DDR hielp gezochte Black Panther-terrorist ontkomen

De vlucht van de zwarte panter
/
9 minuten leestijd
Ramstein Air Base in 2009
Ramstein Air Base in 2009 (U.S. Army)

De Duitse Democratische Republiek (DDR) heeft sedert haar bestaan voortdurend gestreefd naar internationale erkenning. Het land zocht naarstig naar medestanders, vooral in de Derde Wereld. Zij onderhield daartoe nauwe contacten met terroristische organisaties en revolutionair-socialistische bewegingen. Om hun volkenrechtelijke erkenning niet in gevaar te brengen mocht steun niet openbaar worden. Alle steun moest met de hoogste graad van geheimhouding worden gewaarborgd. Zo ook de steun aan de Amerikaanse sergeant David Jenkins die met twee collega’s in 1970 een aanslag pleegde bij de Amerikaanse vliegbasis Ramstein Air Base.

In dit artikel wordt in het kort het streven naar internationale erkenning en de contacten van de DDR met twee revolutionaire bewegingen geschetst. Aansluitend volgt een reconstructie van de vlucht van sergeant Jenkins via de DDR naar Algerije.

Internationale erkenning

Doel van de buitenlandse politiek van de DDR was het internationale isolement te breken en te streven naar volkenrechtelijk erkenning als soevereine staat. In haar beginjaren werd de DDR als staat internationaal nauwelijks erkend. De Bondsrepubliek hanteerde tussen 1955 en 1969 de Hallstein-doctrine. Die bepaalde dat de Bondsrepubliek geen diplomatieke betrekkingen onderhield met landen die de DDR erkenden. Als enige uitzondering werden diplomatieke betrekkingen met de Sovjet-Unie en een paar andere socialistische staten onderhouden.

Als eerste “erkenners” volgden landen in de Derde Wereld in de jaren 1969-1970. De Hallstein-doctrine werd verlicht: ze tolereerde volkenrechtelijke erkenning van de DDR. Een doorbraak werd bereikt met de ondertekening van het “Grundlagenvertrag” tussen de Bondsrepubliek en de DDR in december 1972. België erkende de DDR diezelfde maand nog en Nederland ging op 5 januari 1973 eveneens over tot de erkenning van de DDR. Op 18 september 1973 werden de DDR en de Bondsrepubliek beide lid van de Verenigde Naties. In 1974 erkenden de Verenigde Staten de soevereine staat DDR. Hiermee had de DDR bereikt wat ze twintig jaar lang had nagestreefd: internationale erkenning.1

De DDR en het internationale terrorisme

Door het streven naar internationale erkenning was het voor de DDR balanceren op een dun koord. In de buitenlandse politiek had de DDR binnen het Warschaupact beperkte speelruimte. In het Midden-Oosten had de DDR iets meer de vrije hand. Ze voerde een strikte pro-Arabische koers. Juist deze regio was een belangrijke plek tijdens de Koude Oorlog. Beide zijden wilden hun invloedssferen uitbreiden en bondgenoten aan zich binden Tegenover de in 1964 opgerichte Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) acteerde de DDR aanvankelijk vrij terughoudend.2 De contacten die er waren met terroristische groepen moesten niet al te prominent naar buiten treden. Het zou staten kunnen weerhouden van erkenning van de DDR. Dat veranderde beginjaren zeventig van de twintigste eeuw.

Een ander geval van strikte geheimhouding draaide om de Duitse student Benno Ohnesorg. Deze werd op 2 juni 1967 in West-Berlijn door een politie-agent doodgeschoten. De dood van de 26-jarige student had grote gevolgen. De student werd gedood tijdens een demonstratie in West-Berlijn tegen het staatsbezoek van de sjah van Perzië en werd een martelaar van de linkse studentenbeweging. Zijn dood zorgde voor aanhoudende studentenprotesten en leidde tot de oprichting van onder meer de Rote Armee Fraktion (RAF), een linkse extremistische terreurgroep.3

Ulrike Meinhof
Ulrike Meinhof
Ook ten opzichte van de in 1970 opgerichte RAF was men in het begin terughoudend. In de beginjaren van de RAF had de DDR een ambivalente houding tegenover deze “anarcho-terroristen”. De DDR-leiding had een zekere bewondering voor de revolutionaire opofferingsgezindheid van leden als Ulrike Meinhof. Ondanks deze sympathie keurde de DDR het individuele terrorisme af. De eerste bekende ontmoeting met een RAF-lid vond op 17 augustus 1970 plaats. Ulrike Meinhof trof toen een medewerker van de Stasi vlak voordat ze met een paar gelijkgezinden naar een militair opleidingskamp van El Fatah in Jordanië vertrok. Naar het waarom van dit bezoek is het gissen. Het vermoeden bestaat dat Meinhof probeerde te onderhandelen met vertegenwoordigers van de Stasi en wilde uitzoeken of vanaf het grondgebied van de DDR aanslagen in de Bondsrepubliek gepleegd konden worden. De DDR-leiding wees dit verzoek nadrukkelijk af. Wel werden RAF-leden in het uiterste geval doorreismogelijkheden geboden.

In de DDR was men juist bezig met de politiek van “vreedzame coëxistentie”, waarmee de DDR op meer en meer erkenning van de eigen staat hoopte. Gemeenschappelijke belangen van DDR en RAF werden ondergeschikt gemaakt aan de voorzichtige openingspolitiek van de DDR. Staatkundige erkenning had het primaat.4

Ramstein Air Base en de vlucht van de ‘Zwarte Panter’

In het zuiden van de Duitse deelstaat Rheinland Pfalz, nabij de stad Kaiserslautern ligt de Amerikaanse luchtmachtbasis Ramstein Air Base. Het is het grootste Amerikaanse vliegveld buiten de Verenigde Staten. Het vliegveld werd gebouwd van 1949 tot 1952 op een voormalige airstrip van de Luftwaffe als gezamenlijk project van het Franse en Amerikaanse leger. Naast (transport) eenheden van de Amerikaanse luchtmacht bevond (en bevindt) zich ook een gezamenlijk NAVO-hoofdkwartier op de vliegbasis. Van hieruit werden (en worden) luchtoperaties gecoördineerd.

Op 19 november 1970 rond 15.30 uur vond bij de ingang van Ramstein Air Base een gewapend incident plaats. Drie (zwarte) leden van de Black Panther Beweging (BPB), een revolutionair-socialistische beweging voor de rechten van zwarten in de Verenigde Staten, raakten verwikkeld in een schietpartij met een wachtpost. De drie leden waren David Jenkins, William Burrell en Larry Jackson. Bij het naderen van Ramstein Air Base hadden ze een wachtpost over het hoofd gezien. Pas na vijftig meter stopten ze. Een Duitse wachtpost kwam hierop bij de wagen en eiste identiteitspapieren. William Burrell toonde zijn id-kaart maar trok deze snel terug toen de wachtpost de kaart wilde afpakken. Daarop pakte de wachtpost bliksemsnel de contactsleutel van de auto, deed een stap naar achter en greep naar zijn wapen. Larry Jackson, die achterin zat trok zijn wapen en schoot sneller. De wachtpost werd zwaar gewond en de drie leden van de BPB vluchtten. Twee van hen werden snel gepakt. Het derde lid van de groep, de voormalige Amerikaanse sergeant David Jenkins, die zich in een boom had verscholen, slaagde erin gewond te vluchten.

Jenkins was sinds zijn ontslag uit het leger druk doende contacten te leggen met zwarte militairen om hen te werven voor de BPB. Twee West-Duitse sympathisanten van de BPB hielpen Jenkins bij zijn vlucht uit West-Duitsland. Het plan was om hem per auto naar de DDR te brengen en vandaar uit via de Oost-Berlijnse luchthaven Schönefeld naar Algerije te vliegen.5

Grensovergang Helmstedt-Marienborn
Grensovergang Helmstedt-Marienborn (CC BY-SA 4.0 – Vincent de Groot – wiki)

Grensovergang Mariënborn

Op 21 november 1970 kwam een spoed-telex binnen bij de plaatsvervangend minister voor Staatsveiligheid van de DDR. Het districtscommando van de Stasi dat verantwoordelijk was voor de grensovergang van West-Duitsland naar de DDR, Mariënborn (Helmstedt), meldde een “incident” bij de grensovergang. Een dringend gezocht persoon was gevlucht. Een auto, Peugeot 504, was op de ochtend van die dag om 08.15 uur de DDR-grens gepasseerd. De auto behoorde toe aan de voormalige voorzitter van de Socialistische Duitse Studentenbond (SDS), Helmut Schauer, die zelf de auto de grens over had gebracht. In de wagen bevond zich ook nog de lerares in opleiding Adelheid R. uit Frankfurt am Main.

Maar het eigenlijke “incident” lag in de kofferbak van de Peugeot. Hierin werd, zoals het in het Stasi-telexbericht werd vermeld, “de gekleurde US-burger Jenkins, David, geb. 1940 in New Jersey” vervoerd. Ongezien voor andere reizigers kon Jenkins de kofferbak verlaten. De Stasi bracht Jenkins en zijn helpers naar het ondervragingscentrum Loburg en registreerde hun namen in hun documentatiesysteem.6

Vanaf dat moment behandelde de Stasi het geval op het hoogste niveau. Klopten de geschetste achtergronden? Onder welke voorwaarden was uitreizen naar Algerije mogelijk? Welke consequenties werden verwacht mocht deze hulp openbaar worden? Wie wisten nog meer van deze vlucht? Tot in het kleinste detail werd alles onderzocht.7

Schauer verklaarde aan zijn ondervrager dat op 21 november om 01.00 uur in de nacht iemand aan de deur belde. Het was Karl Dietrich Wolff. Hij was in voorgaande jaren ook voorzitter van de SDS geweest en op dat moment hoofd van het Frankfurter Solidariteitscomité voor de BPB. Hij vroeg om hulp voor Jenkins, die in het evangelische Bonhoeffer-Haus in Frankfurt werd verborgen. Adelheid R. verklaarde dat zij tijdens hun rit van Frankfurt naar de DDR-grens door een andere auto met twee inzittenden werden begeleid. Het ging daarbij om Ralf R. en Wilfried Böse. Beiden maakten later deel uit van een Palestijnse terreureenheid die een toestel van Air France in 1976 ontvoerde. Op het vliegveld van Entebbe (Uganda) stierven beiden in een kogelregen van Israëlische commando’s.8

De beide vluchthelpers in de Peugeot moesten van de Stasi bij een eventuele ondervraging later door de West-Duitse politie verklaren dat ze via de “Transitstrecke”9 naar West-Berlijn en terug waren gereisd.10 Bij hun afscheid gaven ze Jenkins DM 500,- uit het solidariteitsfonds van het Frankfurter Black Panther comité.

Tijdens zijn ondervraging bij de Stasi verklaarde Jenkins niet in de DDR te willen blijven, maar naar Algerije verder te willen reizen waar hij zich bij de autoriteiten wilde melden en alle schuld op zich zou nemen. Jenkins kwam uit New Jersey, waar hij in een getto opgroeide. Het viel de Stasi-ondervrager op dat bij Jenkins een hang naar a-sociaal gedrag aanwezig was (lanterfanten, gokken en stelen). Na afloop van de ondervraging werd Jenkins medisch onderzocht. De arts adviseerde wegens verwondingen aan armen en voeten een rustpauze van drie dagen. Vanaf 27 november 1970 zou uit medisch oogpunt geen bezwaar meer bestaan tot verder reizen. Er waren echter andere, niet-medische redenen, die een snel vertrek ophielden.

Voorzichtigheid troef bij de Stasi

Het Districtscommando van de Stasi in Maagdenburg kwam in actie met een aantal eisen. Allereerst moest door omvangrijke veiligheidsvoorzieningen worden gegarandeerd dat Jenkins onherkenbaar het vliegtuig in Berlin-Schönefeld binnenkwam. Dat zou enige tijd vergen. Verder mocht Jenkins alleen met een vliegtuig reizen waarin zich geen partij- of regeringsfunctionarissen bevonden. Officiële acties of een officieel betrokkenheid van de DDR-autoriteiten mocht nergens uit blijken. Kennisname door westerse waarnemers of journalisten moest onvoorwaardelijk worden uitgesloten. Bovendien moest de Stasi het paspoort van Jenkins zo veranderen dat het leek alsof deze eerst een binnenlandse vlucht naar West-Berlijn had gemaakt en toen via Oost-Berlijn naar Algiers was gevlogen. Jenkins vroeg tijdens zijn verblijf literatuur over de DDR. Dit werd toegestaan. Een ander verzoek van hem om DDR-burgers meer van nabij te leren kennen of een fabriek of bedrijf te mogen bezoeken, werd uit veiligheidsoverwegingen niet toegestaan.11 Het viel de Stasi op dat Jenkins in wel erg oude kleding rondliep. Ondergoed, kousen etc. waren zo oud en smerig dat die eigenlijk niet gedragen konden worden. Er werden voor hem nieuwe kleding en schoenen gekocht. Bij de aanschaf hiervan werd nauwgezet toegezien dat geen sporen naar de DDR te traceren waren (zoals productie en aanschaf in de DDR).12

Erich Mielke
Erich Mielke (Bundesarchiv, Bild 183-R0522-177 / CC-BY-SA 3.0)
Het oorspronkelijke plan was Jenkins op 29 november 1970 te laten vertrekken. Op vrijdag en zaterdag waren er met socialistische vliegmaatschappijen geen mogelijkheden naar Algiers te vliegen. De prijs voor een ticket bedroeg DM 407,- Deze kosten werden Jenkins in rekening gebracht. Die kon hij betalen uit de DM 500,- die hij van het solidariteitscomité had gekregen. Van groot belang was dat er op die datum geen partijfunctionarissen of leden van de jeugdorganisatie FDJ met hetzelfde toestel reisden. Toch werd de reis alsnog geannuleerd en moest Jenkins, mede vanwege zijn verwondingen, drie weken wachten.

Op 12 en 13 december 1979 zou Jenkins uitreizen. De minister voor Staatssicherheit, Erich Mielke, had persoonlijk toestemming voor het uitreizen gegeven. Na een bezoek aan een solidariteitstentoonstelling voor Vietnam en de televisietoren op 12 december, bracht Jenkins de nacht door in het Mitropa-hotel op de luchthaven Berlin-Schönefeld. Hem werd uitgelegd hoe hij van West-Duitsland naar Berlin-Schönefeld was gekomen. Vertrek en aankomsttijden van Frankfurt/Main naar Berlijn/Tempelhof werden ingeprent, alsmede het type toestel, de ticketprijs, de weg van Tempelhof naar de Uhlandstrasse in West-Berlijn waar het reisbureau “Helios” en het vertrekpunt van de bus naar de luchthaven Schönefeld zich bevonden.

Op 13 december vloog Jenkins met de Oost-Duitse luchtvaartmaatschappij “Interflug” met vlucht IF 770 naar Algiers. In het toestel met totaal 17 passagiers bevonden zich 4 medewerkers van het ministerie voor Verkeer die voor studie naar Algerije reisden. Extra veiligheidsmaatregelen waren vanwege andere passagiers niet nodig. Jenkins werd naar het vliegtuig gebracht, er werd afscheid genomen en hij vertrok met 20 minuten vertraging richting Algiers.13 Vanaf dat moment liep het spoor van Jenkins dood.14

Veroordeling mededaders-schietpartij

In juni en juli 1971 vond in het Landgericht Zweibrücken de rechtszaak plaats tegen Burell en Jackson. Ze werden aangeklaagd wegens poging tot moord. Tijdens het proces kwam het veelvuldig tot schermutselingen tussen politie en aanhanger van het BPB-solidariteitscomité uit Frankfurt. Burell kreeg een geldboete van DM 1950,-. Jackson werd in eerste instantie veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar. In hoger beroep werd dit teruggebracht tot 4 jaar.

Tenslotte

Ideologisch gezien was de DDR nauw verbonden met terroristische organisaties als de PLO en de RAF en met revolutionair-socialistische organisaties als de Black Panther Beweging. Hun vijandbeelden waren vrijwel identiek en ze waren in veel gevallen bereid tot samenwerking. Het moest echter geheim blijven. Zeker begin jaren zeventig zou openbaarheid afbreuk hebben kunnen doen aan hun streven naar de zo vurig gewenste internationale volkenrechtelijke erkenning.

~ Albert J. Vinke

Ook interessant: DDR – Geschiedenis van Oost-Duitsland
…of: Erich Honecker (1912-1994) – DDR-leider

Noten

1 – Borowsky, Peter, Die DDR zwischen Moskau und Bonn. In: Informationen zur politischen Bildung. Uitgave van de Bundeszentrale für politische Bildung, 5-04-2002.
2 – Bengtson-Krallert, Matthias, Die DDR und der internationale Terrorismus, Wissenschaftliche Beiträge aus dem Tectum-Verlag / Politikwissenschaften 69, Marburg, 2017, p. 84.
3 – Benno Ohnesorg doodgeschoten door Stasi-medewerker; historiek.net; 24 mei 2009.
4 – Schulz, Jan-Hendrik, Die Beziehungen zwischen der Roten Armee Fraktion (RAF) und dem Ministerium für Staatssicherheit (MfS) in der DDR. In: Zeitgeschichte/online, 1 mei 2007
5 – Arbeitsvorgang ‘Schwarzer Panther”; In: stasi-mediathek.de
6 – Staadt, J. Die Flucht des schwarzen Panthers; In: zeitschrift-fsed.fu-berlin.de; ZdF 24/2008. P. 86.
7 – Arbeitsvorgang Schwarzer Panther.
8 – Staadt, Die Flucht des schwarzen Panthers, p. 88.
9 – De Transitstrecke was de Autobahn tussen de grensovergang Helmstedt in West-Duitsland en West-Berlijn en liep over het grondgebied van de DDR.
10 – Idem, p. 90.
11 – Staadt, p. 90.
12 – Brief 26 november 1970 van Oberstleutnant Teschner; Arbeitsvorgang ‘Schwarzer Panther”; In: stasi-mediathek.de
13 – Rapport van Hauptmann Deutscher, zonder nummer, 19 december 1970. In: Arbeitsvorgang Schwarzer Panther; stasi-mediathek.de.
14 – Staadt, p. 95.

Bekijk meer over:

DDR, Duitsland

Alle onderwerpen
Vorige verhaal

De Spiegel-affaire (1962) als sleutelmoment

Volgende verhaal

Erich Mielke’s rode koffer

×