glas gedolven.
Wie wort van bitter schreien moe?
De woest hooftstadt huilt u toe

Lesje geleerd

Op het grootste deel van het getroffen gebied werden woningen gebouwd. En er kwam ook een nieuw Kruithuis. Delft had echter geleerd van de ramp. De nieuwe opslagplaats werd ver buiten de stadsmuren gevestigd.

Ook interessant: Leidse buskruitramp (1807)
Boek: Fabritius, schilder van Het puttertje

Bronnen

– De werken van J. van den Vondel: 1654-1655
– Fabritius, schilder van Het puttertje: leven en werk van een zeventiende-eeuwse meester – Deborah Davis
– http://www.wikidelft.nl/index.php?title=Het_Kruithuis#Delftse_Donderslag

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Meer van dit soort berichten? Like ons dan!

Gelijk naar geschiedenisboeken over:
Ook adverteren op Historiek?
Goede keus! Klik hier