Ouderwetse zakdoek (Publiek Domein - wiki)

Kwajongensstreken in de Koloniën van Weldadigheid

De Maatschappij van Weldadigheid wilde de armen ‘opbeuren’ uit de ‘zedelijke verbastering’ waar zij door hun jarenlange armoede in terecht gekomen waren. Zij stichtte van 1818 tot 1825 de koloniën Frederiksoord, Wilhelminaoord, Willemsoord, Ommerschans en Veenhuizen. Wil Schackmann schreef over die koloniën van weldadigheid vier boeken: De proefkolonie, De bedelaarskolonie, De kinderkolonie en De strafkolonie. Dertien weken lang publiceert hij op deze plek Verhalen uit de koloniën, afkomstig uit die boeken en uit het restmateriaal.

“Dan kan zij zwemmen als een vischje”

Kwajongensstreken zullen van alle tijden zijn. Je mag er van uitgaan dat je eigen voorvader ook kattenkwaad uitgehaald heeft, maar normaliter kom je daar niets van te weten. Tenzij die voorvader in de koloniën van weldadigheid heeft geleefd, want dan komen de streken terecht bij de Raad van Politie en Tucht. Zomaar een greep.

De dertienjarige Frederik Leonhardt uit Wilhelminaoord wordt ervan beschuldigd ‘baldadigheid te hebben gepleegd aan de school in de Oostvierdeparten’. Het misdrijf zou zijn begaan op 11 juli 1838 toen hij ‘met zijne makkers’ van de katoenweverij naar huis liep, het had bestaan uit het ‘met steenen, op de school te gooijen’ en de getuige à charge is de schoolmeester: ‘Daar ik nog met het onderwijs bezig was, had ik ook gelegenheid, na zulks eenmaal vernomen te hebben, de dader te kunnen gade slaan.’

In eerste instantie had Frederik al duidelijk gemaakt dat er niet naar de school zelf maar alleen op het dak van de school gegooid was. Ten tweede was er volgens hem geen sprake geweest van stenen maar van ‘een steentje’. En tenslotte had Frederik dat ene onbenullige steentje alleen maar gegooid ‘op aanraden van’ een met name genoemde kameraad.

Blijkbaar heeft Frederik op het laatste moment geen trek om dat verhaal op de tuchtzitting van 21 juli 1838 nog eens te herhalen. ‘Den beschuldigde niet verschenen, doch de vader komt binnen, te kennen gevende, dat zijnen zoon hem onder den weg was ontloopen.’ De raad onderhoudt dan maar die vader over ‘de verkeerdheid’ van Frederik en ‘draagt hem op de zoon hierover ernstig te onderhouden’.

Plattegrond Maatschappij van Weldadigheid in de tweede helft van de 19e eeuw: Willemsoord, Frederiksoord, Wilhelminaoord en kolonie VII (Publiek Domein – wiki)

Twee jongens van zestien en twee jongens van vijftien jaar zouden ‘baldadigheid hebben gepleegd aan de katoenfabriek in kolonie no 1’. Meer concreet staan zij onder verdenking ‘een gedeelte des muurs van het secreet bij de katoenweverij te hebben afgebroken’. De jongens zijn het er niet mee eens. Ze hebben een verweer, maar niemand vindt het nodig te noteren waar dat verweer uit bestaat.

Bij de eerste zitting heet het ‘onder allerlei uitvlugten willen zij de waarheid trachten te ontduiken’ en de tweede keer wordt genotuleerd: ‘De beschuldigden binnen geroepen zijnde, willen zij allen hunne onschuld te kennen geven, zijnde de Raad echter genoegzaam van hunne schuld overtuigd.’ Aldus monddood gemaakt worden de twee jongsten veroordeeld tot twee dagen opsluiting in de strafkamer op de kolonie. De twee oudsten moeten vier dagen zitten, met om de andere dag te water en brood, en met ook nog eens de toevoeging ‘zullende het beschadigde uit het zakgeld van de twee oudsten worden hersteld’.

In diezelfde katoenfabriek is een groepje van vier jongelui over de schreef gegaan. Ze zijn betrapt op het ‘zingen van ongepaste liederen’. Over dat lied wil ik natuurlijk meer weten. Het blijkt ‘een ontuchtig lied” te zijn, ‘waarin de Rooms katholieke Pastoor de heer van Dam, betrokken was’. Dan weet ik nog niet zoveel als ik weten wil, maar de precieze tekst wordt helaas niet geciteerd.

De jongens ontkennen dat niet, maar verklaren ‘dit van de andere wevers die zulks ook gezongen zouden hebben, te hebben gehoord’. Dat klinkt plausibel, maar de raad van politie en tucht heeft er geen boodschap aan. Ze smeert hun bij die gelegenheid acht dagen opsluiting aan de broek.

Boeken van Wil Schackmann over de Koloniën van Weldadigheid
Kwajongens blijven kwajongens als ze de twintig naderen. Als een jongejuffer uit het nabij de kolonie gelegen Nijensleek op een zondagavond ‘de Godsdienstoefening had bijgewoond, die in de Hoofdschool van kolonie no. 2 wierd gehouden’ en terug naar huis wil, besluiten enkele opgeschoten kolonistenzonen een potje met haar te gaan dollen.

‘Zij hadden haar dan gegrepen en tegen den grond gegooid.’ Een 21-jarige jongen zou gezegd hebben:

‘Laten wij haar in de vaart smijten, dan kan zij zwemmen als een vischje.’

Dat gebeurt niet, dit staaltje zinloos straatgeweld eindigt zonder lichamelijk letsel. Er is alleen materiële schade: ‘Haren zakdoek is bij die gelegenheid te zoek geraakt en haar oorijzer beschadigd.’

~ Wil Schackmann

Reeks: Verhalen uit de Koloniën van Weldadigheid
Ook interessant: Van wees tot werkpaard: de Kinderkolonie
Overzicht van boeken van Wil Schackmann