Rijksmuseum van Oudheden gaat 200 jaar terug

Op 13 juni 1818 werd Caspar Reuvens door koning Willem I benoemd tot hoogleraar archeologie aan de Leidse universiteit. Dat feit wordt door het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) in Leiden beschouwd als het moment van haar geboorte. Reuvers kreeg de opdracht een nationaal archaeologisch cabinet op te bouwen. Het museum ging van start met honderdvijftig Griekse en Romeinse beelden.

Aardewerk uit Peru.(Nationaal Museum van Wereldculturen)
Aardewerk uit Peru.(Nationaal Museum van Wereldculturen)
Inmiddels is het RMO een uitgebreid museum in Leiden met twee binnenplaatsen en daar omheen kleurrijke en toegankelijke opstellingen over het Oude Egypte en het Nabije Oosten, Grieken en Romeinen en archeologisch Nederland ‘van prehistorie tot heden’. En, tot en met 2 september, met een speciale tentoonstelling Al 200 jaar van nu; een wandeling door twee eeuwen museumgeschiedenis met 600 objecten, waaronder tal van voorwerpen die ooit in ‘Leiden’ werden geëxposeerd, retour gingen naar de oorspronkelijke eigenaar en voor de gelegenheid weer even terug zijn gekomen.

Dat geldt bijvoorbeeld voor Javaanse beelden, Peruaans aardewerk en ooit gestolen beeldhouwwerk uit de schatkamer van de Sint Servaas in Maastricht. Uit de eigen collectie komen tal van voorwerpen uit depot, die nooit eerder in het museum waren te zien, zoals kopieën van Deense runenstenen en een zestiende eeuws ‘Romeins’ Venusbeeld. Ook de trots van het museum, het in 2017 verworven bronzen Zwaard van Ommerschans, dat rond 3500 jaar geleden werd gebruikt in een verloren gegane ceremonie met mogelijk een religieuze betekenis, is te bewonderen.

Germaansche geschiedenis

Uitgebreid wordt aandacht besteed aan opmerkelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen in de geschiedenis van het museum. Zo zijn de eerste archeologische opgravingen van het museum, in 1827, te volgen, is er aandacht voor de verschillende perioden waarin het museum moest werken en prijkt de beeltenis van alle directeuren op de muren.

Het ambitieuze project van Willem I kreeg het moeilijk na de afscheiding van België in 1830, toen de financiën krap werden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd een deel van de collectie verborgen in bunkers in de duinen, maar toen was er ook een NSB-conservator, Frans Borsch, die driftig bevestiging zocht van de Germaanse oorsprong van de Nederlandse bevolking en daartoe ook archeologisch onderzoek deed in de door het Duitse leger overrompelde Oekraïne – de schamele scherven kunnen worden bekeken in de luciferdoosjes waarin ze werden opgeborgen.

Caspar Reuvens, de eerste directeur van het ‘archaeologisch cabinet’ dat vanaf 1818 zou uitgroeien tot het Rijksmuseum voor Oudheden. (Schilderij Stadsmuseum Harderwijk)
Caspar Reuvens, de eerste directeur van het ‘archaeologisch cabinet’ dat vanaf 1818 zou uitgroeien tot het Rijksmuseum voor Oudheden. (Schilderij Stadsmuseum Harderwijk)

De beelden die hoogleraar Reuvens bij zijn aantreden tot zijn beschikking kreeg stonden al sinds 1745 in de Hortus Botanicus, als erfenis van de Amsterdamse bestuurder Gerard van Papenbroek. Reuvens maakte studiereizen naar onder meer Engeland en in 1821 werd een eerste eigen pand betrokken aan de Houtstraat. Via agenten in het mediterrane gebied werd de collectie snel uitgebreid met belangrijke verzamelingen uit Egypte en de klassieke wereld. Zelf ging Reuvens opgravingen doen in Voorburg.

In 1830 verhuisde het Rijksmuseum van Oudheden naar de Breestraat en werd de collectie toegankelijk gemaakt voor het publiek. Vanaf 1838 werd ook bijgehouden hoeveel belangstellenden er waren; het eerste jaar 3000. In de ‘schrale’ negentiende eeuw werd het museum 56 jaar lang geleid door Conrad Leemans, die de collectie verder uitbreidde, door aankopen en eigen opgravingen. Maar inmiddels waren er in Nederland andere musea bij gekomen en werd een gedeelte onderverdeeld. Zo verdwenen in 1903 de ‘volkenkundige’ verzamelingen.

De eerste beelden uit de collectie van Papenbroek van 1745, waarmee het ‘archaeologisch cabinet’ van start kon gaan.
De eerste beelden uit de collectie van Papenbroek van 1745, waarmee het ‘archaeologisch cabinet’ van start kon gaan.

Thorbecke kon nut niet inzien

De vestiging van het museum in Leiden is geen vanzelfsprekendheid. Misschien goed dat het voortbestaan niet in de portefeuille zat van minister Johan Rudolph Thorbecke, de grote grondwetshervormer. In 1834 had hij duidelijk gemaakt:

In het algemeen kan ik het nut van overgroote musea, hospitalen en dergelijke, bij eene akademie, niet inzien. Het kabinet van Reuvens verzwaart ons budget, ten nadeele van wezenlijke behoefte. Ik voor mij zou die poppen en sarkophagen zien verhuizen, zonder een traan te storten. Welligt vindt ook mijn collega in de hoofdstad meer deelneming, dan te Leyden. Dat zou ik hem van harte wenschen. Hier heeft hij enkel verdriet.

Jubileumboek Rijksmuseum van Oudheden
Jubileumboek Rijksmuseum van Oudheden
Het citaat wordt aangehaald in het monumentale jubileumboek, Rijksmuseum van Oudheden Leiden – Een geschiedenis van 200 jaar (552 pagina’s!) waarin ruim dertig auteurs alle mogelijke aspecten bespreken van archeologische aankopen en ervaringen, in vele verschillende landen, die deel uit gingen maken van de bewogen tweehonderdjarige geschiedenis van het museum.

Populariseren oudheidkunde

In 1919 werd Jan Hendrik Holwerda directeur van het museum. De volgende twintig jaren besteedde hij veel aandacht aan het populariseren van oudheidkunde. De periode tussen de twee wereldoorlogen was de glorietijd van de archeologie. In 1926 verhuisde het museum naar Rapenburg 28, waar het zich nog steeds bevindt.

In de oorlog bleef het museum open, maar een deel van de collectie was dus wel ‘verdwenen’. En conservator Bursch gebruikte zijn werkgever als platform voor Germaanse propaganda. Na de oorlog duurde het daardoor nog wel even voordat het RMO zijn vooraanstaande plaats onder de Nederlandse musea terug had gewonnen.

Daarbij hielp het archeologisch onderzoek dat RMO in Egypte verrichtte. Zo werden opgravingen verricht in Sakkara, dertig kilometer ten zuiden van Caïro. De woestijn daar werd duizenden jaren lang gebruikt als begraafplaats voor hoge Egyptische ambtenaren. Mede daardoor behoort de collectie in Leiden, met onder meer het dubbelbeeld van Maya en Merit, het vergulde bronzen beeld van de god Osiris, de reliëfs van generaal Horemheb, de mummiekist van priester Paneshy en de grafkapel (mastaba) van Hetepherachet, tot de tien belangrijkste Egyptische verzamelingen ter wereld. Inmiddels worden naast de vaste collectie drie of meer exposities per jaar georganiseerd en zijn er zijn er 200.000 bezoekers.

De Egyptische Tempel van Taffeh, nu in het Rijksmuseum van Oudheden.
De Egyptische Tempel van Taffeh, nu in het Rijksmuseum van Oudheden.

Tempel van Taffeh

Wie het museum binnenkomt staat oog in oog met de tempel van Taffeh die in 1969 door Egypte aan Nederland werd geschonken; hij moest verdwijnen door de aanleg van een stuwdam.

Die tempel speelt een hoofdrol in de festiviteiten. Driemaal per dag wordt daarop een lichtshow geprojecteerd met beelden, muziek en een gesproken verhaal over de museumgeschiedenis. De tempel zelf lijkt in gekleurde lichtstralen uiteen te spatten en wordt daarna weer steen voor steen opgebouwd.

Door het museum heen is een ‘jubileumroute’ aangelegd met anekdotes en onbekende verhalen in de zalen over oude Egyptenaren, Grieken, Romeinen, het oude Nabije Oosten en de archeologie van Nederland. En er is een video te zien die op 31 maart 1993 door de Nederlandse televisie werd uitgezonden, over een heel bijzondere ontdekking die in het museum was gedaan. Bij een bezoek verdient het aanbeveling de evenementenagenda te raadplegen.

~ André Horlings

Jubileumboek: Rijksmuseum van Oudheden Leiden – Een geschiedenis van 200 jaar

Directeur Willem Weijland over het jubilerende museum:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Gelijk naar geschiedenisboeken over: