Opstanden in de Spaanse koloniën

…en de oorlog met de Verenigde Staten

Aan het eind van de negentiende eeuw kwam de Spaanse regering onder grote druk te staan van onafhankelijkheidsbewegingen in Cuba, Puerto Rico en de Filipijnen. Deze bewegingen ontvingen steun van de machtige Verenigde Staten die al eerder pogingen gedaan hadden om Cuba te kopen. De opstanden in de Caribische eilanden en de Filipijnen vormde de opmaat naar de Spaans-Amerikaanse oorlog die in 1898 uitmondde in een bittere nederlaag voor de Spanjaarden. Het ooit zo machtige Spaanse imperium was niet meer.

Puerto Rico

Puerto Rico verkreeg in 1872 autonomie en had kans gezien zijn economie – vooral gebaseerd op de productie van koffie en tabak – op orde te brengen. De verstandhouding met het moederland was normaal en er waren nauwe economische banden met belangrijke Spaanse steden. De afschaffing van de slavernij op het eiland in 1872 had de maatschappelijke verhoudingen goed gedaan. Twee bewegingen beheersten het politieke toneel: de behoudende liberalen, een groep van landeigenaren en zelfstandigen die onder de paraplu van Spanje wilden blijven en degenen die autonomie wensten en in 1887 de Partido Autonomista vormden. Dankzij deze interne verdeeldheid zag Spanje kans om de nationalistische beweging in toom te houden.

Cuba

José Marti
José Marti
In Cuba lag de situatie geheel anders. Daar was sinds de vrede van Zánjon in 1878, als sluitstuk van de tienjarige oorlog, maatschappelijk niet zo erg veel veranderd en werd een te laat ingezette politiek van hervormingen gecombineerd met militaire repressie. De economische belangen van de conservatieven, vooral grootgrondbezitters, wogen nog altijd zwaar. Zij genoten alle voordelen van de suikerteelt en hielden slavernij in stand. Aan de andere kant van het politieke spectrum was er een beweging die streefde naar volledige onafhankelijkheid van zowel het moederland als van de voor Cuba commercieel gezien zo belangrijke Verenigde Staten die veel investeerden in het eiland.

Daarnaast was er nog een derde politieke stroming, de autonomisten. Samen met hun geestverwanten van de Partido Liberal in Spanje probeerden zij te komen tot een verhouding met het moederland zonder koloniale trekken, waarbij Cuba als solidair onderdeel van de monarchie een eigen plaats zou krijgen. Het was gedoemd om te mislukken. In 1892 werd de Partido Revolucionario Cubano opgericht door José Martí en in 1895 braken opstanden uit die leidden tot de laatste koloniale oorlog om Cuba.

- advertentie -

Filipijnen

Weer anders was het in de Filipijnen, waar de kolonisatie veel minder grondig was geweest dan in het Caribisch gebied. Er woonden maar weinig Spanjaarden en dan vooral in de hoofdstad Manilla. Van totale controle over de archipel was absoluut geen sprake en de diverse delen van de kolonie bezaten dan ook een hoge mate van autonomie.

In tegenstelling tot Puerto Rico en Cuba had de kolonisatie van de Filipijnen eerder een godsdienstig dan een commercieel karakter, ten gevolge van de inzet van augustijner missionarissen, zij het dat de Spanjaarden daar veel handel dreven met Britten, Amerikanen en Chinezen.

Het inefficiënte en racistische koloniale bewind op de Filipijnen bracht protesten teweeg van de kant van intellectuelen onder de mestiezen (nageslacht van gemengde huwelijken tussen Spanjaarden en inheemsen). Protesten die samensmolten met de eerder ontstane Filipijnse interpretatie van het evangelie: de pasyon die verwachtingsvol was, de komst van de hemel op aarde veronderstelde en daarmee voeding gaf aan antikoloniale sentimenten.

De Cubaanse oorlog

Arsenio Martínez Campos (Publiek Domein - wiki)
Arsenio Martínez Campos (Publiek Domein – wiki)
Aan het eind van de negentiende eeuw werd het steeds duidelijker dat de pogingen om Cuba voor het moederland te behouden geen enkele steun kregen van de separatisten die het verdrag van Zánjon als beëindigd beschouwden en in opstand kwamen. Opstandelingenleider Martí kon daarbij rekenen op steun vanuit de VS waarmee hij goede relaties had aangeknoopt. In de eerste fase van de strijd (februari tot oktober 1895) begon de opstand vorm te krijgen, maar leden de separatisten met de dood van Martí een groot verlies. Gedurende de maanden daarna wisten de opstandige strijdkrachten flinke terreinwinst te boeken vanuit het oosten van het eiland.

De Spaanse generaal Martínez Campos probeerde het oprukkende leger tegen te houden vanaf een al rond 1870 gebouwde 68 kilometer lange fortificatie van forten en hekken, de zogeheten Trocha, waarlangs ook een spoorbaan was aangelegd. Toen deze tactiek onvoldoende vruchten afwierp en overal op het eiland opstanden uitbraken besloot men in Madrid Martínez Campos te vervangen door generaal Weyler die een enorme strijdmacht inzette en via meedogenloos geweld probeerde de opstand te breken. Het werd een kostbare mislukking. Van de 200.000 militairen stierven er meer dan 50.000 binnen korte tijd, voor het overgrote deel niet in de strijd, maar door ziektes als de gele koorts. Ook onder de boerenbevolking was het aantal doden hoog. Weyler detineerde hen in concentratiekampen om te voorkomen dat zij zich aansloten bij de opstandelingen en onder onbeschrijfelijke omstandigheden stierven in deze kampen ongeveer 100.000 mannen, vrouwen en kinderen.

Spotprent op Uncle Sam uit 1896.
Spotprent op Uncle Sam uit 1896.

Amerikaanse bemoeienis

In 1823 lanceerde de Amerikaanse president James Monroe zijn beroemde doctrine waarin hij onder meer duidelijk maakte dat de nog in handen van Spanje zijnde koloniën in het Caribisch gebied behoorden tot het Amerikaanse continent. Op den duur zouden zij bevrijd moeten worden uit de greep van de Spanjaarden en geïncorporeerd in de VS. Verzoeken aan de Spaanse regeringen om Cuba te verkopen, net als dat gebeurd was met Florida, waren aan dovemansoren gericht. Spanje beschouwde Cuba als zijn rechtmatig bezit en was niet van plan afstand te doen van dit commercieel zo lucratieve bezit. Het was dus niet verwonderlijk dat toen er opstanden uitbraken in Cuba, de VS er als de kippen bij waren om het onafhankelijkheidsstreven te ondersteunen.

- advertentie -

Estrada Palma
Estrada Palma
Vanuit New York en Washington coördineerde de Junta Cubana de operaties onder aanvoering van Juan Estrada Palma, de latere president van Cuba. Deze operaties bestonden voornamelijk uit het zenden van wapens en munitie en ofschoon de VS op dat moment formeel neutraal waren in het conflict, werden niet minder dan 60 verschepingen gerealiseerd vanaf Amerikaanse kust. Onder deze vlag van neutraliteit verzochten de VS aan Spanje om de Caribische eilanden autonomie te verlenen, een status waarmee de Amerikanen voldoende greep zouden krijgen op het gebied. Met dit voorstel bevestigden de VS de Spaanse soevereiniteit en beloofden zij zich in te zetten om het militaire conflict tot een einde te brengen. De Spaanse premier Cánovas del Castillo wees dit verzoek van de hand met als argument dat er eerst een einde moest komen aan de rebellie alvorens te onderhandelen over hervormingen. Eind 1896 legde Grover Cleveland, de toenmalige democratische president van de VS, aan Spanje drie mogelijkheden voor om een eind te maken aan de Caribische problemen. Verlening van autonomie aan de eilanden (voor de opstandelingen niet aanvaardbaar), verkoop of inmenging door de Noord-Amerikanen. In maart 1897 wonnen de republikeinen de Amerikaanse presidentsverkiezingen en trad William Mckinley aan die zich veel harder opstelde dan zijn voorganger.

Eind 1897 was het Spaanse leger uitgeput en gedemoraliseerd. Ook ontbrak het de Spaanse regering aan middelen om de strijd voort te zetten. Intussen was in augustus premier Cánovas del Castillo door een anarchist vermoord, wat weer een regeringswisseling teweeg bracht en de Partido Liberal aan de macht hielp. Haar leider Práxedes Sagasta werd premier. Het luidde een verandering van strategie in. Per decreet verkregen Cuba en Puerto Rico volledige autonomie, een politiek van hervormingen werd ingezet en Weyler maakte plaats voor de meer gematigde generaal Blanco. De toch al penibele situatie van de Spanjaarden bereikte een dieptepunt met de ontploffing van de Amerikaanse kruiser Maine, op bezoek in de haven van Havana om te laten zien dat het de VS menens was. Het schip zonk onmiddellijk en driekwart van de bemanning kwam om. De oorzaak van dit incident is nooit achterhaald, maar de agressieve ‘Yellow Press’ in de VS gaf onmiddellijk de schuld aan de Spanjaarden. In de woorden van Randolph Hearst:

“Remember the Maine, to Hell with Spain!”.

Het was de opmaat tot de Spaans-Amerikaanse oorlog.

Explosie van het Amerikaanse slagschip Maine
Explosie van het Amerikaanse slagschip Maine

De door premier Sagasta in allerijl genomen maatregelen vielen bij Mckinley niet in goede aarde. Hij verlangde of de verkoop van Cuba, of annexatie. Het ongeluk met de kruiser Maine op 15 februari 1898 maakte aan alle illusies van Spanje een einde. Noch internationale diplomatie, noch een bemiddelingspoging van de paus konden voorkomen dat er een gewapend conflict uitbrak. Eind april van dat jaar verklaarden de VS en Spanje elkaar de oorlog.

De strijd om de Filipijnen

Op de Filipijnen hadden zich vanaf 1896 diverse opstanden voorgedaan, die met toestemming van de aartsbisschop van Manilla hardhandig waren bestreden, maar niet volledig geneutraliseerd. In december 1897 werd door generaal Fernando Primo de Rivera – oom van de latere dictator over Spanje, Miguel Primo de Rivera – het zogeheten pact van Biak-Na-Bató overeengekomen met de opstandelingen. Zij gaven de strijd op en verlieten tegen een geldelijke vergoeding het land. Nog geen jaar later arriveerde de Amerikaanse vloot en in augustus 1898 gaf Manilla zich over waarmee de Filipijnen in handen vielen van de VS. Pogingen van de Spanjaarden om de kolonie te heroveren liepen stuk op een weigering van de Engelsen op doortocht door het Suezkanaal.

Ondertekening van het verdrag van Parijs
Ondertekening van het verdrag van Parijs

Einde van een imperium

In het Caribisch gebied was de strijd eveneens snel gestreden. De onder commando van admiraal Pascual Cervera staande Spaanse vloot was genoodzaakt zich te herbevoorraden in Santiago de Cuba, maar werd geblokkeerd door de Amerikanen en vernietigd. Nog voor de capitulatie van Manilla bevonden Puerto Rico en Cuba zich in handen van de VS. Het vredesverdrag van Parijs dat op 10 december 1898 gesloten werd, bracht Cuba onafhankelijkheid terwijl Puerto Rico, de Filipijnen en Guam (onderdeel van de Marianen in de Pacific) overgingen in Amerikaans bezit tegen een vergoeding van 20 miljoen dollar. Later, in 1899, werden de in Spaans bezit zijnde eilandengroepen van de Carolinen en de Marianen (behalve Guam) overgedragen aan Duitsland tegen betaling van 25 miljoen dollar. Spanje had een gevoelig verlies geleden. Materieel, maar vooral in aanzien, was van het eens zo machtige imperium niets meer over behalve de bezittingen in Marokko.

~ Willem Peeters

Overzichtspagina: Geschiedenis van Spanje
Overzicht van boeken over de geschiedenis van Spanje

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister

Helden - Stephen Fry De jodenvervolging in foto's De Bourgondiërs - Bart Van Loo Wij zijn de Bickers - Simone van der Vlugt t Hooge Nest - Roxane van Iperen Vietnam - Max Hastings Boerhaave botanicus - Margreet Wesseling Het gedroomde Noorden - Adwin de Kluyver Vet oud - Gouden Eeuw De zaak Oldenbarnevelt
Gelijk naar geschiedenisboeken over: