De Monsun Gruppe: Duitse onderzeeërs in de Indische oceaan

Oorlog aan het einde van de wereld

Door globalisering is het tegenwoordig eenvoudig om naar alle uithoeken van de wereld te reizen. Goederen en mensen gaan razendsnel de hele aarde over. In het verleden was dit anders. Zeker tijdens de Tweede Wereldoorlog zal reizen extra lastig zijn geweest. Vijandelijke patrouilles, goed onderhoud en geregelde bevoorrading waren slechts drie van de problemen. Voor de mannen van de Monsun Gruppe, de Duitse onderzeeërs die in de Indische Oceaan vochten, zal het extra moeilijk zijn geweest. Schepen waren vaak maanden onderweg om enkel op locatie aan te komen…

De Duitse admiraal Erich Raeder (cc - Bundesarchiv)
De Duitse admiraal Erich Raeder (cc – Bundesarchiv)
Hoewel er veel geschreven is over de duikbotenoorlog in de Atlantische Oceaan, is het Indische strijdtoneel relatief onderbelicht gebleven. Toch had de Duitse marine een speciale vloot van U-boten samengesteld die als taak had om naar de Indische Oceaan af te varen om daar de geallieerde scheepsvaart te verstoren en contact met de Japanners te onderhouden. De basis die hier werd opgezet, Penang, was de enige keer dat Japanse en Duitse troepen intensief samenwerkten.

Japan en Duitsland

Voor 1941 was er door de Duitsers wel eens nagedacht over het vechten in de Indische Oceaan, maar het had weinig prioriteit. De strijd in de Noord-Atlantische Oceaan was belangrijker. De U-boten, zoals de Duitsers hun onderzeeërs noemden, dienden om de Engelse bevoorrading te verstoren. Zij moesten alleen of in groepsverband jagen op koopvaardijschepen. Het opereren in de Indische Oceaan was niet voordelig, want de U-boten zouden dan op de grenzen van hun vermogen werken. Ze waren lang aan het reizen en konden niet eenvoudig bevoorraad worden. Als er iets gebeurde was ondersteuning ver weg. Daarom werd gekozen om geen schepen die kant op te sturen.

Oppervlakteschepen werden gebruikt voor het transport tussen Japan en Duitsland. In het verre oosten waren materialen beschikbaar die de Duitse oorlogsindustrie hard nodig had, zoals kinine, rubber en wolfraam. Anderzijds bezaten de Duitsers technologie die de Japanners graag wilden hebben. Verschillende schepen werden erop uitgestuurd om de Europese havens aan de Japanse havens te verbinden, maar de verliezen waren groot. Van de 37 schepen die aan de reis begonnen, kwamen er 20 niet meer terug. Door deze excessieve verliezen besloot admiraal Erich Raeder hier niet mee door te gaan. Er moest een betere techniek komen.

- advertentie -

In de herfst en winter van 1942 werd wel een experiment met verschillende duikboten in de buurt van Kaap de Goede Hoop gedaan, maar dit was geen succes. De tijd en moeite die het kostte woog niet op tegen de schade die daar werd toegebracht.

Het plan

De Duitse marinecommandant Karl Dönitz
De Duitse marinecommandant Karl Dönitz
In december 1942 werd door Japan een voorstel gedaan om samen te werken. Hierop kwam geen reactie, maar in de lente van 1943 probeerden zij het opnieuw. Aanvankelijk zag men weinig in samenwerking, maar er werd toch toegestemd. De Japanners vroegen twee Duitse onderzeeërs om te bestuderen en mogelijk te kopiëren. Een daarvan werd toegezegd.

De toestemming kwam tot stand doordat er enkele veranderingen hadden plaats gevonden. Sinds januari 1943 had Karl Dönitz, voorheen de bevelvoerder van de onderzeevloot, de leiding over de Duitse marine. Tezamen met het verlies van enkele belangrijke oppervlakteschepen werd ervoor gekozen om de duikboten een nieuwe impuls te geven.

Duitsland kon profiteren van een extra haven. Duitse schepen konden namelijk niet aanleggen in overzeese havens en slechts een beperkt aantal neutrale landen was bereid hulp te verlenen. De reistijd naar de patrouillegebieden zou afnemen.
Voor operatie Barbarossa, de Duitse inval van de Sovjet-Unie, was het nog mogelijk om over land en door de lucht contact met Japan te onderhouden. Daardoor moest een nieuwe manier bedacht worden om informatie en goederen uit te wisselen. Die werd over, of onder, de zee gevonden.

Dönitz had het idee om duikboten in te zetten voor de handel met Japan. Ze konden lange afstanden afleggen en ongezien blijven. Ze vervoerden daarentegen wel minder. Zeker toen de productie van synthetisch rubber op gang kwam, en er dus minder rubbertransport nodig was, kon er worden overgegaan op het transport van andere waardevolle materialen, zoals kinine. De plannen voor ongewapende transportonderzeeërs werden eerst goedgekeurd, maar later toch weer stopgezet. De oorlog keerde zich tegen nazi-Duitsland en de duikbootvloot had flinke verliezen geleden. In mei 1943 waren er 43 U-boten verloren gegaan. Dönitz voelde er dus weinig voor om zijn eigen slagvaardige onderzeeërs op te geven. In plaats daarvan werd aan de Italianen gevraagd of zij bereid waren hun duikboten in te leveren. Ze waren volgens Dönitz toch niet geschikt voor moderne oorlogvoering.

Daarnaast zal meegespeeld hebben dat er nu nieuwe jachtgronden konden worden geopend. De Indische Oceaan was een gebied waar nog weinig operaties werden uitgevoerd, waardoor de schepen minder voorbereid waren op torpedoaanvallen. Schepen voeren niet in konvooiverband omdat er te weinig oorlogsschepen waren.

Twee boten werden erop uitgestuurd, de U-511 en de U-178. De U-178, die oorspronkelijk in maart 1943 op uit was gestuurd om te patrouilleren in de Straat Mozambique, moest ineens uitwijken naar Penang. Daar diende een basis te worden opgezet, waar Wilhelm Dommes van aan het hoofd kwam te staan. Hij was in januari 1933 bij de marine begonnen nadat hij een periode bij de koopvaardij had doorgebracht. Sinds april 1940 zat hij bij de onderzeeërs. Het idee was dat het uiteindelijke commando in de handen van iemand anders zou komen. Na een moeizame tocht arriveerde de U-178 op 27 augustus 1943 in Penang.

De U-511, die op 10 mei 1943 vertrok, werd naar Penang gestuurd om ter bestudering aan de Japanners te worden overgedragen. De U-511 arriveerde echter eerder dan de U-178. De duikboot werd overgedragen aan de Keizerlijke Japanse Marine en ging verder onder de naam RO-500. De bemanning van de U-511 bleef achter en kon als vervangend personeel optreden voor latere boten.

RO 500 (U-511)
RO 500 (U-511)

De overtocht

De overtocht van de onderzeeboten was lang en moeizaam. De bemanning zat maandenlang opgesloten in een metalen buis waar iedere meter benut moest worden. Er was slechts één toilet. Discipline werd gehandhaafd door kaartwedstrijden, schaaktoernooien en muziek. Daarnaast was er een filmprojector. De kok probeerde het monotone eten af te wisselen voordat het bedierf. De bedden werden gedeeld, waardoor de Duitse matrozen geen echte plek voor zichzelf hadden.

Iedereen kreeg slechts één liter drinkwater per dag om zich te wassen. Douchen gebeurde met zeewater. Ziektes kwamen voor door de hoge temperatuur en de vochtige lucht. De dokter werkte om dit te voorkomen, maar in zulke omstandigheden waren aandoeningen onvermijdelijk. Deze combinatie van slechte hygiëne, claustrofobische ruimtes, en gebrekkige voeding zorgde ervoor dat de reis zowel lichamelijk als mentaal zwaar was.

De U-181, met een bemanning van 6 officieren en 59 matrozen, maakte de overtocht naar Penang in maart 1944. De bemanning had bij het verlaten van de haven in de Golf van Biskaje het dag- en nachtritme omgedraaid. Ontbijt werd om 7 uur ’s avonds geserveerd, lunch rond middernacht en om 6 uur ’s ochtends kreeg de bemanning avondeten. Overdag sliep men en bleef de duikboot onder het wateroppervlakte. ’s Avonds kwam hij naar boven om de batterijen op te laden. Pas na het voorbijgaan van Sint Helena ging de bemanning over op een normaal dag/nacht ritme. Pas na 146 dagen bereikte de U-181 Penang.

Monsun Gruppe

In juni 1943 werd de eerste groep boten op weg gestuurd. Zij zouden de kern voor de Monsun Gruppe vormen. Van de elf boten bereikten er vier het Aziatische eiland. De bedoeling was dat er een speciale transportduikboot, de U-462, zou meegaan. Deze werd echter tot twee keer toe aangevallen en beschadigd door aanvallende vliegtuigen. Hierdoor werd er een andere tankonderzeeër op uitgestuurd, de U-487, alleen deze zonk voordat hij de andere Monsun boten kon bijtanken. Daarop werd de U-516 opgedragen om de andere boten van brandstof te voorzien en terug te keren. Vier andere boten gingen verloren, waarvan drie het gevolg waren van aanvallende geallieerde vliegtuigen.

Het gebrek aan brandstof zorgde voor een probleem. Een van de boten van de Monsun Gruppe werd daarom ingezet om de andere bij te tanken, net als eentje die al in het gebied aanwezig was.

De U-847 kreeg ook opdracht brandstof over te dragen. De boot had een onervaren bemanning, wat zich volgens andere commandanten uitte in het onderschatten van gevaren. De bemanning van de U-847 stond bij het bijtanken gewoon op het schip, terwijl de bemanning van het bijgetankte schip klaar stond voor vijandelijke actie. De kapitein, Herbert Kuppisch, zou het bevel over de basis in Penang overnemen, maar hij kwam om toen de U-847 in augustus 1943 zonk.

De U-848, een van de onderzeeboten van de Monsun Gruppe
De U-848, een van de onderzeeboten van de Monsun Gruppe

Vijf boten wisten de Indische Oceaan te bereiken. Daar werden ze bijgevuld door een tankschip en weer op weg naar Penang gestuurd. Om problemen te voorkomen werd besloten dat duikboten andere duikboten niet aan mochten vallen. De Duitse en Japanse leiding waren bang voor incidenten.

Toch was Penang nog ver weg. De U-533 werd in de golf van Aden aangevallen door een Britse bommenwerper en tot zinken gebracht. Günther Schmidt was op dat moment met een officier in de commandotoren aanwezig. Tijdens het zinken van het schip wisten ze het luik open te krijgen. Vanaf een diepte van 60 meter schoten ze omhoog door de waterdruk. De officier overleed later en Schmidt werd na 28 uur zonder reddingsvest gered. Hij zat de rest van de oorlog uit als krijgsgevangene.

De overige boten kwam in november 1943 aan in Penang. In de basis waren nu: U-178, U-532, U-188, U-168, U-183. Zij vormden gezamenlijk de Monsun Gruppe. De boten moesten eerst een onderhoudsbeurt krijgen, voor ze opnieuw ingezet konden worden.

Versterkingen

In het najaar van 1943 werden er vijf nieuwe boten op uit gestuurd om de Monsun gruppe aan te vullen. Opnieuw was de overtocht gevaarlijk en slaagden niet alle boten erin Penang te bereiken. De U-219 werd ingezet om de U-510 bij te vullen en moest daarna terugkeren naar Frankrijk. De andere drie boten gingen verloren bij vliegtuigaanvallen. De U-510 was de enige die Penang bereikte. Onderweg had zij nog vijf boten tot zinken gebracht. Zij arriveerde in april 1944 in de haven.

Later werden nog 23 nieuwe duikboten erop uitgestuurd om hulp te bieden. Slechts 9 hiervan bereikten Zuidoost Azië. Onderweg naar het oosten kwam de U-852 het Griekse schip Peleus tegen. Omdat kapitein Heinz-Wilhelm Eck bezig was met een geheime missie, besloot hij het schip te torpederen en de overlevenden neer te schieten. Na de oorlog moest Eck voor een rechter verantwoorden. Hij werd ter dood veroordeeld en geëxecuteerd.

Enkele Italiaanse onderzeeërs die waren meegestuurd hadden eveneens weinig succes. Twee verdwenen in de zee, terwijl twee anderen overvallen werden door de Italiaanse overgave. Zij werden overgenomen door de Duitsers.

De basis Penang

Penang, een eiland in het noordwesten van Maleisië, was voorheen gebruikt als watervliegtuigbasis door de Britten. Nadat de Japanners het veroverd hadden, richtten zij het eerst in als een basis voor oppervlakteschepen. Pas later werd er omgeschakeld naar onderzeeërs. De blanke arbeiders die er voorheen werkten, waren vervangen door Japanse en lokale werkers. Later werd pas besloten dat de Duitsers ook gebruik mochten maken van de haven. Nadeel was echter dat de Duitse vloot in Penang slechts vijf duikboten kon bevatten, omdat er niet meer ruimte in de scheepswerven was.

Als kleinere basissen werden Soerabaja, Djakarta (voorheen Batavia onder Nederlands bestuur), en Singapore aangewezen. Vooral groot onderhoud moest in Singapore plaatsvinden, waar schepen goed gerepareerd konden worden. De beperkte ruimte had direct invloed op de slagvaardigheid van de vloot. Doordat er niet veel ruimte was, kon de vloot ook niet te veel uitbreiden.

Bron: bernardcheong.com
Bron: bernardcheong.com

De samenwerking tussen de Japanners en de Duitsers op de basis verliep niet optimaal. Er waren verschillen in mentaliteit, ideologie, efficiëntiestandaard, fysieke en ideologische aanpak. Hierdoor was maximale samenwerking niet mogelijk. In Japan hadden het leger, de marine en de economische groepen andere visies op de oorlog. De Japanners hechtten meer belang aan etiquette en rang waardoor ze minder flexibel in de omgang waren. De Duitse troepen hadden nooit enige voorbereiding op de Japanse cultuur gehad. Problemen ontstonden bijvoorbeeld doordat de Japanners weigerden om voor een blanke te werken. Het gevolg was dat de bemanning zelf al het onderhoud uit moest voeren.

Voor het Duitse personeel werd een boekje uitgegeven over hoe zij zich dienden te gedragen tegenover de Japanners. Eten van marktkramen was verboden vanwege het risico op tyfus en cholera. Iedere alcoholische drank, behalve bier, was niet toegestaan. Desondanks traden bepaalde tropische ziektes, zoals malaria en huidaandoeningen, wel op.

Communicatie tussen de commandoposten verliep goed. Iedere basis had een eigen radiostation en er was contact met de Duitse staf in Tokio. Radioverkeer met Duitsland was soms mogelijk, maar hing af van het seizoen en het tijdstip. Telefoonlijnen tussen Penang en Singapore waren aanwezig, maar die werden veel door de Japanners zelf gebruikt.

Reparaties

Vooral de reparaties bleven lastig. De bemanning kon niet al het onderhoud zelf uitvoeren. De benodigde specialisten waren in Duitsland en niet in Zuidoost Azië beschikbaar. Groot onderhoud was wel nodig, want het klimaat legde een extra druk op het materiaal en de herstellingen. Onderhoud werd vooral in de ochtend of in de namiddag uitgevoerd. De heetste uren werden zo veel mogelijk vermeden. Hierdoor moest de bemanning zelf bijdragen aan de werkzaamheden, waardoor ze niet konden ontspannen na de lange, slopende reis. Naast het gebrek aan goed personeel was er ook gebrek aan geschikt reservemateriaal. Smeerolie was te weinig aanwezig, waardoor inferieure smeerolie werd gebruikt, wat een extra druk legde op de boten. Dit zorgde voor problemen bij een aantal boten op de terugweg.

Er was berekend dat een U-boot na aankomst uit uit Europa meer dan vijftig dagen nodig had om weer ingezet te kunnen worden. In de praktijk liep dit nog verder uit. Het schoonmaken na het aanmeren duurde drie dagen, gevolgd door 20 dagen voor dringend onderhoud. Daarna vertrok het schip naar Singapore waar het drie dagen later in het droogdok lag, waarna er veertien dagen waren voor het onderhoud aan de buitenkant. Daarna waren er veertien dagen waarin alle voorraden en brandstof werden bijgevuld en de bemanning wat vrije tijd had.

Miscommunicatie zorgde geregeld voor problemen. Lokale bewoners werden gebruikt voor eenvoudige klussen, terwijl de 50 Duitse soldaten op iedere basis veel bezig waren met administratieve en communicatieve taken. Een probleem ontstond toen, bijvoorbeeld, koperen ringen van een pomp vervangen moesten worden. De oude, gescheurde ringen werden losgemaakt en er werd aan de lokale bewoners duidelijk gemaakt dat deze exact nagemaakt dienden te worden. Op de afgesproken datum werden de nieuwe ringen geleverd met een scheur erin geslepen. De kapotte ringen waren exact nagemaakt. De snelste boot was in 70 dagen opnieuw klaar om uit te zetten.

De terugweg

De boten hadden enorme risico’s genomen om Zuidoost Azië te bereiken, maar ze moesten ook weer terugkeren. De U-178 was de eerste boot die terugkeerde, op 27 november 1943. De U-178 werd aangevallen in de buurt van Kaap de Goede Hoop doordat de Britten erin geslaagd waren haar locatie te bepalen aan de hand van een lang radiobericht. De duikboot wist echter te ontkomen aan de vliegtuigen. De onderzeeër die de boot bij had moeten tanken, de UIT-22, een Italiaanse overgenomen duikboot, werd in haar plaats gevonden en tot zinken gebracht. Uiteindelijk wist de U-178 in mei 1944 Frankrijk te bereiken, maar de motoren stonden op het punt te bezwijken.

Door het gebrek aan torpedo’s werden de U-532, U-188 en U-183 in januari en februari 1944 teruggestuurd naar Duitsland. Zij werden volgeladen met waardevolle materialen. Onderweg zouden ze bijgevuld worden door de tanker Charlotte Schliemann, maar door slecht weer werd dit lastig. Daarop werd de tanker gespot door geallieerden. Het schip werd tot zinken gebracht en de U-532 werd drie dagen lang bestookt met dieptebommen.

De tanker Brake werd aangewezen als vervangend tankschip, maar deze werd later ook tot zinken gebracht voordat deze brandstof over kon dragen. De overlevenden werden gered door de U-168. De boten moesten brandstof delen. De U-532 en de U-183 moesten terugkeren door het gebrek aan brandstof.

Met weinig diesel en torpedo’s ging de U-188 de Atlantische oceaan in. Onderweg kreeg de U-188 van twee duikboten extra brandstof en munitie om de reis voort te kunnen zetten. Om de problemen erger te maken ging de radioapparatuur ook nog kapot. Brandstof werd bespaard door gebruik te maken van de stromingen. Na zes weken van radiostilte wist de duikboot in Frankrijk aan te komen. Men was er al vanuit gegaan dat de boot verloren was.

U-181 bij aankomst in Penang
U-181 bij aankomst in Penang
Een andere boot die in de problemen kwam op de terugweg was de U-181. Deze boot vertrok op 19 oktober 1944 en slaagde erin Zuid-Afrika te bereiken, maar moest na de achtervolging van een Amerikaanse tanker terugkeren omdat de motoren overbelast waren. In januari 1945 kwam de U-181 weer terug in Djakarta, waar ze aangepast moest worden. Er werd onder andere een Schnorkel, waardoor de U-boot onderwater lucht in kon nemen, op de duikboot gebouwd zodat deze veiliger de Atlantische Oceaan kon passeren. Eind mei 1945 hoopten ze opnieuw uit te varen.

De U-510 was eerder ook gedwongen terug te keren, maar slaagde er bij een tweede poging in om Frankrijk te bereiken. Frankrijk was op dat moment echter al bevrijd door de geallieerdern. Doordat het schip niet verder kon gaf de bemanning zich op 24 april 1945 over in St. Nazaire. Het laatste geallieerde schip dat door U-boten tot zinken is gebracht in de Indische Oceaan, het Canadese stoomschip Point Pleasant Park, was door de U-510 op 23 februari 1945.

Enkel de U-178 en U-188 wisten in 1944 Europa te bereiken met hun lading. Andere duikboten waren wel gestuurd, maar gingen verloren of moesten door problemen terugkeren. De onderzeeërs bleken niet geschikt voor commerciële langeafstandmissies.

In 1945 keerden nog vier boten terug, U-843, U-861, U-510, en U-532, maar allemaal met weinig resultaat. De U-843 keerde terug in Bergen, Noorwegen, op 6 april 1945, maar werd drie dagen later tot zinken gebracht. De rest gaf zich over bij aankomst in april en mei 1945.

In Azië

Na februari 1944 lag de focus meer op transport dan op aanvallen. Het idee was dat de U-boten als koeriers tussen Duitsland en Japan zouden optreden. Japanse, Duitse en geconfisqueerde Italiaanse onderzeeërs werden hiervoor ingezet. De boten werden met Schnorkel uitgerust, zodat ze langer onder water konden blijven.

Toch waren er ook agressieve patrouilles uitgevaren. De U-862, onder bevel van Heinrich Timm, was de enige Duitse U-boot die in de Stille Oceaan opereerde. Hij slaagde erin de SS Robert J. Walker tot zinken te brengen, ongeveer 250 kilometer uit de buurt van Sydney.

Wilhelm Dommes
Wilhelm Dommes
Door een toename van de geallieerde anti-duikboot capaciteiten was de Indische Oceaan al snel net zo gevaarlijk als de Atlantische Oceaan. Bevoorrading van de duikboten bleef lastig. Daarnaast was in Penang gebrek aan goed materiaal en specialistisch personeel. Reserveonderdelen moesten via nieuwe U-boten gebracht worden, maar niet alles was beschikbaar. Tezamen met het kraken van de Enigmacode zorgde het ervoor dat de Duitse duikboten een stuk minder potentie hadden dan gehoopt.

Tegen het einde van de oorlog kreeg Wilhelm Dommes opdracht naar Djakarta te verhuizen, waar meer olie en een betere toegang tot de Indische oceaan was. Alle boten werden vervolgens naar Noorwegen geroepen doordat de Franse havens niet meer beschikbaar waren.

De U-183 was de laatste Duitse onderzeeboot die op pad werd gestuurd in de Indische Oceaan op 22 april 1945. De boot zonk twee dagen later. Aan boord was kapitein Schneewind, die in het begin tijdelijk het commando van de basis had.

Duitse overgave

Op 8 mei werd de onvoorwaardelijke overgave van nazi-Duitsland getekend. Een dag later gingen verschillende duikboten over naar de Japanners. De zes U-boten die in mei 1945 nog in Zuidoost Azië waren, werden allemaal door de Keizerlijke Japanse Marine overgenomen: U-181, U-862, U-IT-24, U-IT-25 U-195, U-219. Respectievelijk werden zij I-501 tot en met I-506. De I-501 en I-502 deden enkele korte trainingstochten, maar verder niets. De I-506 werd niet gebruikt door gebrek aan Japanse bemanning, maar de dieselmotoren werden gebruikt voor elektriciteit in de stad Soerabaja. De twee Italiaanse onderzeeërs werden niet gebruikt. Ze werden naar Kobe gesleept voor onderhoud, maar nooit ingezet.

De Duitsers assisteerden bij het trainen van de Japanse bemanning. De boten zouden flink aangepast en omgebouwd moeten worden. De Japanners wensten ieder bemanningslid, 11 officieren en 109 matrozen, een eigen plek te geven, terwijl de Duitsers met een afwisselend beddensysteem en kleinere bemanning werkten.

Na de Japanse overgave werden de Duitsers overgedragen aan de Britten. In 1947 kwam Dommes, de commandant van Penang, vrij en overleed in 1990 in Hannover. Heinrich Timm, die als enige U-boot commandant in de Stille Oceaan had gevaren, ging na de oorlog verder bij de Duitse Bundesmarine en overleed in 1974. Hans Willi Böhm trouwde in 1946 met Agnes. Hij keerde terug naar Duitsland en vertrok later naar Australië. Hij overleed in 2004. Siegfried Lüdden, de kapitein van de U-188, kwam tijdens de oorlog om het leven bij een brand. Wilhelm Spahr, de commandant van de U-178, stierf in 1974.

Einde

In totaal vertrokken er 41 Duitse U-boten naar Zuidoost Azië. Ze hadden verschillende taken. Sommige dienden als transport, andere moesten de geallieerde schepen aanvallen. Enkele waren bedoeld om overgedragen te worden. Van de 41 keerden slechts zes terug naar Europa, waarvan twee hun lading konden overdragen. Ze werden daarna echter door de Duitsers tot zinken gebracht, omdat ze niet meer zeewaardig waren. De anderen arriveerden enkel om zich over te geven of tot zinken te worden gebracht. Ondanks alle pogingen bleken de onderzeeërs niet geschikt voor commerciële langeafstandmissies.

Tussen 1942 en 1945 gingen er ongeveer 340 koopvaardij schepen in de Indische Oceaan verloren, terwijl in de Atlantische Oceaan 3.500 koopvaardij schepen verloren gingen tussen 1939 en 1945, waarvan er 609 tussen januari en augustus 1942 tijden Operatie Paukenslag zonken. Na 1943 namen de anti-duikbootcapaciteiten van de geallieerden toe, waardoor de dreiging van de U-boten afnam.

De teleurstellende resultaten van de Monsun Gruppe zijn grotendeels te wijten aan de gebrekkige basis en de kwaliteit van het materiaal. De duikboten waren niet gebouwd op lange operaties in een tropisch klimaat, waardoor ze minder goed presteerden. Daarnaast kon het onderhoud niet goed uitgevoerd worden, onder andere door gebrekkige culturele integratie, maar ook door te weinig specialisten. De basis in Penang was de enige plek waar de Japanners en Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog intensief samenwerkten. Het idee om de Duitse en Japanse havens in verbinding te stellen door onderzeeërs was slim, maar door technologische ontwikkelingen was het idee al achterhaald voordat het goed uitgevoerd kon worden.

~ Samuel de Korte

Bronnen

– Memoires van Dietrich Hille, A U-boat far from home
– Khoo Salma Nasution, More than merchants, a history of the German-speaking community 1800s-1940s
– Dennis Gunton, The Penang Submarines
– http://uboat.net/

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Meer van dit soort berichten? Like ons dan!

Gelijk naar geschiedenisboeken over:
Ook adverteren op Historiek?
Goede keus! Klik hier