De Britse rol bij het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog

81 minuten leestijd
Londen
Londen

Die avond, het was dinsdag 4 augustus 1914 kwamen enkele Britse ministers bijeen in de werkkamer van de minister-president, onder hen Sir Edward Grey, de minister van Buitenlandse Zaken en Winston Churchill. Het Britse ultimatum zou die nacht om 12 uur aflopen en zwijgend wachtte men op de reactie uit Berlijn. Grey beende nerveus heen en weer. Pas nu drong de volle zwaarte van zijn buitenlandse politiek van de afgelopen jaren tot hem door. Een wereldoorlog zou een catastrofe betekenen voor geheel de mensheid, het was nu echter te laat om daar nog een halt aan toe te roepen.

Sir Edward Grey
Sir Edward Grey
Toen het geluid van de laatste klokslag van de Big Ben door de nacht wegstierf, staarde hij bedrukt uit het raam en zei met gebroken stem:

’We are at war, the lamps are going out all over Europe; we shall not see them lit again in our lifetime.’

Dramatische woorden, vooral uit de mond van de man die, als een der weinigen, de oorlog had kunnen voorkomen als hij dat ook echt had gewild. Wat was het geval?

De Britse rol in het drama kreeg omstreeks 1901 gestalte toen de Britse vorstin Victoria stierf en werd opgevolgd door koning Edward VII. Deze Edward was een man met uitgesproken gedachten over Duitsland en de Duitse keizer en verder een echte francofiel en liefhebber van de Franse stijl. Hij bezocht het land verschillende malen. Een van de vele bewonderaars van Edward was Grey, lid van de Liberale Partij en behept met sterke anti-Duitse gevoelens. Hij schreef al in 1895 over Duitsland als

‘Great Britains worst enemy and greatest danger. I do not doubt that there are Germans well disposed to us but they are a minority and the majority dislike us so intensely that the friendship of their Emperor or their Government cannot be really useful to us’.(1)

Grey was een warm voorstander van toenadering tot Frankrijk (2) en hij juichte het in 1904 gesloten verdrag met Frankrijk dan ook van harte toe.(3) Hij drong er op aan dit verdrag verder uit te breiden naar andere (militaire ?) terreinen en stelde:

‘Europe was sometime ago divided into two, I will not say hostile, but certainly not friendly camps, the Triple Alliance and the Dual Alliance. We, in our turn, have now taken part in making a sort of arrangement with a view to creating greater frankness and friendliness between ourselves and France. I welcome this agreement and hope that the government will lose no opportunity of making it a working model for other cases where it is possible to do so’. (4)

Grey was overigens niet de enige die er zo over dacht want de Britse regering startte, onofficieel en in het grootste geheim, besprekingen over militaire samenwerking in geval van een oorlog met Duitsland. Ook deze militaire besprekingen werden door Grey van harte gesteund.

Als voorwaarde werd door Engeland wel geëist dat Frankrijk diende te voorkomen dat het zelf ooit als agressor zou kunnen worden aangemerkt, bijvoorbeeld door als de oorlog dreigde uit te breken, zelf als eerste de aanval te openen omdat het Britse volk dan waarschijnlijk zou weigeren Frankrijk te hulp te snellen.(5)

Grey was er verder van overtuigd dat Engeland zich ook officieel diende aan te sluiten bij de ‘Dual Alliance’ en daarom ook toenadering tot Rusland moest zoeken. Hij schreef hierover:

‘The fact is that the succes of the British race has upset the tempers of the world and now that they have ceased quarrelling about provinces in Europe and have turned their eyes to distant places, they find us in the way everywhere. Hence a general tendency to vote us a nuisance and combine against us. I am afraid we shall have to fight sooner or later…. but we have a good card on hand to play and I think, a bold and skillful Foreign Secretary might detach Russia from the number of our active enemies without sacrificing any very material British interest’. (6)

Voorlopig ondervond Grey echter nog niet veel medewerking en begrip voor z’n anti-Duitse gevoelens bij zijn collegae getuige zijn opmerking:

‘I think more and more that they are wrong about Germany and do feel it so strongly that if any Government drags us back into the German net, I will oppose it openly at all costs’. (7)

Welnu, die kans kreeg hij, want eind 1905 viel het Conservatieve kabinet en maakte plaats voor de Liberalen en Grey, de man die Duitsland als Engelands gevaarlijkste vijand zag en een anti-Duitse politiek wilde voeren (8) werd de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, een functie die hem in staat zou stellen aan deze gedachte inhoud te geven.

Een van zijn eerste daden in 1906, was dan ook het continueren van geheime militaire besprekingen met Frankrijk waartoe hij zijn collega Haldane opdracht gaf.(9)

Wie was deze Grey?

Historicus Zara S. Steiner zegt over hem in haar “Britain and the origins of the First World War”:

‘The Foreign Secretary was not a profound thinker or even a great statesman. There was much which he did not comprehend. He did not understand the effects of contemporary changes on the relative positions of states or on the conduct of war. He shied away from the irrational and cut himself off from forces he did not understand. Grey misjudged situations. In all such matters Grey was conservative and insular. He was naive in military matters and did not anticipate the price to be paid for victory though he never conceded that the cost was too high’. (10)

Het was deze Grey die vanaf dat moment de buitenlandse politiek in zijn land ging leiden, een politiek die ten doel had de Duitse expansie een halt toe te roepen zelfs als dit gewapender hand moest gebeuren.

Edward Grey, 1903
Edward Grey, 1903
Waren de door hem gesanctioneerde, eerder genoemde, geheime militaire besprekingen met Frankrijk de facto al een schending van het neutraliteitsprincipe, (Nederland bijv. weigerde terecht militaire consultaties met België inzake een eventuele gezamenlijke verdediging tegen eventuele invallers) opvallender was dat Grey het Britse kabinet over deze militaire beraadslagingen met Frankrijk, in het geheel niet inlichtte. (11)

Hij begreep heel goed dat dit soort gesprekken op grote tegenstand zou stuiten. Wel lichtte hij de minister-president in die, met enige aarzeling (hij schreef op 2 februari 1906: ’it comes very close to an hounorable understanding and it will be known on both sides of the Rhine’). (12), de besprekingen goedkeurde. Grey hield deze geheimzinnigheid gedurende zijn gehele loopbaan vol en dit gaf vaak aanleiding tot grote frustraties. Een der parlementsleden. Lord Repington, schreef daarover:

‘We could not, at that time, so much as hint that we might ever be engaged upon the continent of Europe, because we were immediately treated to every kind of abuse for suggesting such a thing.’ (13)

Overigens, naast Asquith werden ook de minister van Oorlog Haldane alsmede enkele generaals en topambtenaren in Grey’s geheime politiek ingewijd en het was deze groep die uiteindelijk tot de conclusie kwam dat Groot-Brittannië over een legermacht moest te beschikken die, in geval van oorlog op het vaste land, snel overzee gezonden kon worden om Frankrijk te helpen verdedigen als Duitsland tot de aanval overging.

Op 10 januari 1906 riep Haldane de generale staf bijeen en kort daarop diende hij al een plan in voor de vorming van een zogenaamde ‘Expeditionary Force’ die binnen veertien dagen voor dat doel in Frankrijk of België kon landen. Natuurlijk werden hierover in het Lagerhuis weer vragen gesteld en in eerste instantie werd als reden voor de vorming van zo’n strijdmacht opgegeven dat ze nodig werd voor de verdediging van India maar deze bewering moest al spoedig weer worden ingetrokken.

Churchill en Lloyd George, toen beiden lid van het ‘Comité ter vermindering van de uitgaven voor de bewapening’, protesteerden heftig en toonden aan dat zo’n strijdmacht voor India helemaal niet noodzakelijk was. Haldane zag zich daarop genoodzaakt met zwaardere argumenten op tafel te komen en op 25 juni 1907 verscheen zijn memorandum waarin hij onder meer als terloops stelde:

‘after all, we have certain treaty obligations which might compell us to intervene on the continent’ (14)

Uiteraard kwamen er nu weer vragen vanuit het parlement maar debatteren over het hoe en waarom van de buitenlandse politiek werd toentertijd nog beschouwd als een prerogatief van Buitenlandse Zaken en vragen daarover waren niet erg populair. Al snel nam men dan ook genoegen met hetgeen Haldane had verklaard.

Groot-Brittannië besluit tot de oprichting van een ‘British Expeditionary Force’

Zo kon het gebeuren dat, zonder dat het Britse parlement daar de werkelijke redenen voor kende, in 1907 een begin gemaakt werd met de opbouw van een in principe tegen Duitsland gerichte legermacht, geschikt om binnen twee weken na mobilisatie, te worden ingezet in België en/of Frankrijk ter assistentie van de Franse strijdkrachten in een te verwachten oorlog met Duitsland. (15)

Het was ook toen dat de Britten militaire besprekingen met België startten om ook dit land te betrekken in de tegen Duitsland gerichte plannen. (16) Deze besprekingen werden van Belgische zijde gevoerd door de generaal Ducarne die, in tegenstelling tot de gedachten die daaromtrent bij zijn regering leefden, volledig openstond voor het Britse aanbod en zelfs toezegde de Duitsers te zullen aanvallen zodra deze meer dan 3 of 4 divisies rond Aken zouden hebben samengetrokken. (17)

De Belgische militaire top deed verder pogingen Nederland te polsen over een mogelijke militaire samenwerking in geval van oorlog met Duitsland. Een discussie tussen Belgische en Nederlandse officieren die op 22 februari 1907 te Breda plaatsvond, maakte echter duidelijk dat de Nederlanders daar niets voor voelden. De Nederlandse Vereniging voor Krijgswetenschappen gaf daarna, bij monde van de kapitein Tonnet, te kennen dat:

‘België en Nederland er beter aan deden gescheiden te blijven opereren en ieder voor zich z’n eigen maatregelen te treffen.’ (18)

James Grierson
James Grierson
Het was de Britse generaal Grierson die, met volledig medeweten en instemming van de minister van Buitenlandse Zaken, Sir Edward Grey, de Brits-Belgische besprekingen sanctioneerde en met de Belgen overeen kwam om in geval van oorlog, ruim 100.000 Britse militairen in België te zullen landen. (19)

De opvolger van Grierson, generaal Wilson (1910), verhoogde dit aantal tot 160.000 man en toen in 1912, België als gevolg van de veranderde internationale situatie, zich aarzelend ging opstellen ten opzichte van deze plannen, stelde Wilson nieuwe landingsschema’s op waarbij hij er van uitging dat deze landingen mogelijk ook tegen de zin van de Belgische regering in moesten plaatsvinden. (20)

Opvallend daarbij was dat dus ook de Britse militaire leiding een schending van de mede door Groot-Brittannië gegarandeerde neutrale grenzen van België, in geval van militaire noodzaak, kennelijk aanvaardbaar achtte. Zij kreeg daarbij overigens steun uit onverwachte hoek. Het was de Belgische minister Favereau, die op een vraag of Belgische troepen de Nederlandse en/of Luxemburgse grens mochten overschrijden als in die landen ‘vreemde’ (lees Duitse) troepen aanwezig zouden zijn, bevestigend antwoordde.

Zijns inziens zou men alleen de betrokken regeringen van zo’n overschrijding op de hoogte moeten stellen maar hun toestemming daartoe zou niet nodig zijn omdat, uitgaande van de veronderstelling dat deze ‘vreemde’ troepen acties tegen België van zins waren, ‘België dan toch uitsluitend gebruik maakte van haar legitieme recht tot zelfverdediging. De militaire noodzaak tot schending van de neutraliteit van andere landen zou dan zwaarder wegen dan het feit van deze schending zelf’. (21)

Gezien tegen het licht van al deze uitspraken, was de veroordeling van Duitsland voor het schenden van de Belgische neutraliteit door de geallieerden, toch wel wat hypocriet want men schrok daar kennelijk zelf ook niet van terug waarbij nog kan worden aangetekend dat Duitsland zich, in tegenstelling tot haar vijanden, op de ‘binnenlijnen’ bevond en zich dus, ook volgens huidige militaire inzichten, inderdaad op pure militaire noodzaak kon beroepen.

Overigens, ook de Franse generale staf had plannen ontwikkeld om België, eventueel zonder toestemming van de Belgische regering, binnen te vallen en verzoeken tot toestemming daartoe aan de Franse president Poincaré, bleven tot vlak voor het uitbreken van de oorlog binnenkomen. (22)

Wilson als mede-architect van de Eerste wereldoorlog

Terug nu weer naar de Britse generaal Wilson, die naast Grey, gezien kan worden als een der voornaamste architecten achter de Britse politiek met betrekking tot het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog.

Churchill, die hem eens in zijn kantoor bezocht schreef over deze generaal dat:

‘he had acquired an immense volume of knowledge about the Continent. He knew the French Army thoroughly and was deeply in the secrets of the French General Staff. For years he had been labouring with one object, that if war came, we should act immediately on the side of France. The whole wall of his room was covered by a gigantic map of Belgium across which every practicable road by which the German Armies could march for the invasion of France, was painted clearly.’ (23)

Henry Hughes Wilson
Henry Hughes Wilson
Vanaf zijn benoeming tot directeur ‘Military Operations’ in augustus 1910 werd Wilson de belangrijkste inspirator van de Frans-Britse militaire samenwerking. Bij zijn eerste bezoek aan Frankrijk, in z’n nieuwe functie ontmoette hij uiteraard ook de Britse militaire attaché in Parijs en noteerde daarover in zijn dagboek:

‘There is much that I will change here and I suppose in the other Military Attache’s. They appear to me to be dealing with peace and not with war.’ (24)

Wilson deed er alles aan ook zijn politieke superieuren te overtuigen dat Engeland zich op oorlog diende in te stellen en de natie daarop moest voorbereiden (25) en hij spande zich in om de Brits-Duitse betrekkingen zoveel mogelijk onder druk te zetten. Zo lezen we onder andere:

‘There is a sort of somnolence in the Office which annoys me, so I am preparing another bomb to see if I can wake things up. Grey’s speech ( his statement of British policy in the House) was good. It will annoy the Germans and the British Radicals which is good’ (26)

en verderop:

‘I sent in my final appeal to Nick to help me to get ready for war; if he does not take action on this I will not do anything more until he goes away, and then I will begin on French’. (27)

In 1911 (ten tijde van de Maroccocrisis) had Wilson een gesprek met Grey en Churchill waarbij men overeen kwam het Britse volk op oorlog voor te bereiden. (28)

Uiteraard had Wilson ook aan de praktische uitvoering van zijn oorlogsplannen gewerkt en al in maart 1911 waren de schema’s voor een landing van de ‘BEF’ in Frankrijk en België binnen 9 dagen na mobilisatie, tot in detail gereed en terwijl Wilson steeds de verklaringen van Grey in het parlement, dat Engeland geen enkele militaire verplichting had ten opzichte van Frankrijk, ondersteunde, vertelde hij de Fransen dat de militaire besprekingen de facto een Britse garantie tot actieve ondersteuning waren en op 20 juni 1911 tekende hij zelfs een overeenkomst met de Franse generaal Dubail waarin werd geregeld dat Engeland met zes- in plaats van slechts vier divisies de landingen in Frankrijk en/of België zou ingaan. (30) En ook van deze toezeggingen en afspraken wist de meerderheid van de Britse regering en het Britse parlement totaal niets af.

Toen daarop de internationale situatie zich, ten tijde van de tweede Marokkocrisis in 1911, toespitste en de spanningen tussen Duitsland en Frankrijk hoog oplaaiden ontving Wilson van een van zijn bronnen bericht dat de Franse regering de mogelijkheden van een gewapend conflict onderzocht. Onmiddellijk zond hij een telegram aan de Franse generale staf waarin hij mededeelde dat als zo’n conflict zou uitbreken:

‘it was vital that Germany should appear to be the responsible party. Should France to be the aggressor, public opinion would be divided and English intervention would find itself greatly retarded’. (31)

Intussen moest Wilson zijn geheime afspraak met de Franse generaal Dubail nog waarmaken en hij begon dan ook alarmerende berichten over de Duitse gevechtskracht rond te strooien.

Richard Haldane
Richard Haldane
Op 9 augustus van dat jaar, tijdens een lunch met Grey, Haldane, de minister van Oorlog en Lord Crowe, legde hij hun zijn 6-divisies-plan voor. Hij had hierover van te voren met Haldane overleg gepleegd die dezelfde dag, tijdens een diner met de minister-president, ook nog een duit in het zakje deed door zeer alarmerend te spreken over de militaire situatie en op een snelle beslissing over Wilsons voorstel aandrong. (32)

Asquith was zeer onder de indruk en belegde op 23 augustus een vergadering van het ‘Imperial Defence Committee’ waarbij Wilson als voornaamste spreker optrad om zijn voorstellen toe te lichten. De Admiraliteit, die vreesde dat als een en ander werd aangenomen dit ten koste van de marine zou gaan, stemde tegen maar werd door de overige aanwezigen, waaronder Lloyd George en Churchill, overruled waarna het ‘zes divisieplan’ zonder stemming werd aanvaard. (33)

Ook nu weer werd het kabinet volstrekt gepasseerd, sterker nog, bepaalde leden van de commissie, onder wie Morley, Loreburn, Harcourt en Burns, had men zelfs niet bij deze zitting uitgenodigd maar deze kwamen daar natuurlijk al spoedig achter. (34) Asquith schreef hierover aan Haldane dat:

‘evidently someone had informed Morley, who is quite the most impossible colleague that ever entered a British Cabinet’ (35)

Loreburn, de Lord Chancellor, en dus niet de eerste de beste, ging niet akkoord met de gang van zaken en schreef nu een zeer scherpe nota aan Grey waarin hij zijn vermoedens uitsprak over de geheime Frans-Britse militaire afspraken en een verklaring eiste. Grey negeerde dit verzoek echter volkomen (36) waardoor Loreburn, nu nog sterker geprikkeld, de zaak zelf ging onderzoeken en ontdekte dat:

‘everything had been arranged for the landing of a force of 150.000 man on the French coast, down to the minutest detail of the departure and arrival of the trains and the stations at which they should get refreshments. This had all been arranged by members of the “Imperial Defence Committee’. (37)

Het is duidelijk dat men nu gealarmeerd was en op 1 november 1911 tijdens een voltallige kabinetszitting, beschuldigde minister Morley, Grey er van een geheim verdrag te hebben gesloten met Frankrijk en dit voor kabinet en parlement te hebben verzwegen.

Zowel Asquith als Grey ontkenden dit in alle toonaarden en bagatelliseerden de zwaarte van de afspraken. Ze zwoeren dat Engeland geen enkele verplichting was aangegaan en de handen volkomen vrij had. Ditmaal hechtte het kabinet echter geen geloof aan hun verhalen en verschillende ministers dreigden met ontslag als er niet snel een openbaar debat zou worden gehouden. (38)

Premier Herbert Henry Asquith
Premier Herbert Henry Asquith
De minister-president, die zijn positie in gevaar zag komen, koos nu eieren voor zijn geld en schreef voor de 15e november een nieuwe kabinetsvergadering uit.

Opnieuw eiste men opheldering en wederom verklaarde Grey dat Engeland geen enkele verplichting ten opzichte van Frankrijk op zich had genomen. Lord Loreburn dreigde ontslag te nemen als de waarheid niet boven tafel kwam en ook Morley en Harcourt accepteerden de verdediging van Grey niet. Men eiste nu een schriftelijke verklaring van de minister-president dat:

‘communications (with France) if related to concerted actions by land or sea, should not be entered into without previous approval of the Cabinet’. (39)

Deze verklaring werd tenslotte noodgedwongen afgegeven ook al vertelde Grey de ‘Commons’ op 27 november dat:

‘there may be reasons why a Government should make secret arrangements of that kind if they are not things of first rate importance, if they are subsidiary to matters of great importance. But this is the very reason why the British Government should not make secret engagements which commit Parliament to obligations of war’. (40)

In theoretische- en praktische zin, (Grey heeft nooit, tot aan het uitbreken van de oorlog, ook maar een officiële handtekening gezet onder welk verdrag met Frankrijk inzake militaire samenwerking dan ook) was wat Grey verklaarde juist, maar in essentie doelbewust misleidend. (41) De besprekingen met Frankrijk waren al veel te ver gegaan en konden moeilijk meer worden teruggedraaid. Voorlopig was de zaak binnen het Kabinet echter weer wat gesust en Grey ging rustig door met zijn geheime politiek.

Lloyd George, (de latere minister-president) die toch aanwezig was tijdens de vergadering van het Imperial Defence Committee op 23 augustus en daardoor volledig op de hoogte was van de Brits-Franse besprekingen (42) heeft deze spreekwoordelijke geheimzinnigheid van Grey later proberen te gebruiken om zijn eigen bekendheid met de feiten te verdoezelen. Na de oorlog schreef hij in zijn memoires:

‘nearly all of us, even Cabinet ministers, were kept sedulously in the dark about our Foreign conversations and commitments. None of these were placed at the disposal of the Cabinet. They were passed to the prime-minister and perhaps to one or two other ministers, the rest of us were kept in the dark. There is abundant evidence that both France and Russia regarded the military arrangements as practicable tantamount to a commitment on our part to come to the aid of France in the event of war with Germany’. (43)

Ware woorden, maar Lloyd George verzuimde er hij te vermelden dat hij zelf, als lid van het Imperial Defence Committee, wel volkomen op de hoogte van de feiten was, zoals we nu inmiddels weten.

Zoals gezegd, Grey zette zijn politiek onverdroten door ondanks de grote druk die door individuele kabinetsleden op hem werd uitgeoefend. Hij had dit al eens eerder meegemaakt, namelijk in 1906 toen Sir Campbell en Asquith grote twijfel hadden over de politieke wijsheid om de militaire besprekingen met Frankrijk voort te zetten. Grey, gesteund door Haldane, had toen elk bruikbaar argument- en elk denkbaar middel toegepast en de gehele zwaarte van zijn functie ingezet om die besprekingen te laten doorgaan. Uiteindelijk kreeg hij die toestemming nadat hij had beloofd dat de besprekingen door de Fransen niet zouden worden opgevat als een verplichting van Engeland en verder moest hij, we schreven het al, zeker stellen dat de Fransen nooit als eerste een aanval zouden openen en voet op Belgische bodem zouden zetten als de oorlog met Duitsland uitbrak.

Zoals bekend heeft Frankrijk zich strikt aan deze eis gehouden toen ze, vlak voor het uitbreken van de oorlog, haar troepen 10 kilometer van de grens terugtrok en zo voorkwam dat Franse soldaten als eerste de grens zouden overschrijden en als agressor konden worden aangemerkt.

Deze tactiek was ook de sleutel van Grey’s geheime politiek. Voor hem hing er alles van af dat de Duitsers als eerste België zouden binnen vallen. Hij wist dat noch het Britse volk noch het kabinet tot deelname aan een oorlog tegen Duitsland bereid zou zijn, tenzij hij Engeland de rol zou kunnen laten spelen van ‘redder van België’ als dat land onverhoeds en onverdiend door Duitsland werd overvallen. (44) De Britse publieke opinie zou dan spontaan de zijde van België kiezen en volk en regering zouden de rijen vast aaneen sluiten en Grey rekende er op dat alleen dat- en niets anders, Engeland daadwerkelijk aan de kant van Frankrijk en Rusland in de oorlog zou brengen.

Zou zo’n oorlog ontstaan, dan was het dus van eminent belang dat Frankrijk niet, zoals hij gezien de nogal agressieve Frans-Russische politiek ten opzichte van Duitsland vreesde, als eerste de Belgische grens overschreed omdat dan Frankrijk- en niet Duitsland als agressor beschouwd kon worden, waardoor de Britse regering en de publieke opinie deelname aan zo’n oorlog niet zou steunen. (45)

De Brits-Russische verhoudingen

Al in 1895, maar ook in latere jaren, had Grey zich, zoals bekend, herhaaldelijk uitgesproken voor nauwere betrekkingen met Rusland en hij had daartoe twee belangrijke redenen. De eerste- en meest voor de hand liggende, was de bedreiging die van Rusland uitging ten opzichte van de Britse belangen in Centraal Azië en met name ten opzichte van India vanwaar de Britse bevelhebber constant waarschuwingen en verzoeken om versterkingen naar de regering in Engeland deed uitgaan.

Een verdrag dat de Brits-Russische invloedssferen in dit gebied zou regelen zou zeker een eind kunnen maken aan de latente spanningen en verder tot enorme financiële besparingen kunnen leiden omdat de strijdkrachten die het Britse Rijk in India op de been moest houden, dan weer tot normale proporties konden worden teruggebracht.

Er was echter nog een tweede, eveneens zeer belangrijke reden om met de Russen tot overeenstemming te komen. Grey schreef in 1906 aan zijn ambassadeur “Spring Rice”:

’I am impatient to see Russia re-established as a factor in European politics”. (46)

…en wat later schreef hij:

’an Entente between Russia, France and ourselves would be absolutely secure”. (47)

…en verder:

’If it is necessary to check Germany, it could be done’. (48)

…en na het bezoek van Edward VII aan Reval schreef Grey:

’Ten years hence, a combination of Britain, France and Russia may be able to dominate Near Eastern policy’. (49)

Een overeenkomst met Rusland diende dus twee doelen en zou uiteraard ook zeer wel passen in de Brits-Franse samenwerking en deze meer inhoud geven waardoor de Entente de facto werkelijkheid kon worden. (50)

Tsaar Nicolaas II van Rusland
Tsaar Nicolaas II van Rusland
Op 31 augustus 1907 was het zo ver en kon men met Rusland een verdrag ondertekenen. Juist op tijd overigens, want vreemd genoeg was de verhouding tussen Rusland en Duitsland aanmerkelijk verbeterd. Dit bleek onder andere uit een brief die Grey ontving van zijn ambassadeur in St.Petersburg waarin deze mededeelde dat, indien de tsaar en zijn regering op dat moment niet gebonden zouden zijn aan ‘andere’ politieke afspraken, zij mogelijk met plezier weer een alliantie met Duitsland wilden overwegen.

‘Vandaag de dag is de invloed van Duitsland alhier zeer sterk aanwezig, zowel aan het Hof als bij de regering’, schreef de ambassadeur. (51)

Het kostte Grey dan ook nogal wat concessies om zijn Russische collega Isvolski zo ver te krijgen het verdrag met Engeland te ondersteunen. Isvolski vroeg op zijn beurt een ‘vrije hand’ in de Balkan en Grey ging tenslotte zelfs zo ver te suggereren dat, na ondertekening van de overeenkomst, Groot-Brittannië mogelijk een herziening van het zogenaamde “Straits-verdrag”, dat Russische oorlogsschepen de toegang tot de Dardanellen en de Bosporus- en dus tot de Middelandse Zee ontzegde, zou helpen ondersteunen. (52)

Grey kon tevreden zijn. De anti-Duitse aspecten van het verdrag werden niet publiek gemaakt (53) maar waren manifest aanwezig, ook al claimden de Britten dat de overeenkomst strikt defensief was. Het verdrag stelde Grey in staat invloed uit te oefenen op Japan om daar de laatste resten van de anti-Russische sentimenten als gevolg van de Russisch-Japanse oorlog van 1904, weg te nemen. In geval van een oorlog met Duitsland was het voor Rusland natuurlijk van essentieel belang dat ze zich geen zorgen behoefde te maken over haar grens met Japan.

Er volgde nu een serie besprekingen tussen beide landen en op 8 juli 1912 sloot men een geheim verdrag waarin werd afgesproken dat in geval Rusland betrokken raakte bij een Europese oorlog, zij haar troepen in Siberië en Mantsjoerije, op twee korpsen na, uit deze gebieden kon terugtrekken en de bescherming van de Russische invloedssfeer in China, aan Japan zou overlaten waarbij Japan plechtig beloofde gedurende de afwezigheid van de Russen aldaar, geen Russisch grondgebied te bezetten. In ruil daarvoor beloofden de Russen zich niet te verzetten tegen een bezetting door Japan van de Duitse kolonie ‘Tsingtau’. (54) Zo was er weer een stukje van de legpuzzel ingevuld en werd de bundeling van de – tegen Duitsland gerichte – krachten verder versterkt.

De ontmoeting te Reval: Edward VII bezoekt de tsaar

Eduard VII van het Verenigd Koninkrijk
Eduard VII van het Verenigd Koninkrijk
Continueerde Grey in 1906 de militaire besprekingen met Frankrijk en sloot hij in 1907 een verdrag met Rusland, in 1908 volgde een nog belangrijker stap. In dat jaar organiseerde hij een ontmoeting tussen de Britse koning en de Russische tsaar, later bekend geworden als de ‘ontmoeting te Reval’. De Britse vorst vertrok met groot gevolg. Er was nogal wat te doen geweest over dit bezoek omdat de tsaar en zijn bewind nu niet bepaald populair waren bij het Britse volk. Maar Grey achtte een verdere versterking van de banden tussen beide landen noodzakelijk.

Er gingen namelijk geruchten dat Rusland haar marine in de Oost- en Zwarte Zee aanzienlijk wilde versterken en de daartoe noodzakelijke fondsen onttrekken wilde aan de beschikbare gelden bedoeld voor de uitbreiding van haar strijdkrachten in het Europese deel van het Rijk. (55) Dit zou de militaire positie van Rusland daar verzwakken hetgeen Grey onwenselijk achtte. De missie, mede bedoeld de Russen op andere gedachten te brengen, werd met groot succes afgerond.

Het is interessant te zien hoe het Britse bezoek in Rusland overkwam. De minister van Buitenlandse Zaken, Isvolski, schreef hierover:

‘Tijdens het bezoek vertelde de Britse onder-minister Sir Charles Hardinge, dat Rusland rond 1915-1916, in Europa als scheidsrechter zou kunnen optreden en dat het daarom de wens van de Britse regering was dat Rusland dan zo sterk mogelijk zou zijn. (56) De algemene indruk welke van dit koninklijke bezoek is overgebleven, is extreem positief, vooral vanuit politiek oogpunt. Koning Edward sprak openlijk zijn tevredenheid uit en zag in het bezoek een bevestiging en consolidatie van de tussen beide landen bereikte overeenstemming alsmede een wens voor verdere solidariteit.

De verschillende mededelingen van Hardinge samenvattend moet ik bovenal benadrukken dat van zijn kant geen enkele poging werd ondernomen ons van bestaande- of toekomstige overeenkomsten (met anderen) af te brengen of ons in andere politieke combinaties te manoeuvreren. Sir Charles bevestigde het feit dat hij- met ons- van mening was dat de bijeenkomst in Reval, geen enkele reden geeft tot onrust bij andere staten. Speciaal met betrekking tot Duitsland wenste de Britse regering de meest goede relaties met dit land te blijven onderhouden en hij geloofde dan ook dat deze goede relaties in de nabije toekomst niet onder druk zouden komen te staan.

Desondanks merkte Sir Charles op dat men de ogen niet kon sluiten voor het feit dat als Duitsland zou doorgaan met de uitbreiding van haar Marine op de zelfde versnelde wijze als op dit moment het geval was, er binnen 7 à 8 jaar een alarmerende situatie zou kunnen ontstaan in Europa. Rusland zou in die situatie dan zonder twijfel een beslissende rol kunnen spelen.

Om die reden, in het belang van de vrede en ter handhaving van de ‘balance of Power’, wenste de Britse regering dat Rusland zowel te land als op zee, zo sterk mogelijk zou zijn. Sir Charles herhaalde deze mening verschillende malen waarbij hij duidelijk zinspeelde op het feit dat dit niet alleen zijn mening, maar ook de besliste mening en overtuiging was van het Londense kabinet.’ (57)

Het was duidelijk, Grey wenste een militair sterk Rusland dat, op een moment dat men daartoe geschikt achtte, militair gereed zou zijn om samen met Frankrijk en Engeland de strijd aan te binden met Duitsland om dat land als machtsfactor in Europa, voorgoed uit te schakelen. Met deze Brits-Russische ‘overeenstemming’ had Grey overigens zijn welhaast profetische woorden uit 1895 waargemaakt toen hij schreef:

‘I think, a bold and skillful Foreign Secretary might detach Russia from the number of our active enemies without sacrificing any material British interest’. (58)

Groot-Brittannië ontwikkelt blokkadeplannen tegen Duitsland

Wat was toch de reden van de veranderende Britse houding ten opzichte van Duitsland? We nemen de lezer daartoe even mee terug in de tijd. Het was begin 1900 en de Britse regering begon zich zorgen te maken over de snel groeiende economische macht van Duitsland. Dit land maakte een enorme industriële ontwikkeling door en begon meer en meer te penetreren in markten die voorheen exclusief door de Britten werden beheerst.

Engeland, dat vanuit de door haar gekolonialiseerde landen een stroom van goedkope produkten en grondstoffen kreeg aangevoerd, begon zich af te vragen wat er zou gebeuren als deze toevoer, als gevolg van de Duitse concurrentie zou indrogen en vooral ook als deze toevoer geheel zou worden afgesneden, bijvoorbeeld tijdens een oorlog.

Reginald McKenna
Reginald McKenna
Het was ook in die tijd dat er geruchten gingen dat Duitsland haar marine nog verder wilde uitbouwen en dit werd door de Britten als een regelrechte bedreiging gezien. De Britse marine kreeg nu opdracht na te gaan wat de gevolgen voor het land zouden zijn als het de Duitsers inderdaad zou lukken de toevoer van goederen tegen te houden en hoe zo’n ramp zou kunnen worden voorkomen. (59)

De studie die de Royal Navy uitvoerde toonde aan dat zo’n blokkade desastreus zou zijn. Tegelijkertijd berekende men echter dat de economische tegenstander Duitsland, zelf nog veel afhankelijker was van open aanvoerlijnen voor de grondstoffen die zij nodig had om het productieproces te kunnen voortzetten. De conclusie was dan ook dat een volledige blokkade van Duitse havens in oorlogstijd, het wapen zou zijn waarmee men Duitsland op de knieën kon dwingen.

De Britse majoor Hankey, terzijde gestaan door admiraal Fisher, Lord Esher en de First Lord of the Admiralty, Reginald Mackkenna, ontwierpen daarop een economisch blokkadeplan waarbij de Britse marine, toen nog de sterkste ter wereld, de hoofdrol werd toebedacht. (60) Dat dit plan lijnrecht in ging tegen de door de Britten zelf mede opgestelde internationale zeewetten en ook moreel niet aanvaardbaar was (het was de eerste keer dat men de civiele bevolking officieel als oorlogsdoel koos) werd erkend, maar als noodzakelijk aanvaard. (61)

Het marineplan, dat door de opeenvolgende regeringen werd bestudeerd en aanvaard, vond zijn definitieve vorm in 1909 toen het door het ‘Imperial Defence Committee’ tot officiële strategie werd verheven. (62)
Door dit plan te aanvaarden hoopten sommigen dat een grote landoorlog met Duitsland zou kunnen worden voorkomen. (63)

Ter zee voelde men zich oppermachtig en zeker in staat zo’n blokkade met succes uit te voeren. Uiteraard lekte er het een en ander van de Britse plannen naar buiten uit en ijlings begon de Duitse regering zelf een onderzoek naar de gevolgen van een Britse blokkade in oorlogstijd. De uitkomst was grofweg gelijkluidend aan die van het Britse onderzoek, namelijk dat zo’n blokkade voor het Duitse Rijk dodelijk zou zijn. Deze conclusie was koren op de molen van admiraal Tirpitz en andere voorstanders van een sterke Duitse vloot. Tirpitz was van mening dat Duitslands marine zo sterk moest zijn dat het voor Engeland onaantrekkelijk werd haar blokkadeplannen door te zetten en voor deze gedachte ontving hij brede steun.
Het is het Duitse vlootbouw-programma geweest dat zo vaak genoemd wordt als een van de oorzaken van de wereldoorlog maar bij nadere bestudering lijkt dat toch een wat te gemakkelijke aanname. Wij komen hier nog nader op terug.

Groot-Brittannië start bewapeningswedloop met Duitsland

Rond 1906 kwam Engeland zelf met een formidabele uitbreiding van haar zeemacht door het gereedkomen van de eerste “Dreadnought”, een geheel nieuw type slagschip dat alles wat er op dat moment aan oorlogsschepen bestond, ver achter zich liet. Engeland verzekerde met dit schip haar positie als machtigste zeemacht ter wereld, voor jaren.

Men begreep wel dat zo’n uitbreiding van de Britse vloot tot reacties zou leiden. Zelfs Britse
Conservatieve kringen erkenden later dat met de bouw van deze “Dreadnought” een verscherpte wapenwedloop met Duitsland moest ontstaan. (64)

De Britten stelden nu voor om op de ‘Tweede Haagse Conferentie’ tot een soort ontwapenings-overeenkomst te komen en dienden zelfs voorstellen in tot verkleining van de Britse vloot. Dit, op het eerste gezicht, positieve voorstel bleek echter nogal misleidend. Engeland kon het zich, na de bouw van de ‘Dreadnought’ veroorloven een aantal verouderde schepen af te voeren of, zoals admiraal Fisher stelde:

‘we are on the threshold of a new era in naval-construction. Until the new ships are in commission, we have plenty of the old ones to fight with’.

Hoewel het best mogelijk is dat het ontwapenings-voorstel door de Liberalen welgemeend was, er waren felle debatten in het parlement en de ministerraad aan vooraf gegaan, bleek men de realiteit van de voorstellen toch niet erg duidelijk te hebben ingezien.

HMS Dreadnought in 1906
HMS Dreadnought in 1906

Die realiteit was dat iedereen kon begrijpen dat Engeland het zich veroorloven kon gedurende enige tijd geen- of minder schepen te bouwen en/of (verouderde) schepen af te stoten. Door het gereedkomen van de “Dreadnought”, had dit voor het land geen enkel serieus gevolg. Dit werd later door Grey toegegeven toen hij stelde dat:

‘we have reached the turning point and there is a prospect that the expenditure can be reduced considerably without sacrificing national safety’. (65)

Het is dan ook niet geheel onbegrijpelijk dat Duitsland zich tegen het Britse plan verzette, instemming daarmee stond immers gelijk met het aanvaarden van een voortdurende en grote achterstand ten opzichte van Engeland.

Men zag het ‘limitation’ voorstel als een poging druk op Duitsland uit te oefenen en de argwaan werd nog groter toen men in september van dat jaar ook nog geconfronteerd werd met berichten over het Brits-Russische verdrag dat men, terecht, als het begin van een ‘entente’ zag.

Ook de Duitse regering begon zich nu echt zorgen te maken en deze bezorgdheid werd steeds verder versterkt, vooral ook toen, na de Brits-Russische overeenkomst van 1907, op 25 mei 1908 de Franse president een officieel bezoek aan Engeland bracht en de Franse pers plotseling ging aandringen op het instellen van de dienstplicht in Engeland.

Ronduit gealarmeerd raakte men echter toen in datzelfde jaar de Britse koning een ontmoeting had met de tsaar en zich in zijn gevolg admiraal Fisher en maarschalk French bevonden. Hoge militairen neemt men meestal niet voor de grap mee en de Duitsers vermoedden dat er nu ook over een militair verdrag tussen beide landen werd gesproken en het waren bepaald niet alleen de Duitsers die er zo over dachten.

Ook in Engeland zelf raakte men in bepaalde kringen verontrust getuige een artikel in ‘The Nation’:

‘Grey sees the risk to European peace from German ambitions and he raises against that danger barrier behind barrier and after insurance, reinsurance. He seems to be nervously seeking for Allies on the Continent. A more dangerous policy than his of isolating a formidable and alert power, it would be hard to conceive. Such preparations against the “inevitable” war tend to realize the fear that has become an obsession’. (66)

Het was dus niet alleen Duitsland dat vond dat men bezig was het land te isoleren. Veel Britten dachten daar net zo over en feitelijk had Grey dit ook voor ogen toen hij stelde dat een combinatie van Engeland, Frankrijk en Rusland uiteindelijk in staat zou zijn Duitsland te domineren. (67)

Er was nog meer kritiek op de politiek van Grey en op de steeds toenemende defensie-uitgaven. Op 8 maart 1908 stelde de redactie van de “Albany Review” het verbazingwekkend te vinden dat een Liberale regering in vredestijd ruim 60 miljoen Pond Sterling aan defensie besteedde, terwijl de Imperialistische regering onder Lord Salesbury, kans had gezien 20 miljoen Pond minder uit te geven in oorlogstijd. (68) Grey trok zich van dit alles weinig aan.

De Britse Marinepaniek van 1909

Het was in januari 1909 dat de Britse Admiraliteit een rapport met vergelijkende cijfers over de Duitse en Britse vloten publiceerde waaruit bleek dat Duitsland in 1912 over minstens 21 Dreadnoughts zou beschikken. Om de Duitsers vóór te blijven eiste de Marine nu de bouw van acht Britse Dreadnoughts die dan in 1912 klaar moesten zijn. (69) Churchill, toen nog President of the Board of Trade, was daar fel tegen en verklaarde dat hij zich niet zou laten opjutten door:

‘the windy agitations of ignorant, interested and excited hotheads into wasting the public money upon armaments upon a scale clearly not designed merely for purposes of material defence, but being a part of a showy, sensational aggressive and jingo policy, which is supposed to gain popularity from certain unthinking sections of the community’(.as a result of a false lying panic started in the party interest’. (70)

Er was toch al veel kritiek op het marinebeleid want ’n jaar eerder schreef Eversly, lid van de oppositie in ‘The Nation’ van 1 en 5 augustus 1908:

‘It is clear that a great error was committed by the Government when it came into power…in not at once reducing its naval and military expenditures to a peace footing. Had this been done, it is improbable that Germany would have propounded its recent Naval Programme. The opportunity was lost and what we now reduced to hope for is, that there will be no further increase’. (71)

Alhoewel Engeland steeds beweerde dat de Duitsers er op uit waren de sterkte van de Britse vloot te evenaren of zelfs te overtreffen, wijzen de cijfers toch iets anders aan.

David Lloyd George
David Lloyd George
Zo schreef Lloyd George in zijn memoires dat de Duitse vloot in 1912 nog bij lange na de sterkte niet had bereikt die door de admiraliteit was voorspeld en dat hij zich dan ook verzet had tegen de zinloze en geldverslindende voorstellen van de marine. (72) De Britse Marine speelde echter haar eigen rol en deed er alles aan om met een eigen nieuwbouwprogramma te komen als antwoord op de uitbreiding van de Duitse vloot.

Opnieuw verzette Churchill zich echter tegen de Marine-wensen en somde een groot aantal kritische punten op inzake de zijns inziens onverantwoordelijke beweringen van de regering met betrekking tot het Duitse vlootbouwprogramma. Hij wees de bouw van de gevraagde acht Dreadnoughts dan ook met kracht van de hand en verklaarde dat het duidelijk was dat de nationale veiligheid van Engeland op geen enkele wijze in gevaar kwam door het Duitse bouwprogramma. (73)

Een en ander had tot resultaat dat men zijn argumenten niet geheel terzijde durfde te leggen en men besloot uiteindelijk slechts vier Dreadnoughts te bouwen en de overige vier pas indien later zou blijken dat dit echt noodzakelijk was. (74) Later, in 1912, bleek dat Duitsland slechts tien Dreadnoughts bezat in plaats van de door de Britse Admiraliteit voorspelde eenentwintig. (75)

Minder bekend is overigens dat in juli 1908, tijdens een gesprek tussen Grey, Lloyd George en de Duitse ambassadeur Benckendorff, Lloyd George het voorstel deed om tot een oplossing van het probleem te komen door middel van een geheime overeenkomst. De Duitse keizer wees dit voorstel met kracht van de hand en reageerde met de mededeling dat hij een Britse nota die zou vragen om vermindering van het vlootbouwprogramma, als een oorlogsverklaring zou beschouwen. (76) ‘Dit soort verdragen behoort men openlijk te sluiten’ en hij adviseerde Engeland eerst maar eens zo’n verdrag met andere landen te bespreken zeggende:

’Wenn England uns nur seine Hand in Gnaden zu reichen beabsichtigt unter dem Hinweis, wir müssten unsere Flotte einschränken, so ist das eine bodenlose Unverschämtheit die eine schwere Insulte für das Deutsche Volk und seiner Kaiser in sich schliesst, die alimine vom Botschafter abgewiesen werden musste!’. (77)

Het feit dat Grey en Lloyd George, ondanks hun geheime overeenkomst met Frankrijk ook een geheime afspraak met Duitsland wilden maken, werpt natuurlijk wel een schril licht op de werkwijze van de toenmalige politici. Ook de nonchalance waarmede Lloyd George die afspraak wilde inleiden, zeggende dat:

‘a conference at The Hague was not the proper way to reach curtailment in naval expenditure. If, as he fervently hoped, it should ever come to this, it must not be tried in an official manner such as with an exchange of notes. Unofficial confidential discussions which must not be made public at all, would be more likely to conduce to the desired end’. (78)

…spreekt boekdelen over de wijze waarop hij dergelijke zaken dacht te kunnen behandelen.

De kritiek op Grey verstomde nooit helemaal en in 1910, kort na het overlijden van koning Edward VII, begon de Britse publieke opinie meer en meer aan te dringen op een betere verstandhouding met Duitsland en toen Grey daar niet ontvankelijk voor bleek te zijn, stelden enige kabinetsministers op eigen houtje een commissie samen teneinde dan zelf maar een concept-verdrag voor Brits-Duitse toenadering op te stellen en dit voor te leggen aan het voltallige kabinet. Uiteraard gaf dit aanleiding tot grote consternatie bij Buitenlandse Zaken. We lezen:

‘Nicolson (staatssecretaris) intensely disliked the development. Grey was perfectly sound but he (Nicolson) was afraid of several members in the Cabinet who desired to come to, what they term, a “friendly understanding” with Germany at all costs. (79) Nicolson viewed with great suspicion any activities designed to promote Anglo-German friendship. His particular concern was that Grey, in attempting to steer a middle course between the Germanphiles, who were pressing for an agreement- and his own loyalty to the existing entente with France and Russia, would move too far from our original position.’ (80)

Het is duidelijk dat Grey nu wel moest reageren en tijdens de daarop volgende kabinetszitting hield hij een meesterlijke speech waarbij hij de gemoederen zo wist te beroeren dat Churchill en Lloyd George, tot dan toe twee van zijn voornaamste critici, nu zijn kant kozen waarmee de voornaamste weerstand van de radicalen snel afbrokkelde en de druk om met Duitsland tot een goede verstandhouding te komen, al gauw afnam en uiteindelijk geheel verdween. Wederom was Grey er in geslaagd de gemoederen te bedaren en de rust te laten wederkeren.

Frans troepen in Marokko, maart 1912
Frans troepen in Marokko, maart 1912

De Marokkocrisis van 1911. Bijna oorlog. Agadir.

Grey en de zijnen waren amper tot hun dagelijkse routine teruggekeerd toen de ‘Agadir-kwestie’ de rust wreed verstoorde. Op 1 juli 1911 verscheen de Duitse oorlogsbodem ‘Panther’ plotseling op de rede van Agadir (Marokko). Duitsland wilde hiermee haar ongenoegen tonen met de zending van 20.000 man Franse troepen naar dit gebied om haar invloed daar gewapenderhand te vestigen zonder dat ze daarbij Duitsland consulteerde zoals bij het verdrag van Madrid toch duidelijk was afgesproken. Het zenden van een oorlogsschip was overigens wel een wat ruwe en onverstandige actie en leidde dan ook tot grote opwinding zowel in Frankrijk als in Engeland.

Churchill en de Duitse keizer Wilhelm II in 1906
Churchill en de Duitse keizer Wilhelm II in 1906
Het waren nu vooral Churchill en Lloyd George, die op het nemen van militaire maatregelen aandrongen. Nicholson schreef hierover:

‘Lloyd George and Winston, the two members of the Cabinet whom we always regarded as dubious and uncertain factors, were those who took up the strongest line and who were the readiest to go to the utmost extremities. In fact I believe they were a little disappointed that war with Germany did not occur’. (81)

Het was ook toen dat Grey besloot Engeland op oorlog voor te bereiden en hij belegde daartoe een vergadering waaraan onder andere Churchill, Lord George, Asquith, Haldane, Loreburn en Morley participeerden. De meerderheid bleek het met hem eens te zijn, maar Morley en Loreburn protesteerden en eisten nu het recht de zaak voor het gehele kabinet te brengen.

Omdat Frankrijk op tijd eieren voor z’n geld koos, liep de gehele zaak uiteindelijk met een sisser af maar men realiseerde zich zeer wel hoe dicht men bij een oorlog was geweest en tegelijkertijd ook hoe slecht men daarop eigenlijk was voorbereid.

Een en ander was er mede oorzaak van dat enige maanden later, begin 1912, in het geheim, een Brits-Franse marine-overeenkomst werd gesloten waarbij werd afgesproken dat de Fransen hun gehele vloot in de Middellandse Zee zouden samentrekken terwijl Engeland het grootste deel van haar in die zee gestationeerde schepen naar de Noordzee zou verplaatsen, waarbij Frankrijk de garantie ontving dat Engeland de Franse kusten zou beschermen tegen eventuele Duitse aanvallen. (82)

Alhoewel Churchill deze verplaatsing al op 18 maart 1912 in gang zette en ze in mei grotendeels was voltooid (83) waren de onderhandelingen daarover met de Fransen – die in juli ook met de Russen een marine-verdrag hadden gesloten – opnieuw geheel buiten het parlement omgegaan. Natuurlijk bleef de vlootverplaatsing niet onopgemerkt en werden er weer vragen gesteld die zoals gebruikelijk, door Grey weer met nietszeggende antwoorden werden afgedaan. (84)

Deze houding leidde nu tot een ware ‘Grey must go’-stemming en had uiteindelijk tot gevolg dat deze nu toch opening van zaken moest geven om erger te voorkomen. Voor de eerste maal gaf hij nu toe dat er toch geheime militaire besprekingen met Frankrijk gaande waren en maakte hij de inhoud daarvan, aan een geschokt toeluisterend kabinet, openbaar. (85) Lloyd George schreef hier later over:

‘When in 1912, six years after they have entered into, Grey communicated these negotiations and arrangements to the Cabinet, the majority of its members were aghast. Hostility scarcely represents the strength of the sentiment which the revelation aroused, it was more akin to consternation’. (86)

Niet geheel onbegrijpelijk, want nog geen jaar daarvoor hadden Asquith en Grey het kabinet nog beloofd dat er geen afspraken gemaakt zouden worden zonder daarvoor vooraf toestemming aan het kabinet te vragen en nu bleek deze belofte niet te zijn gehouden. Grey moest nu, onder grote druk van zijn collega’s, beloven de verhouding met Duitsland te verbeteren en hij benadrukte nogmaals dat de gevoerde besprekingen met Frankrijk slechts verkennende gesprekken waren geweest die tot geen enkele verplichting hadden geleid, ‘since we have not made a single secret agreement of any kind since we came into Office’. (87)

Ook ditmaal echter negeerde men Grey’s verhalen en eiste men dat hij Frankrijk ‘zwart op wit’ mededeelde dat Engeland zich niet verplicht achtte om Frankrijk in tijd van oorlog bij te staan en dus de handen volledig vrij hield. Ogenschijnlijk leek Grey aan deze opdracht te gehoorzamen en zond de gevraagde brief op 22 november 1912 aan de Franse ambassadeur in Londen waarbij hij inderdaad mededeelde dat Engeland zich niet gebonden achtte door de militaire besprekingen. Hij eindigde de brief echter met de woorden:

‘You have however pointed out that if either Government had grave reasons to expect an unprovoked attack by a third Power, it might become essential to know whether it could, in the event, depend upon the armed assistance of the other. I agree that in such a case, one should immediately discuss whether both Governments should act together to prevent agression and to preserve peace and if so, what measures they would be prepared to take in common. If these measures involved action, the plans of the general staffs would at once be taken into consideration and the Governments would then decide what effect should be given to them’. (88)

Met deze brief had Grey enerzijds voldaan aan de eisen van het kabinet, maar met het slot ervan niet alleen alles weer ongedaan gemaakt, maar de facto de Fransen alleen nog maar meer gesterkt in hun mening dat, in geval van oorlog, Engeland aan hun kant zou meevechten. (89)

Grey zelf begreep zeer goed dat hij met deze brief het kabinet opnieuw misleidde. Dat blijkt ook wel uit het feit dat toen hij in augustus 1914 zijn verklaring inzake de, volgens hem, door Engeland steeds nauwgezet volgehouden neutraliteits-principes voor het Lagerhuis aflegde – en daartoe zijn in 1912 aan de Franse ambassadeur geschreven brief als bewijs voorlas – hij juist dit laatste deel, het compromitterende deel dus, wijselijk wegliet (90), daarmee suggererende dat Engeland toen dus de handen nog geheel vrij had en geen enkele verplichting op zich had genomen.

In zijn memoires verdedigde Grey zich later, zeggende dat hij de betreffende zinnen ‘vergeten’ was te vermelden en hij verwees daarbij naar het drie dagen later gepubliceerde Britse ‘witboek waarin de brief wel volledig was opgenomen. Toen echter was de oorlogsbeslissing al gevallen en was geen mens meer in zulke ‘details’ geïnteresseerd. Het is duidelijk dat Grey het niet heeft aangedurfd met de waarheid te komen omdat dit mogelijk alsnog zou zijn aangegrepen om het kabinet op het nippertje te laten vallen en zo Engeland buiten de oorlog te houden.

Terug nu weer naar de Agadircrisis. Zoals gezegd had deze crisis Engeland zeer dicht bij een oorlog gebracht en het kabinet had Grey nu toch in een moeilijke positie gebracht. Hij werd gedwongen voorzichtiger te worden en hij deed er nu, ogenschijnlijk, alles aan om zijn critici terwille te zijn. De roep tot een betere verstandhouding met Duitsland werd echter steeds sterker en dit was dan ook een van de redenen waarom hij zich akkoord verklaarde met het zenden van de minister van Oorlog, Lord Haldane, naar Berlijn die daar dan besprekingen zou gaan voeren over een mogelijke oplossing van het zogenaamde ‘vlootprobleem’. Dergelijke besprekingen zouden, zo dacht Grey, moeten aantonen dat het hem ernst was om met Duitsland tot betere betrekkingen te komen en de oppositie, zo hoopte hij, tevreden stellen.

Een missie die mislukken moest

We komen nu toe aan het hoofdstuk van de Brits-Duitse onderhandelingen inzake het Duitse vlootbouw-programma. In eerste instantie hadden de Britten zich niet al te veel aangetrokken van het bekend worden van de Duitse plannen om hun vloot te vergroten en te moderniseren.

De Duitse admiraal Tirpitz, die er van overtuigd was dat, in geval van oorlog, de Britten een economische blokkade op het oog hadden, diende z’n befaamde vlootwet in november 1897 bij de Rijksdag in, die deze op 28 maart 1898 goedkeurde met 212 tegen 139 stemmen nadat de minister van Financiën, Von Thielmann verklaard had dat er voor deze vlootwet geen extra belastingen nodig zouden zijn omdat, dankzij de toenemende welvaart, het Rijk in staat was de extra uitgaven voor de vloot te bekostigen zonder hiervoor nieuwe bronnen te moeten aanboren. (91) Het is waarschijnlijk geen toeval geweest dat de Britse minister van Koloniën, Chamberlain, op 1 april 1898 Duitsland benaderde met voorstellen tot samenwerking. (92)

Alfred von Tirpitz
Alfred von Tirpitz
Deze samenwerking zou onder meer inhouden dat Engeland Duitsland zou bijstaan als dit land werd aangevallen en uiteraard zou ook het omgekeerde moeten gelden. Chamberlain wilde met zo’n verdrag een halt toeroepen aan de Russische expansie in Azië. (93) De toenmalige Duitse Rijkskanselier, von Bülow, reageerde echter koel omdat hij de goede Duits-Russische betrekkingen niet op het spel wilde zetten. Helemaal afwijzen wilde hij het Britse voorstel echter ook niet en hij voerde dan ook min of meer een vertragingstactiek door de besprekingen wel voort te zetten zonder echter directe resultaten na te streven.

Chamberlain dreigde daarop dat Engeland dan een verbond met Frankrijk en Rusland zou sluiten. Von Bülow liet zich hierdoor echter niet intimideren en bleef afwijzend en onduidelijk en vanaf dat moment begon de verwijdering tussen beide landen zich langzaam maar zeker te manifesteren. We komen op deze Britse toenaderingspogingen elders nog uitvoerig terug.

Twee jaar later (1900) diende Tirpitz zijn tweede vlootwet in, bedoeld om Duitsland nog onafhankelijker te maken van Groot Brittannië. (94) Duitsland had overigens niet de illusie noch de bedoeling, zoals wel gesuggereerd is, om Engeland in slagkracht voorbij te streven maar dacht wel een vloot te kunnen bouwen die groot genoeg zou zijn om eventuele Britse blokkadeplannen te kunnen dwarsbomen. Tegelijkertijd hoopte Tirpitz met een krachtige vloot mogelijke bondgenoten te kunnen aantrekken, bijvoorbeeld Frankrijk en/of Rusland. Pas rond 1903-1904 begonnen de Britten zich over deze ontwikkelingen echt zorgen te maken en besloot men tot invoering van de zogenoemde ‘Two Power Standard’. Tegelijkertijd richtte men een sterke vlootbasis in te Rosyth in de Noordzee en dit was eigenlijk het eerste Britse antwoord op de Duitse vlootuitbreidingen.

En zo begon een tijdperk van acties en tegenacties waaraan voorlopig geen eind meer zou komen. Door de Brits-Franse entente, de concentratie van de Britse vloot in de Noordzee en vooral ook door de Marokko-crisis, raakte men in Duitsland nog meer overtuigd van de noodzaak de eigen vloot zo sterk mogelijk te maken. (95)

De indienststelling van de ‘s werelds sterkte slagschip, de ‘Dreadnought’ – waardoor de Duitse marine weer op een grote achterstand werd gezet – en de direct daarop volgende Britse voorstellen om over te gaan tot vermindering van het aantal schepen van beide marines (waarbij de Britten uiteraard de overhand behielden), was ook al niet erg geschikt om de Duitsers gerust te stellen en Tirpitz begon dan ook al aan nieuwe plannen te werken om de door de ‘Dreadnought’ veroorzaakte achterstand, zo snel mogelijk weer in te lopen. Het resultaat daarvan was dat er in Engeland steeds meer stemmen opgingen deze dwaze wapenwedloop te beëindigen en de verhouding met Duitsland te verbeteren en de druk op Grey vanuit zijn eigen partij groeide dan ook gestaag.

Het was uiteindelijk de Duitse reder Ballin, directeur van de machtige Hamburg-Amerika Lijn, in die tijd de grootste rederij ter wereld, die, bezorgd over de verslechterende verhouding tussen beide landen, contact opnam met zijn Britse zakenrelatie Sir Ernest Cassel, een bankier van Duitse afkomst en vriend van Koning Edward VII.

HMS Dreadnought in 1906
HMS Dreadnought in 1906

Ballin had zich tevoren verzekerd van de goedkeuring van de keizer en de Rijkskanselier die beiden eveneens de toenemende wapenwedloop met zorg bezagen-en hij liet nu, via Cassel, aan Grey weten dat Duitsland interesse had om te praten over vermindering van de spanningen. Dit bericht werd door Grey met gemengde gevoelens ontvangen maar hij begreep dat hij een en ander niet zonder meer naast zich kon neerleggen. Hij riep nu Haldane en Churchill bij zich en legde hen het voorstel voor waarop besloten werd om een positieve reactie te sturen. Men stelde een memorandum samen (96) waarin de basis voor een bespreking met Duitsland over de vermindering van de spanningen werd neergelegd en waarin de volgende wensen werden uitgesproken:

  1. Erkenning door Duitsland van de Britse superioriteit ter zee.
  2. Duitsland diende bereid te zijn haar huidige vlootprogramma niet verder uit te breiden, liever te verminderen.
  3. Als tegenprestatie was Engeland bereid Duitsland te steunen in haar koloniale interesses.
  4. Engeland was bereid een overeenkomst te sluiten waarin zou worden vastgelegd dat beide landen niet zouden deelnemen aan agressieve combinaties ten opzichte van elkaar.

Met dit memorandum op zak vertrok Cassel naar Berlijn waar Ballin een ontmoeting had georganiseerd met de opvolger van Von Bulow, Rijkskanselier Bethmann Hollweg. Deze deelde, na bestudering van het memorandum, mee een en ander te kunnen aanvaarden als uitgangspunt voor eventuele onderhandelingen al wees hij er wel op dat de nieuwe Duitse vlootwetten van 1912, al in behandeling waren genomen. Grey werd nu officieel uitgenodigd naar Berlijn te komen. Deze had hierop waarschijnlijk niet gerekend en al in dit stadium valt het op dat hij steeds weer redenen vond om te voorkomen dat hij te officieel bij een en ander betrokken werd.

Hij begon dan ook met, via Cassel, een aanvullende eis aan het memorandum toe te voegen. Duitsland zou zich eerst nog bereid moeten verklaren de al in behandeling genomen vlootwetten te modificeren. Het antwoord kwam vlug en was positief. Wel werd als voorwaarde gesteld dat Engeland dan bereid moest zijn zich positief te oriënteren ten opzichte van Duitsland en zich, in geval van een eventuele oorlog, neutraal op te stellen. (97)

Ernest Cassel
Ernest Cassel

Onder druk van de oppositie brak Grey de besprekingen niet direct af maar hij weigerde naar Berlijn te gaan, enerzijds omdat hij niets in de besprekingen zag- en ze zelfs gevaarlijk achtte voor de goede verstandhouding met Frankrijk, anderzijds omdat hij bang was dat een eventuele slechte afloop (die hij verwachtte) van deze besprekingen wel eens aan hem verweten zou kunnen worden. (98) Na rijp beraad werd besloten Haldane, die bovendien vloeiend Duits sprak, naar Berlijn af te vaardigen maar deze kreeg daarbij strikte instructies. Zo werd hem gevraagd zoveel mogelijk informatie te verzamelen, met name over de Duitse plannen met betrekking tot de Baghdad-Spoorweg en verder waarschuwde Grey hem dat:

‘there is no question of entering into negotiations. We desire only to learn the intentions of the German Government and to inquire its plans for a naval program’. (99)

Morell schreef over het vertrek van Haldane naar Berlijn:

‘De regering zond Haldane naar Duitsland. Dit was een ongelukkige keus omdat hij tot het driemanschap behoorde dat verantwoordelijk was voor het geheime bondgenootschap met Frankrijk en bovendien was hij hoofd van het departement dat belast was met het toezicht op de wijze waarop aan dit bondgenootschap inhoud werd gegeven’. (100)

Als het aan Grey had gelegen was er echter niemand naar Berlijn gegaan. De druk van de oppositie was echter te sterk. Grey, zag, volgens zijn biograaf Trevelyan, de missie Haldane dan ook als een tegemoetkoming aan de Radicalen die hem het liefst zagen vertrekken uit de regering. (101) Overigens informeerde Grey voordat Haldane naar Berlijn vertrok, de Franse ambassadeur in Londen (102) en deelde deze mede dat, gezien de spanningen tussen Engeland en Duitsland, er wel met dit land gesproken moest worden maar, zo voegde hij er aan toe:

‘whatever developments may occur, we shall take care that they are not such as to impair our relations between France and ourselves’. (103)

Voorafgaand aan het vertrek van Haldane had men eerst het Duitse antwoord op de Britse aanvullende eis, uitvoerig bestudeerd. Dit antwoord was door Wilhelm II persoonlijk opgesteld met behulp van Bethmann Hollweg, Tirpitz, Ballin en Cassel.

Belangrijk detail was dat Duitsland niet alleen over de vlootwetten wilde spreken maar ook nadrukkelijk over de daarbij behorende ‘vloot-novelle’ waarin een verdere organieke uitbreiding van de vloot werd geregeld en waarover uitvoerige informatie als bijlage bij het Duitse antwoord was gevoegd. Toen Churchill de stukken ter inzage kreeg schrok hij. De novelle sprak namelijk over de toevoeging van een 3e eskader waardoor de paraatheid van de Duitse vloot ook gedurende het winter-seizoen werd verzekerd. Voorheen was de Duitse vloot gedurende ongeveer 5 maanden per jaar praktisch buiten dienst omdat het gebezigde rekruteringsysteem de marine daartoe noodzaakte. De nieuwe opzet voorzag nu in het op volle sterkte houden van de vloot het gehele jaar door.

‘The facts are grim’ (104) schreef Churchill aan Grey daarbij verwijzend naar de spoedige opening van het Keizer Wilhelm kanaal waardoor de Duitse vloot snel van de Oostzee naar de Noordzee kon varen. Hij concludeerde dat, wilde Engeland zijn voorsprong op Duitsland behouden, er jaarlijks 3 miljoen pond Sterling meer zou moeten worden uitgegeven en dat op een moment dat men er juist grote behoefte aan had de uitgaven drastisch te beperken. Churchill stelde nu de volgende gedragslijn voor:

‘The only chance I see is roughly this: They will announce their new program (novelle) and we will take an immediate and effective reply. Then, if they care to slow down their tempo so that their fleetlaw is accomplished in 12- and not in 6 year, friendly relations would ensue and we, though I should be reluctant to bargain about it, could slow down too. All they would have to do would be to make their quota’s biennial, nothing would be deranged in their plan. Twelve years of tranquility would be assured in naval policy. The attempt ought to be made’. (105)

Met deze richtlijn vertrok Haldane dan eindelijk op 6 februari 1912 naar Berlijn.

Hij ging overigens niet officieel. Grey had als eis gesteld dat de besprekingen informeel zouden zijn en Haldane vertrok onder het mom van een studiereis naar het Duitse universiteitswezen en er zou over de werkelijke reden van het vertrek strikte geheimhouding worden bewaard. Tegelijkertijd werd al bij voorbaat vastgesteld dat in Engeland, tijdens Haldane’s verblijf in Berlijn, gezorgd werd voor het nodige politieke tegenwicht en dit werd gerealiseerd door de beruchte ‘Luxe Flotte’-rede door Churchill direct na de opening van de Duitse Rijksdag door de Duitse keizer Wilhelm. Churchill zelf schreef hierover:

‘I had planned….to go to Glasgow….and to make a speech on the naval position, which should state very plainly our root intentions and be the necessary counterpart of the Haldane mission’. (106)

Als tegenwicht tegen het bezoek van Haldane was zijn rede inderdaad een eminent succes. Ze sloeg in Duitsland in als een bom en gaf verder aanleiding tot grote consternatie in Engeland zelf, met name bij de collega ministers en in de Liberale partij.

In zijn memoires doet Churchill het voorkomen alsof hij zijn speech op het laatste moment nog wijzigde als gevolg van de zijns inziens nogal zelfbewuste woorden van de keizer toen deze in de Rijksdag aankondigde dat spoedig een nieuwe wet zou worden ingediend op de uitbreiding van leger en vloot. Niet alleen was Churchill’s verklaring nogal vergezocht, ook was zijn reactie volstrekt overbodig en zelfs onverstandig. Immers, de inhoud van de novelle was door de Duitse keizer dan wel in de Rijksdag aangekondigd maar de tekst was nog niet openbaar gemaakt en kon dus nog worden aangepast of gewijzigd en Wilhelm en zijn kanselier hadden zich in hun antwoord aan Grey reeds duidelijk bereid verklaard daarover met Haldane te willen praten zolang Engeland tenminste het neutraliteitsbeginsel bespreekbaar zou houden. Door Churchill’s harde verklaring zette hij de keizer nu de voet dwars en maakte hij een eventuele modificatie van de novelle onnodig moeilijk.

Wilhelm II met punthelm
Wilhelm II met punthelm
Hoe het ook zij, Haldane werd, tot zijn eigen verrassing, bijzonder vriendelijk te Berlijn ontvangen en de besprekingen startten vlot. (107) Op 8 februari had hij een gesprek met de Rijkskanselier en kreeg daarbij de indruk dat deze zijn bezoek zeer serieus nam en positief toenadering zocht. De volgende dag had hij een onderhoud met keizer Wilhelm en admiraal Tirpitz.

De bekende Duitse historicus Fritz Fischer, suggereert dat de kanselier bij dat gesprek niet aanwezig mocht zijn en dat een en ander alleen daarom al tot mislukken gedoemd was. Het is waar dat Tirpitz graag onder vier ogen met Haldane had willen praten maar Bethmann Hollweg achtte dit zeer ongewenst en op zijn advies besloot Wilhelm, zeer tot ongenoegen van Tirpitz, het gesprek volledig bij te wonen. (108)

Over de inhoud van dit gesprek lopen de meningen nogal uiteen. Het resultaat was echter dat het voorstel van de keizer, om de technische kwesties voorlopig even buiten beschouwing te laten en eerst een politieke oplossing te zoeken, door Haldane werd aanvaard. (109) Al de volgende dag werkte hij, samen met de Rijkskanselier, aan een formule waarmee de basis voor een politieke overeenkomst werd gelegd en die door beide partijen aanvaardbaar werd geacht. (110) Keizer en kanselier spanden zich tot het uiterste in om met Engeland tot een vergelijk te komen en deden er alles aan formule voor Haldane acceptabel te maken. En Wilhelm drukte Tirpitz nog eens op het hart open en eerlijk met Haldane te praten ‘ohne Misstrauen und Hintergedanken’. (111) De formule die uiteindelijk door Bethmann Hollweg en Haldane werd vastgelegd luidde:

  1. The high contracting Powers assure each other mutually of their desire for peace and friendship.
  2. They will not either of them make any unprovoked attack upon the other or join in any combination or design against the other for purposes of aggression or become party to any plan or naval- or military combination alone or in conjunction with any other Power directed to such an end.
  3. If either of the high contracting parties become entangled in a war of which it cannot be said to be the aggressor, the other will at least observe towards the Power so entangled, a benevolent neutrality and use its utmost to endeavour for the localization of the conflict.
  4. The duty of neutrality which arises from the preceding article has no application in so far as it may not be reconcilable with existing agreements which the high contracting parties have already made. The making of new agreements which render it impossible to observe neutrality towards the other beyond what is provided by the preceding limitation, is excluded in conformity with the provision contained in art. 2.
  5. The high contracting Powers declare that they will do all in their power to prevent differences and misunderstanding between either of them and other Powers. (112)

Met deze formule op zak ging Haldane terug naar Londen, de keizer en Rijkskanselier achterlatend in de stellige overtuiging dat de overeenstemming met Engeland zo goed als bereikt was. Haldane zelf moet dit ook zo gevoeld hebben getuige zijn uitlating dat zich hier een ‘wereld-historische’ gebeurtenis afspeelde zoals in meer dan 50 jaar niet was voorgekomen. (113) Dat hij inderdaad optimistisch over de besprekingen was blijkt ook uit een brief die hij aan zijn familie zond en waarvan de inhoud luidde:

‘I did not go to Berlin with power to make a Treaty. These affairs are to vast for that. But I went to investigate and discuss whether one could be made. What may be possible with English public opinion in the view of the Cabinet remains to be seen. But my work up to this point has been attended with a measure of success that was neither foreseen nor expected’. (114)

Zijn positieve reacties en ferm uitgesproken oordelen hadden in elk geval de indruk gewekt dat hij namens het Britse kabinet optrad en vooral Wilhelm II zag zijn uitlatingen als even zovele toezeggingen van een met autoriteit beklede gezagdrager. Terug in Londen lichtte Haldane onmiddellijk de minister-president in die op zijn beurt zeer optimistische woorden sprak over de ontmoeting in het Britse Lagerhuis en ook Haldane zelf liet zich in het openbaar bij verschillende gelegenheden positief uit over zijn bezoek.

Doodse stilte

Spoedig trad er echter een doodse stilte in en de Duitsers wachtten tevergeefs op enige reactie. Dat die reactie uitbleef was ook niet zo verwonderlijk. In de concept-overeenkomst werd immers enige keren gesproken over ‘strikte neutraliteit’ en dat nu paste niet in de door Grey en de zijnen uitgezette politieke lijn en was natuurlijk ook in strijd met de met Frankrijk gemaakte afspraken over militaire samenwerking. Intern verzette Grey zich dan ook met hand en tand en weigerde de door Haldane bereikte resultaten te honoreren.

Hij eiste nu eerst concrete toezeggingen van Duitsland dat ze haar vlootwetten zou veranderen en draaide tegelijkertijd alle door Haldane gedane toezeggingen weer terug. (115) De Duitse Rijkskanselier, die op dat moment van mening was dat Duitsland de marinewedloop met Engeland financieel niet zou kunnen volhouden en daarom alles in het werk wilde stellen om tot een overeenstemming te komen, ontving nu via zijn ambassadeur bericht dat de Britten plotseling zeer afwijzend reageerden en hij verzocht de keizer om akkoord te gaan met enig uitstel bij het indienen van de vlootnovelle zodat hij wat meer tijd kreeg om na te gaan wat de reden was van deze Britse houding.

Theobald von Bethmann Hollweg
Theobald von Bethmann Hollweg
Wilhelm II was zeer teleurgesteld en voelde zich bedrogen. In eerste instantie weigerde hij dan ook aan het verzoek te voldoen maar Bethmann Hollweg dreigde daarop met ontslag waarop de keizer inbond en het uitstel aanvaardde. Tot Bethmann’s verwondering was hij zelfs bereid een stap verder te gaan en leek hij akkoord te gaan met uitstel van de bouw van nieuwe schepen als Engeland bereid was alsnog akkoord te gaan met de eerder door Bethmann Hollweg en Haldane opgestelde politieke formule.

Opnieuw weigerde Grey echter en eiste nu, op advies van de admiraliteit, een volledige afgelasting van de gehele Duitse Novelle. (116) Het is duidelijk dat daarmee de kans op een vergelijk volledig was verkeken. Wel volgde er nu nog een drukke uitwisseling van nota’s maar men kwam niet meer tot een oplossing. Op 29 maart 1912 deed de Duitse ambassadeur in Londen nog een laatste poging Grey tot andere gedachten te brengen maar deze deelde hem mee zich aan zijn eigen voorstellen te willen houden en daarmee beschouwde men de zaak in Berlijn als afgedaan.

Op 10 april gaf Duitsland Londen dan ook te kennen van verdere besprekingen af te zien, uiteraard tot grote opluchting van Grey die daarmee van een lastig probleem werd verlost. (117) Hoewel het dus Duitsland was dat de besprekingen formeel beëindigde, lag de verantwoordelijkheid daarvan voor een belangrijk deel bij Grey. Had hij de mede door Haldane opgestelde politieke formule aanvaard of zich anderszins soepeler opgesteld, dan mag het vrijwel zeker worden geacht dat de keizer had ingestemd met een modificatie van de Novelle en met de door Churchill voorgestelde vertraging van het Duitse vlootprogramma. (118)

De mening van Fritz Fischer dat de besprekingen waren mislukt als gevolg van de starre houding van de keizer en admiraal Tirpitz (119), is dan ook niet goed te rijmen met de feiten en waar hij refereert aan de opmerking van de keizer op 5 maart 1912 dat ‘meine und des Deutches Volkes Geduld is zu Ende’, gaat hij voorbij aan het gegeven dat het de keizer toen al pijnlijk duidelijk was geworden dat de Britten Haldane’s toezeggingen uiteindelijk niet wilden honoreren.

Ook de Franse president Poincaré was overigens van mening dat het de Britten waren die, door hun optreden, de besprekingen hadden getorpedeerd (120). Historicus Zara Steiner schreef hierover:

‘Grey had refused to compromise on the political agreement even when the Germans offered to alter their construction program. Ultimately, the aim of Grey’s policy was not only to limit German naval construction but also to preserve the existing balance of power. Even if Bethmann Hollweg were willing to work for a naval compromise he could not accept the restriction on future hopes for altering this in Germany’s favour. British fears of German ambitions made such an assurance impossible. There was a basic difference in fundamental aims’. (121)

Mogelijk nog duidelijker stelde Grey’s naaste medewerker Nicholson;

‘I do not myself see why we should abandon the excellent position in which we have been placed and step down to be involved in endeavours to entangle us in the so called “understandings” which undoubtedly, if not actually, impair our relations with France and Russia’. (122)

Het was duidelijk. Grey was al veel te ver gegaan met zijn beloften aan Frankrijk en had daarom niet meer de handen vrij (en wilde dat ook niet) om tot overeenstemming met Duitsland te komen. Frankrijk – dat vooral in de maand maart, toen de volle inhoud van de Britse-Duitse besprekingen tot haar was doorgedrongen, grote druk op Grey had uitgeoefend – het met deze mening eens was, blijkt wel uit een brief van 5 december 1912, van de Russische ambassadeur in Parijs, Iswolski, aan zijn minister van Buitenlandse Zaken Sazonov:

‘Tijdens mijn gesprek met Poincaré en Paéeologue deelden zij mij in strikt vertrouwen mee dat gedurende het verblijf van Lord Haldane in Berlijn, Duitsland een vrij definitief voorstel had ingediend waarbij Engeland zich zou verplichten tot een strikte neutraliteit als Duitsland tot het voeren van een oorlog gedwongen zou worden die niet door haar werd geprovoceerd. Het Londense kabinet informeerde Poincaré direct en vertraagde haar antwoord aan Duitsland. De heer Poincaré verklaarde zich met de meeste nadruk tegen zo’n afspraak. Hij maakte de Britten duidelijk dat ondertekening van zo’n een afspraak het einde zou betekenen van de Frans-Britse entente omdat er ook geen vastgelegde en ondertekende overeenkomst van een algemeen bindend karakter bestond tussen Frankrijk en Engeland. Deze stellingname had resultaten. Het Londense kabinet verwierp het Duitse voorstel’. (123)

Alhoewel Iswolski suggereert dat de Brits-Duitse besprekingen mede mislukten door Franse druk op Grey, is dit toch slechts ten dele juist. Die Franse druk werd namelijk pas uitgeoefend toen de besprekingen de facto al waren mislukt. Duidelijk is echter wel dat Haldane veel te ver was gegaan met het wekken van positieve indrukken en zich in Berlijn door zijn eigen enthousiasme over de onverwacht goede sfeer, heeft laten meeslepen.

Hij had beter moeten weten en zich strikt moeten houden aan zijn opdrachten die immers luidden dat hij zo veel mogelijk informatie moest verzamelen maar onder geen voorwaarden onderhandelingen mocht voeren. Het was vrij naïef van hem zich daar niet aan te houden. Hij kende Grey immers voldoende om te weten dat deze zijn eigen lijn volgde, een lijn die van Duitsland weg voerde en niet daar naar toe. Hij had zich Grey’s woorden moeten herinneren toen die, jaren eerder, schreef:

‘If any (British) Government drags us back into the German net, I will oppose it openly at all costs. (124)

Aldus geschiedde. Het afbreken van de Haldane-besprekingen door Grey kan worden gezien als een van de meest significante aanwijzingen dat hij uiteindelijk de voorkeur gaf aan oorlog boven een verzwakking van de Entente. (125) Grey had zijn vrijheid van handelen duidelijk opgegeven en weigerde consequent op die beslissing terug te komen.

Dat bleek ook begin augustus 1914 toen de Duitse ambassadeur in Londen Grey vroeg of deze geen voorwaarden kon formuleren onder welke Engeland neutraal kon blijven. In het Britse Blauwboek lezen we dat Grey antwoordde dat hij zich genoodzaakt zag elke belofte terzake te weigeren. (126) Ook toen de ambassadeur vroeg of Engeland wel neutraal zou blijven als Duitsland de Belgische neutraliteit niet schond, antwoordde Grey dat niet te kunnen zeggen omdat hij de handen nog vrij had en zijn houding van de omstandigheden zou laten afhangen. (127)

Intussen bleef Grey naar zijn bondgenoten toe tot het allerlaatste moment, pijnlijk onduidelijk en dit leidde er toe dat de Russische minister van Buitenlandse Zaken, enkele dagen voor het uitbreken van de oorlog, er bij de Britse ambassadeur te St.Petersburg op aan drong dat Groot-Brittannië zich nu openlijk aan de kant van Frankrijk en Rusland zou scharen (128) en toen hij hierop geen direct antwoord kreeg ontbood hij een week later de Britse ambassadeur opnieuw en herhaalde zijn verzoek. (129)

Grey gaf zijn ambassadeur nu opdracht de kennelijk bij Sazonov heersende onzekerheid over de Britse houding weg te nemen en schreef:

‘Vertel hem welke orders wij aan de vloot hebben gegeven. Toevallig is ze bij Portland samengetrokken, de verloven zijn ingetrokken en de vloot zal daar blijven liggen’.

Deze mededeling, waaraan Grey voorzichtigheidshalve nog toevoegde dat dit niet betekende dat Engeland al besloten had militaire steun te garanderen, had toch voldoende effect want in Rusland geloofde men nu dat Engeland definitief voor actie had besloten en Rusland zou steunen. Men mobiliseerde de vloot immers niet voor niets. De Belgische zaakgelastigde in St.Petersburg schreef in elk geval op 30 juli aan zijn regering:

‘Thans is men er te St.Petersburg vast van overtuigd, men heeft zelfs daarop wijzende verzekeringen ontvangen, dat Engeland Frankrijk zal bijspringen en dit heeft de overwinning van de Russische oorlogspartij duidelijk bevorderd’. (130)

Haldane, kort voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog
Haldane, kort voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog

Terug nu weer naar de Haldane-besprekingen van 1912. De Britse pers had hevige kritiek geleverd op het uitblijven van enig resultaat van de Haldane missie. (131) Deze kritiek was zo scherp en bleef zo lang voortduren dat de minister-president Asquith het nodig vond hierop te reageren en alhoewel hij al sinds 29 maart wist dat – en waarom – de Brits-Duitse besprekingen waren mislukt, hield hij op 25 juli in het Britse Lager Huis een rede waarin hij zei:

‘onze betrekkingen met het Groot Duitse Rijk zijn, ik acht mij gelukkig het te kunnen zeggen, op het ogenblik – en naar ik zeker geloof zullen zij dat blijven – betrekkingen van vriendschap en welgezindheid. Lord Haldane bracht in het begin van het jaar een bezoek aan Berlijn. Hij hield daarbij besprekingen en wisselde van gedachten die daarop werden voortgezet in een geest van algemene openhartigheid en vriendschap, zowel aan de ene als aan de andere zijde’.

Ook Asquith schuwde een ‘leugentje om bestwil’ kennelijk niet. Twee jaar later echter, op 3 oktober 1914, hield hij een heel ander verhaal namelijk:

‘ze wilden dat wij ons zouden verbinden tot een absolute neutraliteit in geval Duitsland in een oorlog zou geraken en dat in een tijd, let wel, waarin Duitsland zijn offensieve- en defensieve middelen, speciaal die ter zee, aanzienlijk uitbreidde. Ze vroegen ons, om het ronduit te zeggen, de vrije hand indien ze – op een moment dat zij zouden vaststellen – de Europese staten zouden willen overwinnen en overheersen’. (132)

Uit Isvolski’s brief van 5 december 1912 weten we inmiddels dat de werkelijkheid toch wel wat anders lag.

Groot-Brittannië sluit een marineverdrag met Frankrijk

Was 1906 achteraf een belangrijk jaar in het proces dat uitmondde in de Eerste Wereldoorlog, 1912 werd zo mogelijk nog belangrijker omdat in dat jaar de neutraliteitsgedachte door Engeland definitief werd losgelaten. Op 16 juli 1912, dus na het mislukken van de Haldane missie, sloten Frankrijk en Rusland naast het al sinds 1894 bestaande militaire verdrag, nu ook een marineverdrag waarbij Frankrijk toezegde al haar schepen in de Middellandse Zee te stationeren teneinde zo de Italiaanse en Oostenrijkse vloten te neutraliseren.

Dit zou echter wel tot gevolg hebben dat Frankrijk haar eigen Noordzeekust onbeschermd achter liet. Frankrijk kon deze afspraak echter maken omdat Engeland terzelfder tijd praktisch haar gehele Middellandse Zee-vloot naar de Noordzee overplaatste waarbij Frankrijk er op rekende dat Engeland in geval van een Duitse aanval op Frankrijk, de verdediging van de Franse kust op zich zou nemen. (133)

Sergej Sazonov, de Russische minister van Buitenlandse Zaken
Sergej Sazonov, de Russische minister van Buitenlandse Zaken
Deze afspraak tussen de Franse- en Britse marine bracht de Russische minister van Buitenlandse Zaken, Sazonov, er toe een maand later Londen te bezoeken waar hij de toezegging kreeg dat in geval van oorlog met Duitsland, de Britse vloot ook de Oostzee-kusten zou beschermen. (134) Daarbij maakte Grey wel het voorbehoud dat de Britse vloot niet in de Oostzee zou worden gestationeerd omdat deze een natuurlijke val vormde en daarom niet voor een langdurig verblijf geschikt was.

Het terugroepen van de vloot uit de Middellandse Zee had uiteraard grote gevolgen. Met een sterke Russische vloot in de Zwarte Zee, de gehele Franse vloot in de Middellandse Zee en de machtige Britse zeestrijdkrachten geconcentreerd in de Noordzee ter bescherming van de Britse- en Franse kusten, waren de marines van de drie bondgenoten zo efficiënt en sterk mogelijk verdeeld en was men ter zee nu gereed voor het ‘grote gebeuren’.

Het was Churchill, nu in zijn nieuwe positie van ‘First Lord of the Admiralty’ die het verplaatsen van de Middellandse Zee-vloot, tegen de zin van een aantal leden van het Kabinet en de ‘CID’ van harte ondersteunde en deze ook doorzette. Veldmaarschalk Wilson schreef hierover in zijn memoires:

‘He, Churchill, at all events, is alive to the German danger. The decision to do this (de verplaatsing) was come to by Churchill and the Admiralty without permission of the Cabinet and without discussion by the Committee of Imperial Defence”. (135)

Deze bewering was overigens niet geheel juist want op 4 juli 1912 werd de kwestie uitgebreid in de ‘CID’ besproken waarbij besloten werd dat er toch enige oorlogsschepen in de Middellandse Zee zouden achterblijven (de zogenaamde “Malta-optie”)

Deze beslissing werd genomen na een stortvloed van kritiek op Churchill’s voorstellen, met name van het ministerie van Oorlog, van Buitenlandse Zaken en Koloniën. Uiteindelijk werd de beslissing toch uitgevoerd en men deed daarbij alsof het om een autonome Britse maatregel ging. Opnieuw werden ook deze afspraken met Frankrijk voor het Parlement geheim gehouden en dit werd mogelijk door ze in de vorm van een ‘persoonlijke’ briefwisseling vast te leggen zodat er geen sprake was van een formeel verdrag dat anders aan de goedkeuring van het parlement onderhevig was geweest. (136)

Hoewel Churchill zoals gezegd, zelf de beslissing nam de Middellandse Zee-vloot te verplaatsen deed hij het, jaren na de oorlog, in zijn memoires voorkomen alsof dit door anderen werd besloten. Hij suggereerde zelfs dit zeer onverstandig te hebben gevonden. (137)

Churchill was overigens niet de enige politicus die zijn memoires gebruikte om de loop van de geschiedenis wat in een – voor hem zelf – positieve richting te verschuiven. Ook minister-president Asquith gebruikte zijn memoires nogal flexibel. In zijn boek ‘The genesis of the War’ schreef hij over de Britse vlootverplaatsing:

’France undoubtedly felt that she could calculate upon our vetoing any attack by sea upon her coasts and that’s what actually happened. At a critical phase in august 1914, we let the French Government know that (without in any way committing ourselves to go to war on the side of France) we should not allow the German fleet to attack her northern ports’. (138)

Men kan zich afvragen hoe, na te hebben erkend dat de Britse neutraliteit in feite was opgeheven en de Britse vloot in de Noordzee ter beschikking van Frankrijk was gesteld, Asquith toch kon blijven volhouden dat Engeland nog steeds de handen ten aanzien van Frankrijk vrij had.

Juni 1914, Brits-Franse militaire oefeningen bij Amiens

Hoe het verder ging beschreven we al eerder in dit hoofdstuk. Grey moest in 1912 toegeven dat er wel degelijk geheime besprekingen met Frankrijk waren gehouden maar hij ontkende elke verplichting. Hij werd daarop gedwongen schriftelijk een en ander aan Frankrijk te bevestigen en gerustgesteld ging het Kabinet daarna weer aan het werk. Grey en de zijnen echter ook.

Niet alleen werden de militaire besprekingen onverminderd voortgezet en verplichtte Engeland zich in 1912 zelfs tot bescherming van de Franse kusten door de Royal Navy, de besprekingen werden nu ook uitgebreid met complete mobilisatie-stafoefeningen in Amiens waarbij Britse en Franse officieren samen het sinds 1911 opgestelde vervoerschema van Britse soldaten naar hun bestemmingen aan het front, tot in detail controleerden. (139)

Deze oefeningen werden wederom herhaald in juni 1914, enkele weken voor het uitbreken van de oorlog dus en het was ook tijdens deze laatste oefeningen dat de Britse Marine de door haar opgestelde plannen, waarbij de havens van inscheping en ontscheping, het aantal deelnemende schepen, de benodigde bemanningen en de precieze ontschepingtijden, die dienden aan te sluiten op de vertrektijden van de Franse troepentransport-treinen, gereed had zodat ze in het totale plan konden worden geïntegreerd. (140)

Het is interessant te lezen wat de Britse generaal Radcliffe hierover te vertellen had. Deze beschreef in zijn niet gepubliceerde memoires, de rol van veldmaarschalk Sir Henry Wilson, die volgens hem vanaf 1906 de motor was achter de Brits-Franse samenwerking en hij vertelde dat in 1913 Franse en Britse stafofficieren een proefmobilisatie hielden waarbij het hele spoorwegschema werd uitgeprobeerd. In juni 1914 volgde daarop nog een gezamenlijke “Staff-ride” bij Amiens waarbij alles nog eens uitvoerig werd getest.

De gehele Commission de Ligne inclusief Franse- en Britse officieren, spoorwegtechnici en hun medewerkers in de diverse aanloophavens, namen daarbij hun oorlogsposities in waarna elk mogelijk voorkomend probleem werd uitgeoefend, inclusief de simulatie van versperde spoorwegtunnels, ontspoorde treinen en alternatieve routes. Om te voorkomen dat deze oefeningen uitlekten naar kabinet en pers had men de leiding in handen gegeven van een speciale sectie van het ‘Military Operations Directorate’ (MOD) onder leiding van generaal Harper. Het was deze speciale afdeling die de enige communicatielijn vormde tussen de leiding van de BEF en de Fransen. (141)

Deze informatie kwam pas recent in de openbaarheid toen de zoon van de generaal enige stukken uit zijn nalatenschap publiceerde in een clubblad van geïnteresseerden in de geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog, zonder kennelijk te vermoeden dat dit tot dan toe steeds geheim gehouden informatie betrof.
Ook hier werd dus weer een groot deel van het kabinet en parlement in volstrekte onwetendheid gehouden, ja zelfs om de tuin geleid, vooral als men bedenkt dat Grey nog op de elfde juni op een vraag uit het parlement door mr. King, opnieuw antwoordde dat er geen afspraken met Frankrijk waren gemaakt, anders dan die al bekend waren en die de vrijheid van handelen van regering en/of parlement zouden beperken als de keuze om eventueel wel- of niet aan een oorlog deel te nemen, gemaakt moesten worden en hij voegde er aan toe dat er ook geen nieuwe onderhandelingen waren geopend – met wie dan ook – die deze verklaring minder juist zou maken. (142) Het is dan ook niet verwonderlijk dat de historicus Z.S. Steiner verzuchtte:

‘Wat Grey daar beweerde was in essentie wel waar, maar op het zelfde moment doelbewust misleidend’. (143)

Het verdere verloop van de gang van zaken is bekend. Duitsland viel België binnen terwijl Frankrijk zijn troepen op 10 kilometer afstand van de grens had teruggetrokken. Door de Duitse inval ontstond er een schokgolf van verontwaardiging bij het Britse volk. Regering en parlement sloten zich hecht aaneen en Grey kreeg unanieme toestemming om het arme België te hulp te snellen. Binnen twaalf dagen was het Britse leger in Frankrijk en nam daar de afgesproken posities aan de linker flank van het 5e Franse leger in.

Voor Grey waren de dagen voorafgaand aan de Duitse inval van welhaast ondraaglijke spanning. Zou de inval op tijd komen zodat de nog steeds bestaande anti-oorlogsstemming plaats kon maken voor een unanieme beslissing om de kant van Frankrijk te kiezen zodat hij zijn beloften aan dit land kon inlossen? In zijn biografie lezen we:

‘In the last days of july and the first 3 days of August, Grey’s object was to keep the Cabinet and the Party together, not for party reasons but because, if the Liberals split, the country would be divided and the result would be irreparable disaster.
This inspired the anxious care with which he nursed opinion in the Cabinet, avoiding proposals which would have forced on a clash with Lloyd George and the neutralist till the tide of events abroad (de Duitse inval) should sweep away all doubts and Britons had no choice but to say: We are all with you now’. (144)

Aldus geschiedde. Op 3 augustus hield Grey zijn befaamde rede in het Britse Lagerhuis inzake de Britse oorlogsverklaring aan Duitsland nadat dit land België was binnen gevallen. Engeland, zo stelde hij, was volgens het verdrag van 1839 verplicht België te hulp te snellen en zou niet toestaan dat dit kleine dappere land door Duitsland van de kaart zou worden geveegd. Hij gebruikte z’n gehele verbale overtuigingskracht om de Duitse inval als enige werkelijke reden voor de Britse oorlogsverklaring aan te tonen. Henderson schreef later:

‘It was a masterly speech, one of the most masterly ever delivered. Sir Edward actually succeeded in making black seem white to the majority of that House, said what he did not mean and meant what he did not say, built up a structure on no foundation, knocked away the props himself and let it hang dangling in the air.
A masterly speech, the last and greatest achievement of Sir Edwards persuasive eloquence. His evident deep emotion, his undoubted earnestness and sincerity, his certainty that he was right, won him the victory’. (145)

The London Daily News schreef:

‘No one who heard that speech will ever forget it. The last hope was gone. Europe was plunged into the abbyss of war. He rose in a House shaken with the angony of the moment, torn with the bitterest dissensions, the bulk of his own supporters gloomely distrustful of the policy that was sweeping the nations into the general vortex.
It was that speech- and it was his personality- that carried the nation into the war at once and with practical unanimity’. (146)

Deze mening werd gedeeld door de toenmalige Russische ambassadeur in Londen, graaf Benckendorff, die op 6 april 1915 aan Sazonov telegrafeerde:

‘Tijdens de periode van grote onzekerheid waarin het Britse volk en de regering verkeerden, was het Grey, meer dan iemand anders, die het Britse volk de oorlog invoerde. Grey voelde zich daarvoor dan ook persoonlijk verantwoordelijk, geheel los van de verantwoordelijkheid van het Kabinet.’ (147)

Ook Grey zelf geeft in zijn memoires toe dat hij een persoonlijke verantwoording droeg voor de Britse deelname aan de oorlog al voert hij daarvoor uiteraard zijn motieven aan. Als hoofdmotief noemt hij het verdrag met België. “The Treaty” zo zei hij…

‘…is an old Treaty. It is one of those treaties which are founded, not only on consideration for Belgium, which benefit under the Treaty, but in the interest of those who guarantee the neutrality of Belgium. The honour and interests are at least as strong today as in 1870 and we cannot take a more narrow view or a less serious view of our obligations and of the importance of these obligations than was taken in `1870’. (148)

Grey suggereerde verder dat Engeland verplicht was om volgens het verdrag, België te hulp te komen en daarom ook juridisch geen keus had. Ook Lloyd-George verkondigde die mening en stelde:

‘Our honour as a nation is involved in this war because we are bound in an honourable obligation to defend the independence, the liberty, the integraty of a small neighbour that has lived peaceably’. (149)

Tijdens zijn toespraak tot het parlement zei koning George op 18 september 1914:

‘After every endeavour had been made by my government to preserve the peace of the world, I was compelled in the assertion of treaty-obligations deliberately set at naught, and for the protection of the public laws of Europe and the vital interests of my Empire, to go to war’.

De bewering dat Engeland door het verdrag verplicht was België te hulp te snellen werd nog vele malen herhaald. Het gaf de Britten de morele basis en rechtvaardiging om aan de oorlog te gaan deelnemen en was dan ook mede oorzaak van de bijna unanieme instemming van het volk. In werkelijkheid echter bestond een dergelijke verdragsverplichting niet. De ondertekenaars hadden zich verplicht om samen of individueel de neutraliteit van België niet te schenden. Van een verplichting om, indien dat wel zou gebeuren gewapenderhand in te grijpen, was echter geen sprake.

Lord Loreburn, de vroegere Lord Chancellor zei dan ook dat het voor de historische juistheid belangrijk was te vermelden dat Engeland wat dat betreft niet verplicht was in te grijpen, noch door het verdrag van 1839 noch door enig ander verdrag en dat Engeland, samen met Oostenrijk, Pruisen, Rusland en Nederland slechts een overeenkomst had gesloten om België voor eeuwig als een neutrale staat te beschouwen. Engeland verplichtte zichzelf, net als de andere staten dat deden, die neutraliteit niet te schenden maar niet om die te verdedigen als een der andere staten zich daar niets van zou aantrekken. (150) Grey echter deed voorkomen of Engeland die verplichting wel had en gebruikte dit argument dan ook om het Britse volk de overtuiging te geven dat het de oorlog inging met volledige morele- en juridische rugdekking.

Griff nach der Weltmacht - Fritz Fischer
Griff nach der Weltmacht – Fritz Fischer
Hij stelde het voor alsof het niet nakomen van deze (niet bestaande verdragsbepalingen) de Britse eer zou bezoedelen en dat er sprake was van een gerechtvaardigde, ja eerlijke oorlog, ter redding van een weerloos klein land, een oorlog die de gehele Europese beschaving bedreigde.

Het Britse volk was tot in het diepste van de ziel geroerd en schaarde zich als een man achter zijn leiders en dat was natuurlijk een nobel gebaar. Aan Grey’s eerlijkheid werd niet getwijfeld en dat was niet onlogisch. Had hij niet alles in het werk gesteld de vrede te bewaren en op het meest kritieke moment zijn bemiddeling aangeboden? En waren deze pogingen niet op brute wijze door Duitsland afgewezen?

Ook vandaag nog wordt deze vraag door veel historici bevestigend beantwoord. Fritz Fischer gebruikte Grey’s bemiddelingsvoorstellen mede om de schuld van Duitsland aan het ontstaan van de oorlog aan te tonen in zijn beroemde boek ‘Griff nach der Weltmacht’ (151) en alhoewel Zara Steiner, tien jaar later, in haar boek ‘Britain and the origins of the First World War’, Fischer’s theorie voor wat Engeland betreft, betwijfelde (152) en ook andere auteurs onder wie Barnes, Fay en later ook Albertini, Grey’s bemiddelingpogingen in een heel wat realistischer licht plaatsten, bleef het beeld van een – elk voorstel tot behoud van de vrede – afwijzend Duitsland, hardnekkig voortbestaan. Het is daarom dat wij deze voorstellen toch eens wat nader onder de loupe nemen.

De Britse bemiddelingsvoorstellen

Op 20 juli 1914, na de moord op de Oostenrijk-Hongaarse troonopvolger Franz-Ferdinand, deed Grey zijn eerste voorstel tot het houden van directe besprekingen tussen Rusland en Oostenrijk-Hongarije. (153) Dit, overigens logische voorstel, werd echter met kracht van de hand gewezen, niet door Duitsland, maar door Poincaré, de Franse president, die, zodra het hem ter kennis kwam, onmiddellijk telegrafeerde dat hij een gesprek tussen Rusland en Oostenrijk-Hongarije zeer gevaarlijk achtte. (154)

Tussen 24- en 25 juli zond Grey zijn tweede bemiddelingvoorstel, ditmaal aan St.Petersburg. (155) Hij stelde daarin voor dat Engeland, Frankrijk, Duitsland en Italië, samen een bemiddelingpoging zouden ondernemen. Deze landen zouden immers minder direct betrokken zijn bij de situatie en daardoor in de beste positie zijn om escalatie te helpen voorkomen. Duitsland reageerde positief op dit voorstel (156) maar Rusland en Frankrijk verwierpen het. (157) Fischer noemt wel Grey’s bemiddelingpoging maar niet het Duitse antwoord daarop. Hij hekelt echter wel de Duitse traagheid bij het overbrengen van het Britse verzoek om Wenen tot kalmte te manen. (158)

‘Dieser vorschlag gab Jagow so spät nach Wien weiter dass er erst nach Ablauf des Ultimatums eintreffen konnte. Ausserdem fügte er dem Greyschen Vermittlungsvorschlag keinerlei Kommentar bei, was praktisch in diplomatische Sprache einer Aufforderung zur Ablehnung gleichkam’.

Fischer heeft hierin gelijk. Duitsland gaf dit verzoek slechts met de grootste tegenzin door en pas nadat het aan Wenen had duidelijk gemaakt dat ze niet anders kon maar er niet achter stond. Ook dit bemiddelingsvoorstel van Grey leed dus schipbreuk, hetgeen overigens wel de vraag opwerpt hoe serieus zijn voorstellen genomen moesten worden. Nog op die zelfde dag stelde het ministerie van Buitenlandse Zaken in een memorandum (het was toen 25 juli en precies de dag dat Rusland besloten had te mobiliseren: (159)

‘The moment has passed when it might have been possible to enlist French support in an effort to hold back Russia. It is clear that France and Russia are decided to accept the challence thrown out to them. What ever we may think of the merits of the Austrian charges against Serbia, France and Russia consider that these are the pretexts and that the bigger cause of Triple Alliance versus Triple Entente is defenitely engaged…..I think it would be impolitic, not to say dangerous, for England to attempt to controvert this opinion or to endeavour to obscure the plain issue by any representation at St.Petersburg and Paris…. Our interests are tied up with those of France and Russia in this struggle , which is not for the possession of Serbia , but one between Germany aiming at a political dictatorship in Europe, and the Powers who desire to retain individual freedom.

Edward Grey
Edward Grey
Als men zo over de situatie dacht, vanwaar dan nog allerlei bemiddelingspogingen, ook na de 25e? Moest Grey voor het oog van de wereld de Britse wil tot vrede demonstreren? Wilde hij, evenals Frankrijk en Rusland tijdwinst?

Op 25 juli had Grey inmiddels van zijn ambassadeur in St.Petersburg vernomen dat de tsaar de mobilisatie had goedgekeurd (161) en Grey wist dat mobilisatie onherroepelijk gelijk stond aan oorlog. (162) Daarom moeten zijn bemiddelingpogingen van na de 25e juli, met de grootste omzichtigheid worden beoordeeld en het is in dit verband dan ook opvallend dat Grey zelf, geheel bezijden de waarheid, in zijn memoires steeds vermeld dat al zijn pogingen door Duitsland werden afgewezen.

Grey’s voorstel van de 26e juli illustreert zijn verkeerde voorstelling van zaken. Hierin riep hij op tot het houden van een conferentie van ambassadeurs, wat heel redelijk klonk, maar het in werkelijkheid niet was. Wat hij voorstelde kwam eigenlijk neer op de vorming van een tribunaal van Engeland, Frankrijk en Italië – drie landen die niet direct als ‘vriend’ van Duitsland beschouwd konden worden – gericht tegen Duitsland en Oostenrijk-Hongarije en het lijdt geen twijfel hoe zo’n zitting zou aflopen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Duitsland dit voorstel weigerde en deze weigering wordt door verschillende historici aangegrepen om Duitslands kwade trouw aan te tonen.

Men ziet daarbij gemakshalve wel over het hoofd dat ook Frankrijk pas na veel aarzelen, op de 27 juli een van veel voorwaarden voorzien bevestigend antwoord gaf en dat Rusland haar antwoord uitstelde omdat men liever wilde wachten met het bijeenroepen van zo’n conferentie.

Sazonov telegrafeerde daarover aan zijn ambassadeur in Parijs dat, als een en ander tot doel had om een matigende invloed op Rusland uit te oefenen, hij dit al bij voorbaat afwees omdat men vanaf het begin nu eenmaal al een standpunt had ingenomen dat niet meer gewijzigd kon worden omdat zijns inziens al aan alle Oostenrijkse eisen die daarvoor in aanmerking kwamen, tegemoet was gekomen. (163) Nader beschouwd valt het op dat Grey’s bemiddelingpogingen steeds voor een of meer partijen niet acceptabel bleken te zijn en daarom dus vanaf het begin weinig kans maakten te worden aangenomen.

Zijn voorstellen van na de 25e juli waren zonder meer hypocriet. Toen was hij immers op de hoogte van de beslissing van Rusland om te gaan mobiliseren (164) en wist hij dat de oorlog niet meer kon worden tegengehouden. (165) Mocht hij dat zijn vergeten dan was daar het memorandum van zijn eigen medewerkers die hem er op wezen dat het beter was zijn pogingen te staken omdat Engelands belangen bij Frankrijk en Rusland lagen. Toch ging Grey door met zijn voorstellen. Op 28 juli liet hij weten dat hij het eerder door Duitsland al geaccepteerde plan om rechtstreekse besprekingen te houden tussen Oostenrijk en Rusland, eigenlijk beter vond dan zijn voorstel van een ambassadeurs-conferentie (166), maar zoals we weten was dit voorstel nu juist door de Franse president afgewezen.

Nu het Duitsland echter ter ore was gekomen dat Rusland tot mobilisatie had besloten, zag ze het nut van rechtstreekse Russisch-Oostenrijkse besprekingen niet meer in. Men kan zich afvragen waarom Grey dit oude plan weer naar voren haalde. De Duitse weigering werd echter later wel weer gebruikt om aan te tonen dat het wederom Duitsland was dat dwars lag.

Op 29 juli diende Grey weer een voorstel in. Hij adviseerde Oostenrijk-Hongarije nu om Belgrado dan maar te bezetten maar dan haar militaire acties te staken om zo de grootmachten de gelegenheid te geven tussen beide landen te bemiddelen. (167) Dit nu was precies het voorstel dat Duitsland al een dag eerder, op de 28e, aan Oostenrijk deed toekomen hetgeen toen werd afgewezen.

Hendrik van Pruisen (1862-1929)
Hendrik van Pruisen (1862-1929)
Op 30 juli 1914 stuurde koning George van Engeland een telegram aan prins Heinrich van Pruisen luidende:

‘My Government is doing its utmost, suggesting to Russia and France to suspend further military operations, if Austria will consent to be satisfied with occupation of Belgrade ….as a hostage for satisfactory settlement of her demands, other countries meanwhile suspending their war preparations. Trust William will use his great influence to induce Austria to accept this proposal thus proving that Germany and England are working together to prevent what would be an international catastrophe’. (168)

Engeland zelf, weigerde echter steeds nadrukkelijk invloed uit te oefenen op Frankrijk en Rusland terwijl het dit van Duitsland wel verlangde en het van kwade trouw beschuldigde als het niet aan haar verzoeken voldeed.

Opvallend is dat Grey, op de dag dat hij het voorstel tot de bezetting van Belgrado (29 juli) deed, hij tegelijkertijd toestemming gaf om de, in de Grey-Cambon afgesproken werkwijze in geval van een crisis, in gang te zetten (169) terwijl hij de volgende dag, er was toen nog geen sprake van een Duitse mobilisatie, de Britse ambassadeur in Brussel verzocht de Belgische regering te waarschuwen dat Engeland van haar verwachtte dat zij haar neutraliteit met kracht zou verdedigen.

Hoe dan ook, Grey rekende op oorlog en zoals al werd aangetoond had hij alleen een aanleiding nodig om Engeland daaraan te laten meedoen. Zo’n aanleiding was uiteraard een Duitse inval in België. Grey zond nu twee telegrammen, een aan Duitsland en een aan Frankrijk waarin hij beide landen vroeg of ze de neutraliteit van België zouden respecteren. Hij wist uiteraard het Franse antwoord al en kon vermoeden wat het Duitse antwoord zou zijn. Hij kende immers het Von Schlieffenplan en wist dat de Duitse reactie zou afhangen van de houding van de verdere ontwikkelingen, met name de mobilisatie van Rusland.

Grey’s verzoek was natuurlijk een politieke meesterzet op het pad van de verschuiving van de schuldvraag naar Duitsland. Duitsland antwoordde dat het bereid was deze belofte te geven als Engeland verklaarde neutraal te blijven. Als Grey dit positief had beantwoord dan zou er hoogstwaarschijnlijk geen Wereldoorlog zijn ontbrand maar Grey kon en wilde dit natuurlijk niet beloven.

Het gehele stelsel van bemiddelingpogingen en vredesvoorstellen na de 25e juli leek dan ook voornamelijk bedoeld om tijd te winnen en de publieke opinie te mobiliseren. We herhalen nog eens het telegram van de Russische ambassadeur in Parijs, Iswolski, aan zijn minister van Buitenlandse Zaken Sazanov, waarin hij er op aandrong om, in verband met de aan de gang zijnde bemiddelingpogingen, de Russische militaire voorbereidingen zo geruisloos mogelijk te laten verlopen, daaraan toevoegend:

‘De Franse minister van Oorlog deelde mede dat we zouden kunnen verklaren dat we, in het belang van de vrede, bereid zijn onze militaire voorbereidingen te vertragen. Natuurlijk zou zo’n verklaring ons niet behoeven te verhinderen gewoon door te gaan of zelfs onze mobilisatie -voorbereidingen te versnellen , zolang maar wordt voorkomen dat er grote troepenverplaatsingen plaatsvinden (die kunnen worden opgemerkt).

Tijdgenoten over Grey

The origins of the World War - S. Fay
The origins of the World War – S. Fay
Hoewel Fritz Fischer in zijn boek ‘Griff nach der Weltmacht’ duidelijk maakt dat de Duitse bedoelingen en medewerking aan de bemiddelingspogingen op dat moment niet overal meer oprecht waren, moet helaas hetzelfde gezegd worden van Grey’s voorstellen. Grey was niet de nobele, integere en uiterst betrouwbare, ouderwets degelijke en beminnelijke gentleman zoals bijvoorbeeld de Nederlandse historicus Prof. Dr. Schulte Nordholt hem schetst. (171)

Of Grey echter de schurk was zoals historici als Alberto Lumbroso of Morhardt hem zagen (172) is een andere vraag die mogelijk later nog wordt beantwoord. Zeker is wel dat Grey een uiterst beslissende rol heeft gespeeld bij de deelname van Groot-Brittannië aan de Eerste Wereldoorlog. Zo hij die oorlog al niet bewust heeft gewild, diep in zijn hart heeft hij de wenselijkheid daarvan steeds door z’n handelingen en vooral door zijn buitenlandse politiek ondersteund en zeker onvoldoende gedaan om ze te voorkomen en deze mening wordt door vele anderen gedeeld.

Sydney. B. Fay schreef in zijn ‘The origins of the World War’ onder andere;

‘Grey was unwilling to heed the German pleadings that he should exercise restraint at Paris and St.Petersburg because he did not wish to endanger the Anglo-Russian entente and the solidarity of the Tripple Entente because he felt a moral opbligation to France’. (173)

En Churchill, zijn vriend en tijdgenoot schreef over de rol van Grey in een brief aan diens biograaf Trevelyan in 1935:

‘There is no doubt in my mind that Grey defenitely accepted the task of resisting the German power and of making England play a decisive part in that. This led to the Great War in 1914. Had he taken a different course, he would not have prevented the war but it would have been another war’. (174)

…en Lloyd George voegde daar later aan toe dat:

‘his personality was distinctly one of the elements that contributed to the great catastrophe’. (175)

De historicus Barnes schreef in zijn boek “Genesis of the World War (1927)” ’n veel directere veroordeling uit zeggende:

‘Grey not only secretly and arbitrarily brought England into the war, but he also committed Party-treason in addition. (176) Grey’s attempt to justify his conduct towards Germany is, quite inevitable, entirely misleading and evasive’. (177) As to the primary responsibility of Grey, Crowe and Nicholson for pushing England into the war, there can be no doubt.’ (178)

Een andere tijdgenoot van Grey, de Russische ambassadeur in Londen, zei het weer anders toen hij, in een telegram aan Sazonov seinde:

‘Het was Grey die het Britse volk de oorlog invoerde en hij voelde zich daar, los van de verantwoordelijkheden van het Kabinet, persoonlijk verantwoordelijk voor’. (179)

Ook recentere historici komen tot die conclusie. Zo schreef Luigi Albertini in zijn ‘The origins of the war’ (1953):

‘Grey must undoubtedly have been aware of the false situation which had arisen in regard to Anglo-French- and indirectly Anglo-Russian relations’. (180)

…en hoewel hij elders in zijn boek stelde niet te twijfelen aan de goede trouw van Grey, merkte hij toch op:

“Can it be said that Grey had done all in his power to prevent the fatal stap from being taken? The anwer must be no. It is not possible to absolve Grey’. (181)

Recenter nog is de mening van Zara S Steiner, geuit in haar boek ‘Britain and the origins of the First World War’ (1977) toen ze, we herhalen het, schreef:

‘The military and naval chiefs did take an active role in determining the strategic possibilities open to the Cabinet. They consciously tightened the links with France and planned a course of military action which became the only plan available when war came. If Grey did not fully appreciate the connection between strategy and diplomacy , he gave his consent to decisions which led to a continental engagement ‘. (182)

…en verder:

‘Grey’s role was central. The Foreign Secretary was not a profound thinker or even a great statesman. There was much what he did not comprehend. He did not understand the effects of contemporary changes on the relative positions of states or on the conduct of war. He shied away from the irrational and cut himself off from forces he did not understand.. Grey misjudged situations ….in all such matters Grey was conservative and insular . He was naive in military matters and did not anticipate the price for victory though he never conceded that the cost was too high.’ (183)

Dat is dan nog een vrij milde karakterschets. Men wordt geen minister van Buitenlandse Zaken en houdt dat niet vele jaren vol, zeker niet in het Engeland van die tijd, als men zo zwak is als Steiner ons wil doen geloven, zeker ook niet als men Grey’s jarenlange intriges daarin mede betrekt.

Grey moet dan ook zonder enige twijfel gezien worden als de man die steeds met volle inzet en in het bezit van z’n volle verstandelijke vermogens, slechts een doel nastreefde namelijk: “to check Germany”. Zodra de tijd daartoe rijp was en wel via een oorlog die, met behulp van Frankrijk en Rusland,de verwijdering van Duitsland als politieke- en economische macht, van het wereldtoneel moest zeker stellen.

Grey en enige andere Britse politici en hoge militairen waaronder zeker ook veldmaarschalk Henry Wilson gerekend dient te worden, waren dan ook medeschuldig aan het ontstaan van de ‘Grote Oorlog’. Niet alleen streefden ze er naar, werkten plannen daartoe uit en droegen er zorg voor dat deze plannen ook konden worden uitgevoerd, maar ze hadden ook de wens en de wil om het zover te laten komen.

Toch blijft het uitermate moeilijk de zwaarte van hun schuld te meten omdat het onmogelijk moet worden geacht dat ze de volle consequenties van hun daden konden overzien en het is wel zeker dat, hadden ze de gevolgen geweten, er geen ‘Eerste Wereldoorlog’ zou zijn gekomen. Wat Grey betreft zijn de woorden van prof. Barnes in zijn boek ‘The Genesis of the World War’ wellicht het dichtst bij de werkelijkheid toen hij schreef:

‘Grey’s carreer is not the record of a great scoundrel,but is interesting rather as an illustration of the disasters which may befall a country which entrusts its destiny to a well meaning but vacillating and indecisive man and a ignorant, stupid and naive diplomat”. The tragedy of Grey is also an example for all posterity of the evil effects of bad company upon a diplomat and of the pernicious influence of the permanent staff of Foreign Offices. Grey’s published memoires are inaccurate and evasive and presents a picture of the crisis of 1914 almost exactly the reverse of the actual facts. They discredit the man far more than his acts of 1914’. (184)

Zijn deze woorden duidelijk genoeg, nog simpeler vatte de Britse geleerde Frederick Cornwalls Coneybear Grey’s politiek samen toen hij, in een brief aan een Amerikaanse collega op 4 augustus 1922 schreef:

‘Grey was doubtless as much of a hypocrite in the week before the war as he had been for eight years before that. We attacked Germany for three reasons:
1: To down her Navy before it got any larger,
2: To capture her Trade and
3: To take her Colonies’.

En aldus geschiedde.

Hans Andriessen (1937-2022) – Oorspronkelijk gepubliceerd op 2 januari 2015

Noten

*1 : Steiner.Zara.S., Britain and the origins of the First World War.
(1991) p.40
Robbins. Sir Edward Grey. (1971). p.131
*2 : Trevelyan.G.M., Grey of Fallodon. p.82
*3 : Ibid. p.83
*4 : Ibid.
*5 : Snijders & Duffour.De mobilisatie bij de Grote Mogendheden in
1914. p.58,59,71,72

Schwertjeger.Belgische Stukken nr 152.Brief graaf Van der
Straaten.
*6 : Steiner.Zara.S., Britain and the origins of the FirstWorld War.
(1991).p.40
National Review.Nov.1901.A.B.C. Proposal. (zie bijlage 1).
*7 : Trevelyan.G.M., Grey of Fallodon. p.84.
*8 : Steiner.Zara.S., Britain and the origins of the First World
War.(1991) p.40,41,87
*9 : Haldane.R.B., Richard Burdon Haldane. London (1929) p.189
*10 : Steiner.Zara.S., Britain and the origins of the First Worldwar.
p. 254, 255
*11 : Trevelyan.G.M., Grey of Fallodon. p.133, 134
. Morel.E.D., Truth and the War. (Ned.vertaling) p.28,29
*12 : Trevelyan.G.M., Grey of Fallodon. p.136
*13 : Morris.A.J.A., Radicalism against War 1906-1914. (1972) p.92
*14 : Ibid. p.83
*15 : Trevelyan. G.M., Grey of Fallodon. p.136
*16 : Herre.Paul., . Die kleine Staaten Europas und die Entstehung
des Weltkrieges.(1937) p.190,191,192
*17 : Ibid.p.192.
*18 : Smit..C., Nederland in den Eerste Wereldoorlog. (1971) Dl
1.p.119
*19 : Fay.S.B., The Origins of the Worldwar. (1932.) Vol.1. p.555
Hosse.(1930) Die englisch-belgischen Aufmarschplane gegen
Deutschland.
BD 111-p.186-203
*20. : Fay.S.B., The Origins of the Worldwar. Vol. 1. p.555.
Harold Nicolson to Lord Carnock” London 1930. p.399
*21 : Herre.Paul.,. Die kleine Staaten Europas und die Entstehung
des Weltkrieges.. p.195-196. quote Erlasz Favereaus 17-02-06
*22 : Steiner.Zara.S., Britain and the origins of the First World War.
p.199
*23 : Churchill.W., The World Crisis 1911-1914. London 1927. Volt.
1, p.53
*24 : Callwell. Maj.Gen.Sir.C.E., Field Marshal Sir Henry Wilson.
His life and diaries. Vol.1.p.86
*25 : Ibid. p 94
*26 : Ibid. p.107
*27 : Ibid.
*28 : Ibid, p.102
*29 : Ibid.
*30 : Morris.A.J.A.,Radicalism against War. p.283.
*31 : Ibid. p.284.
*32 : Callwell.Maj.Gen.Sir.C.E., Field Marshal Sir Henry Wilson.
His life and diaries. Vol.1.p.99
*33 : Ibid.p.100.
Steiner. Zara.S., Britain and the origins of the First World War.
(1991) p.73-74
*34 : Ibid.p.74
*35 : Morris.A.J.A., Radicalism against War. p.297.
Asquith to Haldane. 9-9-1911
*36 : Ibid. p.295
*37 : Ibid. p.296.
*38 : Ibid. p.298
*39 : Lloyd George.D. , War Memoirs” Vol.1. p.2-47
Morris. A.J.A., Radicalism against War. p.299.
Steiner.Zara.S., Britain and the origins of the First World War.
(1991) p.76.
*40 : Ibid. p. 201.
*41 : Ibid
*42 : Ibid. p. 74.
*43 : Lloyd George. D., War Memoirs. Vol.1. p.47-49.

*44 : Steiner.Zara.S., Britain and the origins of the First World War.
(1991) p.237.
*45 Morris. A.J.A., Radicalism against War. p.284; zie ook
Fay.S.B., The origins of the World War.
Barnes.H.E., The genesis of the World War.
Warmelo.W.L., De misdaad van 1914 (1931).
*46 : Steiner.Zara.S., Britain and the origins of the First World War
(1991). p.82
*47 : Ibid;
Trevelyan. G.M., Grey of Fallodon. p.182
*48 : Trevelyan. G.M., Grey of Fallodon. p.182
*49 : Steiner.Zara.S., Britain and the origins of the First World
War.(1991) .p.86.
*50 : Trevelyan.G.M., Grey of Fallodon. p.181
*51 : B.D: 4. 213.
Siccama.K.H.Ds., De annexatie van Bosnie-Herzegovina. p 148
*52 : Steiner.Zara.S., Britain and the origins of the First World War.
( 1991).p.80, 81
*53 : Ibid. P.82;
Key Treaties for the Great Powers p .805..
*54 : Monteglas. The case of the Central Powers. p.252.
Duitse Witboek:Deutschland Schuldig?. p.140.
*55 : Steiner.Zara.S., Britain and the origins of the First World War.
(1991).p.85,86.
*56 : B.D:5. 195.
*57 : Monteglas. The case of the Central Powers. p.252.
Duitse Witboek. Deutschland Schuldig?.p.140.
Steiner.Zara.S., Britain and the origins of the First World War.
p.85,86.
Isvolski to Benckendorff. 18-6-1908..
Fay.S.B., The origins of the World War. Vol.1. p.241.
*58 : Steiner.Zara.S. Britain and the origins of the First World War.
(1991).p.40. quotes
Mattheus.H.G.C., Liberal Imperialists. p.204.
*59 : Avner Offer. The First World War, an agrarian inter
pretation.1991. p.242,243
The Economic Effect of War on German Trade. Admiralty
Paper E-4.12- 12-08.p.25.
*60 : Ibid.
*61 : Ibid.
*62 : Ibid.p.243.
*63 : Ibid.
Kraft.B.D.E., Lord Haldanes zending naar Berlijn in 1912. p.30
*64 Gr.Pol. 23. no 1.777.
*65 : Kraft.B.D.E., Lord Haldanes zending naar Berlijn in 1912.
p.101,102
*66 : The Nation. 13-06-08. p 369.370.
*67 : Br.Doc.4. p.617. 24-02-08.
Steiner. Zara.S., Britain and the origins of the First World War.
p.82
*68 : Morris.A.J.A., Radicalism against War. p.132.
*69 : Memorandum of the Sealords. Jan.1909,geciteerd door
Morris in Radicalsm against War. p.147
*70 : Morris.A.J.A., Radicalism against War. p.144
*71 : Ibid.p.142.
The Nation. 1-5 Augustus 1908
*72 : Morris. A.J.A., Radicalism against War. P150
Lloyd George to Asquith, 2 February 1909
*73 : Ibid. p.152, Cabinet Memorandum 2 February 1909
*74 : Ibid. .p.150.
*75 : Hirst. The six Panics. p.98.
*76 : Kraft.B.D.E., Lord Haldane’s zending naar Berlijn in 1912.

(1931) p.42
*77 : Ibid. p.43
*78 : Ibid.. p.42
*79 : Morris.A.J.A..Radicalism against War. p.222.
*80 : Ibid. p.222.
Nicolson to Hardinge. 02-03-11.
*81 : Steiner.Zara.S., Britain and the origins of the First World War.
(1991).p.140. citeert
Hardinge. Mss vol.92 Nicolson to Hardinge. 17-08-11.
*82 : Trevelyan. G.M., Grey of Fallodon. p.216.;
G.D.D.p.132. (Vol 1911-1914)
*83 : Ibid.
*84 : Steiner.Zara.S.,. Britain and the origins of the First World War.
(1991) .p.143.
*85 : Ibid.
*86 : Lloyd George.D.,War Memoirs. Vol.1. p.50.
*87 : Hansard. 5th Ser.XXXII .58. geciteerd door Steiner.p.143.
*88 : Trevelyan.G.M., Grey of Fallodon p.140.;
Brits Blauwboek 105;
*89 : Morris.A.J.A., Radicalism against War. p.316.
DDF IV.563.
*90 : Barnes.H.E., The genesis of the World War. p.470;
Grey of Fallodon.Twenty five years. Vol 2. p.16,17.
*91 : Kraft.B.D.E., Lord Haldanes zending naar Berlijn in 1912. p.7.
*92 : Ibid.p.6.
*93 : Ibid.p.8. citeert Meinecke.p.89.e.v.
*94 : Ibid.p.11.
*95 : Ibid.p.21.(Zie ook p.21)
*96 : G.P. Vol.31.p.95-251. (1871-1914)
Bethmann Hollweg. Betrachtungen. Band 1. p.48 e.v.
Haldane.Visc. Before the War’ (1920). p.55-72.
*97 : G.P.Vol.31. p.103 e.v.
*98 : Grey of Fallodon. ‘Twenty Five Years Vol.1.p.228.e.v.
*99 : G.P.Vol.31. p.55,62,126.
*100 : Morel.E.D., Truth and the War. p.355.
*101 : Morris.A.J.A., Radicalism against War.p.308.
Trevelyan.G.M., Grey of Fallodon,. p.228.
*102 : B.D Vol.6, No 490.
*103 : Kraft.B.D.E., Lord Haldanes zending naar Berlijn in 1912.
p.202.
*104 : Ibid. p.205.
*105 : Ibid. p.206;
Churchill.W., The World Crisis 1911-14.. Vol.1. p.102.
*106 : Churchill. W., p.99.
*107 : Kraft.B.D.E., p.229
*108 : Ibid. . p.233.
*109 : Fay.S.B., The origins of the World War. Vol.1. p.305.
*110 : gecombineerde Bethmann/Haldane formule 10-02-12. in
Fay.S.B., Vol 1.p.305
*111 : Kraft. B.D.E., Lord Haldanes zending naar Berlijn in 1912.
p.233
*112 : Ibid.;
Fay.S.B., Volt 1.p.305
*113 : Ibid. p.230. Quote Gr.Pol. Volt.31. no 11358
*114 : Morris.A.J.A., Radicalism against War..p.310-311
*115 : G.P. Vol.31. 128-145
*116 : Steiner.Zara.S., Britain and the origins of the First World
War.(1991).p.96
*117 : Kraft.B.D.E., Lord Haldanes zending naar Berlijn in 1912.
p.307,312,313
*118 : Steiner.Zara.S.,. Britain and the origins of the First
World War. (1991).P.96

*119 : Fischer.Fr. Griff nach der Weltmacht. P.29
*120 : Raymond Poincare. Memoiren (Duitse vert.Paul Aretz Verlag
1928). Dl.1 p.140)
*121 : Steiner.Zara.S., Britain and the origins of the First World War.
(1991).P.97
*122 : Ibid.Nicolson to Bertie 08-02-1912
*123 : Barnes. Genesis of the World War.. p.480
*124 : Trevelyan.G.M., Grey of Fallodon.. p.84
*125 : Barnes. Genesis of the World War. p.48.
*126 : Ibid. p.499
*127 : Ibid;
Muller.Joh., (uitg.) Engelands rol bij het uitbreken van de
Wereldstrijd.. p.46
Blauwboek. p.123
*128 : Muller.Joh. (uitg.) Engelands rol bij het uitbreken van de
Wereldstrijd.. p.9
*129 : Ibid.
*130 : Ibid.p.30.
*131 : Manchester Guardian 19-4-12;
The Nation 27-4-12.
*132 : Morell.E.D., Truth & the War. p.357
*133 : Trevelyan.G.M., Grey of Fallodon. p.216;
Dugdale. “German Dipl.Documents 4. (1931) p.132.e.v.
Steiner.Zara.S., Britain and the origins of the First World War.
(1991).p.101-104
*134 : Barnes.H.E., Genesis of the World War.p.474.
*135 : Callwell.Maj.Gen.C.E.,Fieldmarshal Sir Henry Wilson. Vol 1,
p.112-113.
*136 : B.D Vol X (2) no 416 quoted by Steiner, p.103.
*137 : Churchill.W., The World Crisis 1911-14. Vol 1.p.112
*138 : Asquith.Rt.Hon.H.H, M.P., The genesis of the war.p.83
*139 : Callwell.Maj.Gen.C.E., Fieldmarshal Sir Henry Wilson. Vol
1.p.150;
Gen Sir.Percy Radcliff. (ongepubliceerd) Public Record Office
wo/106/49a/1;
Papers Gen.Sir.Ch.Deedes, quoted in ‘Stand To’ no 10, (1984).
(orgaan Western Front Ass) Uk.
*140 : Ibid (Callwell) p.151
*141 : Ibid. p.150.
Ibid.,Stand To, waarin Gen.Radcliff beschrijft hoe vanaf 1906 de besprekingen met Frankrijk verliepen, de rol van Wilson, de strikte geheimhouding en vertelt dat de hele
planning slechts door een half dozijn officieren werd opgesteld.
*142 : Barnes.H.E., Genesis of the Worldwar.p.467
*143 : Steiner.Zara.S. Britain and the origins of the First World War.
(1991).p.201.
*144 : Trevelyan.G.M., Grey of Fallodon.p.253
*145 : Henderson.Dr.E.F., The verdict of History. p.198 quoted by
Barnes.
*146 : Gardner.A,G., Saturday Review of Literature.31-10-25
*147 : Barnes.H.E., Genesis of the World War. p.538, geciteerd door
Henderson.E.F en gedeeltelijk in ‘New York Nation’, 28- 10-
25, p.490
*148 : Barnes. H.E.,. Genesis of the World War..p.544
*149 : Ibid. p.544
*150 : Ibid. P.546,547
Ewart. Roots and causes of the war 1914-1918, hoofdstuk 14.
Morel.E.D., Thruth and the war. p.21
*151 : Fischer.Fr.Griff nach der Weltmacht.p.63 ev
*152 : Steiner.Zara.S., Britain and the origins of the First World
War.p.125. 184
*153 : Fay.S.B., The origins of the World War. Vol.2. p.365
*154 : Ibid.p.366.

*155 : B.D.132. Tgm.Grey to Buchanan 25 july 1914.1415 p.m.
*156 : Fay.S.B., The origins of the World War. Vol 2.p.376
B.D.122, B.D.145. Rumbold to Grey July 25 1914
*157 : Ibid.
*158 : Fischer.Fr., Griff nach der Weltmacht.p.63
*159 : Fay.S.B., The origins of the World War.Vol 1.p.120 (waarin
gesteld wordt dat mobilisatie gelijk staat aan oorlog);
L’Alliance France-Russe. P.56;
Owen.R.,The Russian Imperial Conspiracy. p.109.
Willy-Nicky telegrammen.,Volledige correspondentie keizer
Wilhelm II aan tsaar Nicolaas.(1919)
*160 : Fay.S.B., The origins of the World War. Vol 2.p.380, citeert
B.D.101.
*161 : B.D.125. Buchanan to Grey, July 25 1914.
Fay.S.B., The origins of the World War. Vol 2.p.379.
*162 : Ibid Fay. Vol 1. p.120
*163: Ibid. Vol 2.p.391;
Sazonov tgm 1521 to Isvolski, July 27 1914
*164 : Buchanan to Grey. zie note 161.
*165 : Zie note 159
*166 : Barnes.H.E., Genesis of the World War. P.507.citeert British
Bluebook no 67, B.D. no 203-218.
*167 : Ibid.
*168 : Ibid, P.508.
Fay.S.B., New light on the origins of the World War. in:
American Historical Review, Oct 1920,P.51.
*169 : Barnes.H.E., Genesis of the World War. p.512
*170 : Romberg. Falsifications of the Russian Orange Book.
*171 : Schulte Nordholt.Prof.Dr.J.W., Dichter/Historicus in gesprek
met auteur 1991
*172 : Lumbroso.A., Le origini della guerra mondiale
*173 : Fay.S.B., The origins of the World War.Vol 2.p.557
*174 : Trevelyan.G.M., Grey of Fallodon. p.218
*175 : Lloyd George.D., War Memoirs Vol.1. p.90
*176 : Barnes.H.E., . Genesis of the World War. p.515
*177 : Ibid p.520
*178 : Ibid p.537
*179 : Benckendorf to Sazonov 6-4-1915
*180 : Albertini.Luigi., The origins of the war.Vol 2.p.202
*181 : Ibid. p.214.
*182 : Steiner.Zara.S.,. Britain and the origins of the First World
War. (1991).p.254.
*183 : Ibid. p.255.
*184 : Barnes.H.E., The origins of the World War.p.582..

×