Felle kritiek op Srebrenica-rapport van het NIOD

Het Srebrenicasyndroom – Eelco Runia

Waarschuwing: dit is een lang verhaal. Voor wie daar geen zin in heeft, het volgende. In 1995 kwamen onder het toeziend oog van de internationale gemeenschap, in persoon van Dutchbat, 8000 moslims om het leven. Het NIOD-rapport dat zou moeten ophelderen waarom dit kon gebeuren deed dit niet. Dit boek stelt aan de orde waarom het NIOD volgens Runia faalde: het rapport bevat geen analyse, wijst geen oorzaken aan en ontwijkt zo willens en wetens de schuldvraag. Waarom dat zo is, wat dat zegt over historici en over de invloed die de geschiedenis kan hebben op het heden komt tevens aan bod. Het telt minder dan honderdvijftig pagina’s, roept allerlei vragen op en komt met keiharde conclusies over het onderzoek. Het is provocatief, het is tendentieus en het legt vingers op zeer pijnlijke plekken. Het zal genoeg mensen tegen de haren in strijken, maar dat hoort een boek te doen. Lezen dus.

Stukje geschiedenis

Eerste pagina van het NIOD-rapport
Eerste pagina van het NIOD-rapport
Dit is een curieus boek, om maar gelijk met de deur in huis te vallen. Het boek van Eelco Runia behandelt de nasleep van Srebrenica, met name in Nederland. Volgens Runia, docent theoretische geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, schoot het NIOD-rapport, dat duidelijk had moeten maken hoe de massamoord kon gebeuren, onherroepelijk tekort, en draagt het zo bij aan het voortduren van het trauma Srebrenica.

Dat het team van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie faalde is geen nieuwe claim. Voor de wereldgemeenschap was het verbijsterend wat zich in juli 1995 in en rond Srebrenica afspeelde. De Nederlandse politiek erkende dat en beval het NIOD uit te zoeken hoe het zo ver had kunnen komen. Het in 2002 verschenen rapport – ruim 6000 pagina’s – was, in ieder geval voor de meer kritische historicus, al even verbijsterend. Vrijwel direct na publicatie volgden scherpe reacties van eveneens aan de Rijksuniversiteit Groningen gelieerde historici als Rik Peters, Sipke de Hoop, de in geschiedfilosofische kringen legendarische Frank Ankersmit, en Eelco Runia zelf.

In november 2002 organiseerden Ankersmit en Peters een congres in Leiden over het rapport, zoals dat hoort binnen academische kringen. (link) De Groningse historici bedekten het falen niet met de mantel der collegiale liefde en dat werd hen niet in dank afgenomen. Hans Blom, directeur van het NIOD en hoofdverantwoordelijke voor het rapport, beschuldigde Sipke de Hoop van “stemmingmakerij” (link) en noemde een artikel van Eelco Runia “borrelpraat met geleerde voetnoten” en getuigend van “intellectuele luiheid.” (link) Een van de andere betrokkenen vertrouwde ooit een collegezaal toe dat het attaqueren van het NIOD-rapport in carrièretechnisch opzicht geen handige zet bleek.

- advertentie -

Homo historicus

Dat het rapport op punten in ieder geval twijfelachtig was kwam daarom al vrij snel aan het licht en kan door eenieder die de tijd en moeite neemt het werk door te spitten bevestigd worden. Ophelderen wat er precies gebeurde in Srebrenica is gelukt – mede dankzij het grote aantal getuigen en de enorme massa aan verwerkte feiten. Waarom het zo mis kon gaan blijft evenwel volledig ongewis. Dat roept twee vragen op: waarom ging het fout, en waarom heeft het NIOD daar geen antwoord op weten te geven? De eerste vraag is gisteren door Argos aan de orde gesteld, over de tweede vraag buigt Runia zich. Hij wil aantonen waarom het rapport van meet af aan gedoemd was. Omdat Runia behoort, zoals hij het zelf ooit verwoordde, tot die ondersoort van de homo historicus die de historicus zelf tot zijn subject heeft gemaakt, wil hij tevens aantonen welke lessen er getrokken kunnen worden uit het falen van het NIOD. Dat wil echter niet zeggen dat de auteur zich uitsluitend tot mede-historici richt. Bepaald niet.

Hoe?

Zoals dat goede onderzoekers betaamt stelt Runia een vraag om zijn onderwerp te lijf te gaan, een vraag die hij in eerdere werken eveneens heeft gesteld en die exemplarisch is voor zijn vorm van geschiedschrijving: wie zijn wij dat dit heeft kunnen gebeuren? Het is dezelfde vraag die Tolstoy stelde in Oorlog en Vrede, Victor Hugo in Les Miserables, Michel Tournier in De Elzenkoning en Jonathan Littel in The Kindly Ones: hoe is dit mogelijk? Deze vraag wordt niet voor niets gesteld. De invasie van Rusland door Napoleon, de Franse revoluties en de Holocaust zijn allen voorbeelden van wat een historisch trauma genoemd wordt, een gebeurtenis die het voorstellingsvermogen te boven gaat en die hetgeen voor mogelijk gehouden werd radicaal verandert.

Met Srebrenica diende zich voor Nederland volgens Runia eenzelfde trauma aan. Onder het oog van de gehele wereldgemeenschap deed Mladic iets waarvan iedereen tegen beter weten zeker wist dat het niet zou gebeuren: hij ging voorbij aan de wens van de internationale gemeenschap, nam de enclave in en decimeerde de moslimpopulatie. Het rapport dat daarop volgde bood Runia een unieke kans: niet alleen lag de affaire zelf in de zeer recente geschiedenis, ook de poging van Nederland, onder leiding van het NIOD aangestuurd door de Nederlandse staat, om in het reine te komen met dit echec, lag amper achter ons. Het mes snijdt daarom aan twee kanten: enerzijds, wat zegt het over ons dat in 1995 bijna 8000 Bosnische moslims het leven lieten; anderzijds, wat zegt het over ons dat het door ons aangewezen onderzoeksinstituut daar geen adequaat rekenschap van heeft weten te geven?

Parallel processing

Het antwoord op beide vragen blijkt: nogal wat. Via een inwijding in zijn verleden als psycholoog en een uitvoerige behandeling van de gedragingen van het onderzoeksteam, de omstandigheden waaronder het moest – en wilde – werken en de nodige persoonlijk anekdotes komt Runia tot de conclusie dat er sprake moet zijn geweest van parallel processing gedurende het onderzoek. Parallel processing is een psychologisch fenomeen dat onder artsen en psychologen niet ongebruikelijk is, wanneer zij tijdens supervisiegesprekken of in sociale situaties waarin zij zelf aan de tand gevoeld worden zich zo gaan gedragen als de patiënt aan wiens gedrag zij zich in het verleden gestoord hebben. De vergelijking gaat vanzelfsprekend niet één op één op. Wie is in dit geval bijvoorbeeld de patiënt?

Om dat duidelijk te maken verwijst Runia naar theoretisch historicus en expert in traumastudies Dominick LaCapra. Volgens LaCapra zijn er twee uitersten waarop historici met hun emotionele reacties op hun onderwerp omgaan: of ze identificeren zich dermate met hun onderwerp dat ze proberen de ervaringen van de mensen die ze bestuderen te herbeleven, of ze objectiveren volledig en gaan over tot een totale ontkenning van enige vorm van emotionele reactie. Verwijzend naar artikelen van Blokker en van der Horst stelt Runia dat er in het NIOD-team van beide sprake was, en dat die twee constant met elkaar in de clinch lagen. Daarom volgde een psychologisch compromis: omdat het onderwerp dermate dichtbij lag en de feiten zich opdrongen kon het NIOD niet anders dan zich gaan identificeren met het onderwerp, maar omdat het tegelijkertijd uit alle macht trachtte enige vorm van emotie buiten de deur te houden werd het het equivalent van de derde partij die specifiek door de Verenigde Naties was opgedragen geen partij te kiezen en af te schrikken door aanwezigheid.

Pijnlijk

Op zichzelf is dat al een interessante constatering, want het toont in de praktijk aan wat historici tijdens hun eerste colleges verteld wordt: dat ze risico’s lopen bij het bestuderen van hun subject. In het geval Srebrenica is dat des te erger omdat politici vervolgens lering trokken uit een fundamenteel aangetast rapport. Daarmee is de kous echter niet af. Het is één ding te claimen dat het onderzoeksteam zich in verregaande mate geïdentificeerd heeft met Dutchbat, het is iets heel anders hard te maken waar dat uit blijkt. Specifieker: wat gebeurt er wanneer een historicus, of in dit geval een team historici, in aanraking komt met een zeer pijnlijk onderwerp?

Provocaties

Vervolgens rest de vraag waar dat dan uit blijkt, dat het NIOD weigerde partij te kiezen en net als Dutchbat trachtte door aanwezigheid een resultaat af te dwingen. Het eerste is tamelijk eenvoudig vast te stellen – dit is slechts één voorbeeld: Blom gaf naderhand in een interview met de Volkskrant aan dat het rapport “expliciet” de vraag open laat of de leiding van de missie “aan de professionele eisen van leiderschap” heeft voldaan. Met andere woorden: het team kiest bewust geen partij voor zij die vinden dat er door de leiding verkeerd gehandeld is, maar pleit de leiding ook niet vrij, en dat is volgens Blom precies zoals het hoort te zijn. Dat uiteindelijk niemand daar wijzer van wordt ontgaat hem, zoals Runia terecht stelt. Het rapport blijft zo een onbevredigende hoop feiten loos van lessen over de toedracht van het falen van de missie, en laat de lezer – Runia, in dit geval – achter met een nogal onbevredigend gevoel. Het rapport vertelt, maar verklaart niet.

Het tweede deel van de vraag blijkt niet zozeer uit de inhoud van het rapport als wel uit de gedragingen van het NIOD na de publicatie van het rapport. Via een lijst provocaties beargumenteert Runia dat het NIOD, net als de leiders die het weigeren expliciet te veroordelen, weigerde verantwoordelijkheid te aanvaarden voor hetgeen zij afgeleverd hadden. Het was niet hun schuld dat het rapport zo geworden was zoals het was want zij hadden enkel de feiten weergegeven zoals die zich aandienden. Daarom duldde men geen kritiek: er was louter verteld wat er gebeurd was, de speculatieve conclusies waar iedereen naar smachtte waren niet aan hen besteed. Hetzelfde gold voor de Nederlandse rol in Srebrenica: dankzij de omstandigheden waaronder Dutchbat moest functioneren – die, in tegenstelling tot die van het NIOD, wel echt schrijnend waren – kon achteraf niet met goed fatsoen gezegd worden dat het de schuld van Dutchbat was. De politiek verantwoordelijken gooiden net zo makkelijk alle kritiek over de schutting door subiet hun aftreden aan te kondigen na de verschijning van het rapport, en daarmee zou het klaar moeten zijn.

Ongemakkelijk

Het Srebrenicasyndroom - Eelco Runia
Het Srebrenicasyndroom – Eelco Runia
Niet dus, zoals de nabestaanden twintig jaar na dato nog steeds duidelijk maken, en zoals Runia hier ook beschrijft. Srebrenica levert, voor hen die zich er in verdiepen, nog steeds een bijzonder ongemakkelijk gevoel op, zo ook voor Runia. In zijn geval resulteert het tevens in een bijzonder lezenswaardig – hoewel op punten voor leken pittig – boek. Maar ook een vreemd boek. Dat het geschreven is in de eerste persoon is voor een historisch werk tamelijk ongebruikelijk. Dat het daarbij de indruk wekt in één lange haal geschreven te zijn – met stijlvormen als “ik hijgde even uit” om de inspanning te verbeelden – en bij tijden als een thriller leest, maakt het des te meer afwijkend.

Afwijkend is evenwel geen slecht iets, in dit geval. Waar het NIOD plechtig alle conventies probeerde na te leven en zo onpartijdig mogelijk trachtte te vertellen wat er gebeurd was, daar gaat Runia wars van alles vol in de aanval. Terecht, want het is één ding te falen in het uitvoeren van je taak, het is iets heel anders daar ook nog eens niet adequaat rekenschap van te geven. Dan blijft het, zoals de redactie van nieuwssite ThePostOnline het enige tijd geleden noemde, “een wond die maar blijft etteren.” Verplicht leesvoer voor alle jonge historici en iedereen die wil weten hoe een samenleving al dan niet met een trauma om gaat.

~ Gertjan Haaijer

Bestel dit boek bij:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister

Gelijk naar geschiedenisboeken over: