Niceto Alcalá Zamora, president van de Tweede Spaanse Republiek

Niceto Alcalá Zamora (1877-1949) was van 1931 tot 1936 president van de Tweede Spaanse Republiek en drukte zijn stempel op de politieke ontwikkelingen gedurende die periode. Een briljant rechtsgeleerde, gematigd liberaal en overtuigs rooms-katholiek die zich door zijn regenteske houding weinig geliefd maakte.

Tussen generaties

Niceto Alcalá-Zamora als kind
Niceto Alcalá-Zamora als kind
Het jaar 1898 wordt in de Spaanse geschiedschrijving gezien als een rampjaar. In de oorlog om Cuba werd Spanje door de Verenigde Staten verslagen en ook de Filipijnen gingen verloren. Vooraanstaande intellectuelen uit die tijd, zoals Miguel de Unamuno en Ramón María del Valle-Inclán maakten zich zorgen over Spanje en niet alleen vanwege de definitieve ineenstorting van het Spaanse Imperium zoals dat gevormd was vanaf het eind van de zestiende eeuw, maar ook over het morele verval en het feit dat het land in geen enkel opzicht een toonaangevende rol meer speelde in de wereld. De Spaanse filosoof José Ortega y Gasset noemde die intellectuelen de Generación del 98 (ook wel de Generación del Desastre of Onheilsgeneratie genoemd), terwijl hij zichzelf rekende tot de jongere generatie, de Generación del 1914, de generatie van de hoop. Een generatie die een veel optimistischer kijk had op de toekomst en sterk Europees georiënteerd was. Tot deze stroming behoorde behalve Ortega ook de republikein Manuel Azaña. Uit de geschriften van Alcalá Zamora blijkt dat hij zich meer verwant voelde met de generatie van 98 dan met die van 14, alhoewel de schrijvers van de intellectuelen van 14 zijn leeftijdgenoten waren. Dat is misschien ook de reden waarom Alcalá Zamora door velen beschouwd werd als degene die de brug zou kunnen slaan tussen beide generaties, tussen de herinneringen aan de Eerste Republiek (1873-1874) en de realiteit van de Tweede Republiek.

Intellectuele ontwikkeling en huwelijk

Niceto Alcalá Zamora werd op 6 juli 1877 geboren in het plaatsje Priego, gelegen op ongeveer 100 km ten zuidoosten van Córdoba. Zijn beide ouders kwamen uit welgestelde, rooms-katholieke en liberaal denkende families, getuige de vele geschilderde portretten van beroemde negentiendeëeuwse progressieve voorlieden die de wanden van het ouderlijk huis sierden. In deze omgeving werd de basis gelegd voor zijn oprechte neiging om Spanje te behoeden voor extremisme, een keuze voor de kalmte van het politieke midden. Alcalá Zamora schreef een grote invloed op zijn karaktervorming toe aan de rust die uitging van de plattelandsgemeenschap waarin hij opgroeide. Hij was een briljante leerling die na zijn middelbare opleiding een voorkeur had voor een wetenschappelijke carrière.

Niceto Alcalá Zamora, Purificación Castillo en hun eerste kind
Niceto Alcalá Zamora, Purificación Castillo en hun eerste kind
Familie-omstandigheden lieten het op dat moment echter niet toe om een dure studie te volgen en zo begon Alcalá Zamora als autodidact een studie rechten die hij op zeventienjarige leeftijd met de hoogst denkbare waardering afrondde aan de universiteit van Granada. Tot aan zijn vertrek in 1897 naar Madrid verbleef hij nog enkele jaren in Priego, waar hij les gaf en zich verloofde met de enige vrouw in zijn leven, Purificación Castillo.

- advertentie -

Eenmaal in Madrid begon Alcalá Zamora een proefschrift voor te bereiden over de macht van de koninkrijken tijdens de Reconquista dat hem al in 1898 de doctorstitel opleverde. Ook richtte hij zich op verwerving van een plaats als jurist bij de Consejo de Estado (Raad van State). In 1899, toen een beperkt aantal plaatsen vrijkwam, deed Alcalá Zamora examen, wat hem de eerste plaats opleverde op de lijst van voordrachten en kon hij een begin maken met een deugdelijke administratief-juridische carrière. In de jaren 1903-1904 volgden benoemingen tot hoogleraar in het administratief recht en juridische wijsbegeerte. Daarnaast begon hij een praktijk als zelfstandig advocaat. Het was mede door zijn oratorische begaafdheid dat hij zich al gauw grote faam wist te verwerven. Het huwelijk met Pura Castillo werd in 1901 ingezegend in de kerk van Priego. Gedurende dit huwelijk, dat eindigde met haar overlijden in 1939, zou zij hem steeds een veilige vluchthaven bieden.

Parlementariër

Graaf van Romanones
Graaf van Romanones
Rond de eeuwwisseling zette Alcalá Zamora zijn eerste schreden op het pad van de politiek. Veel Spaanse politici waren afkomstig uit de advocatuur en het lag, gezien zijn afkomst en begaafdheden, voor de hand dat Alcalá Zamora, ofwel don Niceto, zoals hij vaak werd genoemd, deze richting op zou gaan. Hij werd lid van de Partido Liberal, waar hij kennis maakte met vooraanstaande leden als de Graaf van Romanones die, toen hij in 1905 een ministerspost kreeg aangeboden, don Niceto benoemde tot zijn politiek secretaris. Het jaar daarop verwierf Alcalá Zamora een zetel in het parlement als afgevaardigde van het district La Carolina (ten noordoosten van Córdoba), een zetel die hij zou behouden tot het jaar 1923, toen Miguel Primo de Rivera een staatsgreep pleegde en Spanje veranderde in een dictatuur. Alacalá Zamora was een gedreven parlementariër die als kenner van de verhoudingen binnen kleine gemeenschappen, zich ontpopte als een voorstander van een heldere bestuursstructuur waarin naast een sterke staat slechts plaats was voor gemeentelijke autonomie. In 1912 voerde hij de oppositie aan tegen een wet die voorzag in regionale samenwerkingsverbanden, een initiatief van de Catalanen. Dankzij de interventie van don Niceto kwam deze wet er niet door, maar door een koninklijk besluit uit 1913 werd zij toch van kracht. Uiteindelijk zou Alcalá Zamora op dit punt bakzeil halen: in 1932 tekende hij in zijn rol als president van de republiek het statuut op de autonomie van Catalonië. De kwestie van regionale autonomie zaaide verdeeldheid in de gelederen van de Partido Liberal en ook het uitbreken van de eerste wereldoorlog in 1914 trok diepe sporen in de partij. Het leidde tot een verwijdering tussen Alcalá Zamora en zijn leermeester, de Graaf van Romanones die zich niet kon vinden in de neutraliteitsverklaring van de toenmalige regering. Don Niceto onderschreef de neutraliteitsverklaring wel en tekende aan dat de meerderheid van de Spaanse bevolking en vrijwel het hele leger tegen deelname aan de oorlog was. Dat was een reden waarom Alcalá Zamora door Romanones gepasseerd werd als kandidaat-minister toen de graaf in 1915 door de koning gevraagd werd om een nieuwe regering te vormen. Maar belangrijker nog was wellicht het feit dat de regering van Romanones de kant koos van de geallieerden, terwijl Alcalá Zamora bekend stond als een sympathisant van de Duitsers.

Crisisjaren

Koning Alfons XIII & Miguel Primo de Rivera
Koning Alfons XIII & Miguel Primo de Rivera
In het jaar 1917 – het jaar van de volksopstand in Rusland – wankelde het politieke stelsel ten gevolge van een opstand van militairen, een politieke actie van Catalaanse volksvertegenwoordigers en een algemene staking. De staking mislukte mede door hardhandig ingrijpen van de toen zittende conservatieve regering die direct daarna naar huis werd gestuurd: koning Alfons XIII vroeg Garciá Prieto, een partijgenoot van Alcalá Zamora, om een zo breed mogelijke coalitie te smeden teneinde het land voor de chaos te behoeden. Dat kabinet kwam er en don Niceto werd minister van infrastructuur en transport. Alcalá Zamora merkte echter dat het een instabiele regering was. Na de verkiezingen van 1918 werd zij dan ook vervangen door een conservatief getint kabinet onder leiding van Antonio Maura. Alcalá Zamora vervolgde zijn werk als afgevaardigde en werd voorzitter van de parlementaire commissie van Oorlog, gewaardeerd als hij werd om zijn kennis van militaire thema’s. In 1919 viel de regering Maura door toedoen van don Niceto, die aantoonde dat sprake was geweest van malversaties tijdens de verkiezingen en van partijdigheid van het Hooggerechtshof ten faveure van een neef van Maura.

Minister van Oorlog

Minister van Oorlog
Minister van Oorlog
In 1921 beheersten de gebeurtenissen in Marokko volledig de Spaanse politieke agenda. Al sinds 1911, gedurende de zogenaamde Rif-oorlog, bestreden de Marokkanen het Franse en Spaanse gezag over dit protectoraat. Een riskante militaire operatie van de Spanjaarden leidde in juli 1921 tot de ramp van Annual, waarbij de opstandeling Abd el-Krim het Spaanse leger onder leiding van generaal Silvestre een bloedige nederlaag toebracht. De Spaanse operatie werd volledig gesteund door koning Alfons XIII en de nederlaag bracht zijn prestige enorme schade toe. In november van hetzelfde jaar besprak het parlement een evaluatie van de gebeurtenissen gemaakt door generaal Picasso, wat het einde betekende van de zittende regering. Opnieuw kwamen de gematigd liberalen onder leiding van García Prieto aan het bewind en volgens verwachting werd Alcalá Zamora in dat kabinet minister van Oorlog. Onder leiding van zijn collega van Buitenlandse Zaken werd don Niceto geacht samen met hem de Marokkaanse problemen op te lossen, maar verschillen van inzicht en eigengereid optreden van Buitenlandse Zaken noopten Alcalá ertoe op 24 mei 1923 zijn ontslag in te dienen. Niet lang daarna, op 13 september 1923 pleegden de militairen, die het politieke geharrewar zat waren, een staatsgreep. Alfons XIII accepteerde het dictatorschap van Miguel Primo de Rivera, waarmee hij zich op glad ijs begaf, want met deze afwijzing van de parlementaire democratie en identificatie met een militaire dictatuur, zou bij ineenstorting ervan ook de monarchie ten dode zijn opgeschreven. Na de staatsgreep zouden diverse generaals aan Alcalá Zamora te kennen hebben gegeven dat zijn vertrek als minister de staatsgreep had vergemakkelijkt. Hij genoot aanzien onder de legerleiding en men had respect voor zijn inzet en integriteit en zijn aftreden verminderde het vertrouwen van de militairen in de regering alleen nog maar.

Dictatuur van Primo de Rivera

De eerste jaren van de dictatuur van Primo de Rivera brachten een zekere mate van rust, maar vanaf het moment dat de coup plaatsvond maakte Alcalá Zamora de koning duidelijk dat hij er niets van moest hebben. Don Niceto weigerde zijn werk als vertegenwoordiger van Spanje in de Geneefse Volkerenbond te continueren en zijn steun aan het verzoek van het parlement aan de koning om terug te keren naar de normale constitutionele situatie kan beschouwd worden als zijn oorlogsverklaring aan de dictatuur. Alcalá Zamora wijdde zich in deze jaren aan zijn academische werk en aan zijn advocatenpraktijk. Het verzet tegen de dictatuur werd vooral geleid door intellectuelen, maar toen het economisch steeds slechter ging, de republikeinen zich roerden en ook de militairen genoeg begonnen te krijgen van Primo de Rivera, werd don Niceto steeds meer gedwongen kleur te bekennen en afstand te nemen van de monarchie.

De komst van de Tweede Republiek

In april 1930 zwoer don Niceto de monarchie af tijdens een redevoering in Valencia, een paar maanden nadat Primo de Rivera zijn ontslag had ingediend bij de koning. Ook richtte hij een nieuwe politieke partij op: Derecha Liberal Republicana, een partij die programmatisch een middenpositie innam en een gematigd conservatief liberalisme voorstond. In augustus van dat jaar sloot Alcalá Zamora het zogenaamde pact van San Sebastian met de republikeinen onder leiding van Manuel Azaña en Alejandro Lerroux en met verschillende Catalaanse en Galicische bewegingen. Dit resulteerde in de oprichting van een revolutionair comité onder voorzitterschap van Alcalá Zamora. Om de mening van het volk te peilen besloten koning en regering tot het houden van gemeenteraadsverkiezingen. Deze vonden plaats op 12 april 1931. In absolute aantallen eindigden zij weliswaar in een overwinning van de traditionele partijen, maar de overwinning van links in de belangrijke bevolkingscentra was zó eclatant dat de koning besloot om op te stappen. Twee dagen na de verkiezingen werd de Tweede Republiek uitgeroepen en een voorlopige regering geformeerd onder leiding van Alcalá Zamora die een nieuwe grondwet voorbereidde en algemene verkiezingen uitschreef voor 28 juni. De middenpartij van don Niceto haalde slechts 25 zetels, een grote nederlaag en een teken aan de wand. In de loop van de jaren erna zou de polarisatie alleen maar toenemen en het door don Niceto zo hartstochtelijk bepleite politiek van het midden steeds minder aanhang krijgen.

Grondwet en Presidentsverkiezing

Met de familie, december 1931
Met de familie, december 1931
De debatten over de grondwet namen maanden in beslag en leidden half oktober tot het vertrek van Alcalá Zamora als regeringsleider omdat hij zich als overtuigd katholiek niet kon verenigen met op verregaande secularisatie gerichte bepalingen, die door de republikein Azaña werden doorgedrukt. Omdat republikeinen en socialisten (die de grootste fractie vormde in het nieuw gekozen parlement) bang waren voor een reformistische actie van Alcalá Zamora boden zij hem het presidentschap aan van de republiek. Overwegingen om dit aanbod te accepteren waren het gebrek aan andere geschikte kandidaten en zijn wil om rooms-katholiek Spanje te beschermen tegen het rabiaat anticlericalisme van links. Don Niceto werd op 10 december 1931 met grote meerderheid van stemmen gekozen. Manuel Azaña werd premier van een links-republikeins kabinet dat vergaande hervormingen probeerde in te voeren en vooral als het ging om maatregelen gericht tegen de kerk vond hij Alcalá Zamora op zijn pad. Daarmee deed don Niceto precies wat hij als minister van Oorlog de koning verweet: zich bemoeien met de dagelijkse politiek. Dit gevecht met Azaña duurde tot aan de verkiezingen van 1933 die overtuigend gewonnen werden door de CEDA (Confederación Española de Derechas Autónomas ofwel de Spaanse Confederatie van Autonome Rechtse Partijen). En ook deze partij vond Alcalá Zamora tegenover zich. De president wilde ten koste van alles voorkomen dat de rechtse CEDA aan het bewind kwam en ook omdat hij bang was voor oncontroleerbare acties van links, gaf hij de opdracht tot een kabinetsformatie aan de republikein Alejandro Lerroux. Met zijn arrogante houding als verdediger van de door hem geïdealiseerde politieke middenkoers maakte hij zich langzaam maar zeker steeds minder populair bij zowel links als rechts.

De crisis van 1935 en het einde van het presidentschap

De leider van de CEDA, Gil Robles, forceerde in 1935 een kabinetscrisis in de hoop van de president opdracht te krijgen als leider van de grootste fractie in het parlement tot het vormen van een nieuwe regering. En weer toonde Alcalá Zamora zich onverzettelijk. Hij benoemde in december van dat jaar de gematigde Manuel Portela tot premier van een centrumkabinet met als doel nieuwe verkiezingen uit te schrijven. Don Niceto zette Portela aan een nieuwe middenpartij te starten, de Partido de Centro Democrático, om stemmen te vergaren ter voortzetting van zijn pogingen om een revolutie te voorkomen. Dat was goed bedoeld, maar getuigde niet van realiteitszin. De verkiezingen van 1936 leverden een overwinning op voor links en het politieke midden werd weggevaagd. Manuel Azaña werd opnieuw premier en weer kreeg hij het aan de stok met de president die Azaña verweet de gemeenteraadsverkiezingen op ongrondwettige wijze te willen organiseren. In de grondwet was bepaald dat er elke drie jaar gemeenteraadsverkiezingen zouden zijn, waarbij de helft van de zetels verkiesbaar was, maar de regering Azaña wilde op dat moment totale verkiezingen teneinde links aan de macht te helpen in alle gemeenten. Het overigens terechte verzet van don Niceto was de druppel die voor links de emmer deed overlopen. Men wilde af van de president, van zijn bemoeizucht en zijn drammerige pogingen om Spanje op de door hem gewenste middenkoers te houden. De Spaanse grondwet bepaalde dat een president gedurende zijn ambtstermijn twee keer het parlement kon ontbinden, maar dat het zittende parlement het recht had na te gaan of dat in goede orde had plaatsgevonden. Luidde de conclusie dat de president verkeerd gehandeld had, dan kon deze onmiddellijk naar huis worden gestuurd. Alcalá Zamora had zowel in 1933 als in 1936 het parlement ontbonden en dat was het handvat dat links aangreep om een onderzoek te laten doen naar zijn handelwijze. De conclusie luidde dat don Niceto in 1936 ten onrechte het parlement had ontbonden en daarmee was het lot van de president bezegeld. Niet lang daarna brak de opstand uit van de militairen die de Spaanse Burgeroorlog inleidde.

Ballingschap en overlijden

Niceto Alcalá Zamora in Buenos Aires
Niceto Alcalá Zamora in Buenos Aires
De familie Alcalá Zamora wachtte de gebeurtenissen niet af en vertrok richting Parijs, waar zij enkele jaren woonde. In 1938 ontving don Niceto het bericht van het overlijden van zijn zoon Pepe, die lid was van de communistische partij en vocht in het republikeinse leger. Van Parijs verhuisde de familie naar Pau, waar in mei 1939 de echtgenote van don Niceto overleed. Alcalá Zamora besloot Frankrijk te verlaten en naar Argentinië te gaan waar de familie na een lange reis van 441 dagen aankwam. De reis voerde onder andere langs Dakar, waar zij vier maanden oponthoud hadden. In Mexico waren Alcalá Zamora en zijn kinderen als Spaanse ballingen niet welkom en na een verblijf op Cuba wisten zij eindelijk Buenos Aires te bereiken waar don Niceto leefde en werkte tot aan zijn dood in 1949. In die periode was hij onvoorstelbaar productief en publiceerde hij zestien boeken en honderden artikelen, vooral over juridische thema’s, maar ook over taal en kunst. Na het overlijden van don Niceto nam noch de Argentijnse regering, noch de Spaanse de moeite de familie een rouwbetuiging te sturen.

~ Willem Peeters

Bron: Peña González, J., Alcalá Zamora, Editorial Ariel, Barcelona, 2002

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister

Gelijk naar geschiedenisboeken over: