Week van de koloniale geschiedenis
Dark
Light

Vrouwen tijdens de oorlog (in kleur)

Vrouwen in kleur (1850-1960) – Dan Jones & Marina Amaral
4 minuten leestijd
Milicianas tijdens de Spaanse burgeroorlog (1936-1939)
Milicianas tijdens de Spaanse burgeroorlog (1936-1939). Uit: Vrouwen in kleur
Bij uitgeverij Omniboek verscheen onlangs het boek Vrouwen in kleur (1850-1960). Voor dit boek selecteerden historicus Dan Jones en kunstenares Marina Amaral – die eerder soortgelijke uitgaven samenstelden – tweehonderd opmerkelijke vrouwen uit de geschiedenis. Hun oorspronkelijke zwart-witfoto’s, gemaakt tussen 1850 en 1960, werden door Amaral ingekleurd. Alle foto’s zijn door Dan Jones voorzien van korte biografische teksten. Op Historiek publiceren een aantal foto’s uit het hoofdstuk Vrouwen tijdens de oorlog.


Vrouwen tijdens de oorlog

Moderne oorlogvoering zou onmogelijk zijn zonder vrouwen. Vechten wordt vaak gekenmerkt als de ultieme machobezigheid, maar al vanaf het allereerste begin van de geschiedenis worden er verhalen verteld over vrouwen die zich vermommen als man om deel te nemen aan het gevecht. Vanaf de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog aan het eind van de achttiende eeuw laat de geschiedschrijving zien dat vrouwen in aanzienlijke aantallen ten strijde trokken. En in de twintigste eeuw was industriële oorlogsvoering mogelijk door het zware, vaak gevaarlijke werk dat door vrouwen werd uitgevoerd: vechtend aan het front, in de verpleging of door aan het thuisfront werk uit te voeren dat mannelijke soldaten in de steek hadden gelaten.

Ljoedmila Pavlitsjenko (1942). Uit: Vrouwen in kleur
Ljoedmila Pavlitsjenko (1942). Uit: Vrouwen in kleur
Ljoedmila Pavlitsjenko, hier op de foto die in 1942 in Washington, DC, werd genomen, was tijdens de Tweede Wereldoorlog een Russische scherpschutter. Rusland zette al sinds de Eerste Wereldoorlog vrouwelijke soldaten in, en na de inval van de nazi’s in juni 1941 lieten de Russische autoriteiten meer vrouwen toe tot de strijdkrachten. Ze werden ingezet als tankchauffeurs, radio-operators, piloten, mitrailleurschutters en sluipschutters. Pavlitsjenko zelf maakte 309 bevestigde slachtoffers. Het gemiddelde aantal bevestigde slachtoffers van andere Russische vrouwelijke sluipschutters, van wie er zo’n tweeduizend waren, bedroeg vijf.

In juni 1941 meldde de vierentwintigjarige geschiedenisstudent Pavlitsjenko, die beschikte over scherpschutterscertificaten van schietverenigingen en schietcursussen van het Rode Leger, zich als vrijwilliger voor militaire dienst. Ze wilde per se naar het front. Van augustus tot oktober 1941 doodde ze bij de verdediging van Odessa 187 vijandelijke strijders. Daarna werd ze naar Sebastopol gestuurd waar ze in december 1941 trouwde met een collega-scherpschutter, die omkwam nadat hij was geraakt door granaatscherven toen het stel in maart 1942 samen aan het wandelen was. De Duitsers kenden Pavlitsjenko toen inmiddels bij naam, en via luidsprekers riepen ze haar op om over te lopen. Ze had inmiddels ook de bijnaam ‘dame des doods’ verworven.

Pavlitsjenko ging door met haar werk, en onderwees andere scherpschutters, tot juni 1942, toen ook zij werd getroffen door granaatscherven. Toen ze was hersteld van haar verwondingen, kreeg ze een functie in Moskou en hoefde ze nooit meer in actieve dienst. Ze maakte deel uit van een delegatie die in het najaar van 1942 een bezoek bracht aan de VS en Groot-Brittannië. Zo werd ze de eerste Sovjetburger die een bezoek bracht aan het Witte Huis en samen met de first lady, Eleanor Roosevelt, maakte ze een rondreis langs Amerikaanse steden. Ze weigerde elk verzoek om haar schietvaardigheid te demonstreren, want ze wilde het niet doen voorkomen alsof het een kunstje was. Deze houding, plus het algemene vermoeden dat alles wat Sovjets in het openbaar zeiden waarschijnlijk propaganda was, voedde de theorie dat ze een oplichter was. Journalisten vroegen haar of ze in dienst make-up droeg, of maakten opmerkingen over haar uniform en de vorm van haar lichaam.

Nadat Pavlitsjenko in de Sovjet-Unie was teruggekeerd, werkte ze de rest van de oorlog als sluipschuttersinstructeur. Daarna maakte ze haar geschiedenisstudie af en werkte ze als onderzoeker op het marinehoofdkwartier. Ze kreeg de hoogste Russische onderscheidingen, waaronder twee keer de Lenin-orde, en overleed in 1974 op achtenvijftigjarige leeftijd.

Women’s Land Army

De Eerste Wereldoorlog had een arbeidscrisis in de Britse landbouw tot gevolg. In het eerste jaar van de oorlog raakten zo’n honderdduizend banen in de landbouw en veeteelt vacant doordat de mannen naar het front gingen en de voedselproductie daalde, ondanks het feit dat duizenden vrouwen een deel van dit werk overnamen. Vrijwilligersorganisaties zoals de Women’s National Land Service Corps, een tak van de Women’s Farm and Garden Union, zorgden ervoor dat meer vrouwen werden opgeleid in het boerenwerk en dat ze gemakkelijker een baan kregen, maar dit was niet voldoende. In 1916 waren nog eens veertigduizend vrouwelijke voltijds landarbeiders nodig.

Women's Land Army (1918)
Women’s Land Army (1918). Uit: Vrouwen in kleur

Een van de meest basale problemen waren de vooroordelen: veel mensen op de boerenbedrijven en bij de overheid dachten dat vrouwen gewoon niet sterk genoeg waren voor landarbeid. In een poging deze mythe uit de wereld te helpen, organiseerde de Board of Agriculture and Fisheries boerenmarkten waar vrouwen in demonstraties en competities lieten zien wat ze konden. In 1917 formeerde de Board de Women’s Land Army (WLA), dat een vier weken durende opleiding verzorgde en de vrouwen, die bekendstonden als Land Girls, een minimumloon bood. Op bovenstaande foto, die werd genomen in april 1918, zien we Land Girls die in Londen aan het rekruteren zijn.

Aan het eind van de oorlog telde de WLA 23.000 leden, en het totaal aantal vrouwen dat tijdens de oorlog op het land werkte, werd geschat op driehonderdduizend. De WLA werd in mei 1919 ontbonden, een halfjaar na afloop van de oorlog, maar werd in juni 1939 nieuw leven ingeblazen, aan de vooravond van een volgend mondiaal conflict.

Milicianas tijdens de Spaanse burgeroorlog (1936-1939)
Milicianas tijdens de Spaanse burgeroorlog (1936-1939). Uit: Vrouwen in kleur

Milicianas

In de Spaanse Burgeroorlog, van juli 1936 tot maart 1939, streden fascistische Falangisten-opstandelingen tegen het democratische republikeinse regime, dat ze uiteindelijk overwonnen. Zo’n duizend vrouwelijke milities, milicianas genoemd, verdedigden de republiek aan het front, en nog enkele duizenden in de achterhoede. Nog eens honderden vrouwen vochten mee in de Internationale Brigades, de gevechtseenheid bestaande uit buitenlandse strijders die werd gesteund door de communisten. Aan het front vochten vrouwen zij aan zij met mannen in gemengde bataljons, en in de achterhoede waren er bataljons die uitsluitend uit vrouwen bestonden.

Ze deden dat met gevaar voor eigen leven. Op 14 september 1936, in de negende week van de oorlog, was Lina Odina de eerste miliciana die stierf. Ze pleegde zelfmoord toen ze gevangengenomen dreigde te worden. Verhalen over Odina en vrouwen zoals zij werden door beide partijen gebruikt als propaganda: de Republikeinen vertelden verhalen over heroïek tegenover de rechtse terreur, terwijl Falangisten afgaven op de aanwezigheid van vrouwen op het slagveld.

Vrouwen in kleur - Dan Jones & Marina Amaral
Vrouwen in kleur – Dan Jones & Marina Amaral
In de winter van 1936-1937 werden vrouwen ontheven van fronttaken. De mannelijke Republikeinen die in de straten vochten, hadden geen moeite met de vrouwen die naast hen streden, maar de leiding beval de vrouwen zich aan te sluiten bij de achterhoede of de strijd op een andere manier te ondersteunen. In mei 1937 maakte de nieuwe leider van de Republikeinse strijdkrachten er inmiddels serieus werk van om ongelijksoortige strijdersgroepen samen te voegen tot één leger, en daarvan werden vrouwen buitengesloten. Buitenlandse organisaties kregen te horen dat ze alleen maar mannen moesten sturen voor de Internationale Brigades. De laatste foto van milicianas verscheen in de Republikeinse pers in mei 1937.

~ Dan Jones & Marina Amaral

Boek: Vrouwen in kleur (1850-1960)

Marina Amaral (1994) is een Braziliaanse kunstenares, die zwart-witfoto's pixel voor pixel inkleurt. Als autodidact doet ze uitvoerig onderzoek naar de werkelijke kleuren van toen en voegt ze een nieuw perspectief toe aan historische foto's. Ze is onder andere bekend van het project Faces of Auschwitz. Zie ook haar boek De tijd in kleur - Beelden uit de wereldgeschiedenis 1850-1960. Foto: CC BY-SA 4.0 - Marina Amaral