De Groninger universiteit na 1945

Academische vrijheid en verzakelijking
6 minuten leestijd
Senaatszaal in het Academiegebouw van Groningen
Senaatszaal in het Academiegebouw van Groningen (CC BY-SA 3.0 - AWJ - wiki)

In 2008 sloot de Suikerunie in Groningen de poorten. Een kleine eeuw lang hing de geur van suikerbiet in het campagneseizoen als een natte dweil over de stad en wie van buiten kwam mocht daarover nait soez’n. Dat aroma hoorde bij Stad. Nu komen er op dit enorme terrein 5000 nieuwe huizen, want Groningen snakt naar nieuwbouw. Want: wie Groningen zegt, zegt studenten. Anno 2021 studeerden er 38.000 studenten aan de universiteit en ruim 30.000 aan de Hanzehogeschool, samen een derde van de stadsbevolking. Daaronder ruim 8000 buitenlandse studenten. Dat bijna al die studenten ook willen wonen en de Stad steeds verder het groene ommeland indrijven, dat is een extern effect dat de universiteit veel te vaak nog lijkt te overvallen. Gelukkig maar dat er af en toe een oud bedrijfsterrein vrijvalt.

Over die dominante, uit de kluiten gegroeide universiteit heeft hoogleraar geschiedenis Klaas van Berkel een indrukwekkend drieluik geschreven onder de titel Universiteit van het Noorden: vier eeuwen academisch leven in Groningen. Het eerste deel brengt de in 1615 gestichte universiteit voor het voetlicht. Die moest vooral dominees opleiden die het ware licht konden laten schijnen over al die poepen (katholieken) die ziel en zaligheid nog niet wilden beleggen bij de (z)ware, gereformeerde leer. Deel twee loopt van 1875 tot 1945 en heet ‘De klassieke universiteit’. Deel drie heet ‘De zakelijke universiteit’ en gaat over de naoorlogse periode. Let op, elk deel telt achthonderd pagina’s of meer. Je zou haast denken dat Van Berkel, die het heersende wetenschapsregime verwijt dat kwantiteit boven kwaliteit gaat, ook een tik van die molen kreeg.

De drie delen van de serie 'Universiteit van het Noorden'
De drie delen van de serie ‘Universiteit van het Noorden’ (Uitgeverij Verloren)

Dit derde deel, waartoe deze bespreking zich beperkt, is vers van de pers, zelfs de coronacrisis staat erin. Geen leuke tijd, natuurlijk. Studenten ‘vonden er gewoon niks aan’, schrijft Van Berkel, aan al dat online gedoe. Voor instructie is dat misschien wel ‘afdoende’, maar niet voor ‘onderwijs’. Dat draait om ontmoeting, meningsvorming, argumenteren en discussiëren, om contact, verzucht de schrijver, dat is de ziel van het academisch onderwijs. Daar kun je het alleen maar mee eens zijn.

Groeien tegen de klippen op

Het belangrijkste kenmerk van de naoorlogse ontwikkeling van de Rijksuniversiteit Groningen (hierna RUG) is de enorme groei van de studentenaantallen. De lichtingen werden na de oorlog groter en per jaargroep gingen meer jongelui studeren, ook uit lagere milieus. Die aardden lang niet altijd in de vaak elitaire universitaire wereld waar de jongeheren van het corps graag de dienst uitmaakten. Dat er ooit een piano van het bordes van het corps Vindicat naar beneden werd gesmeten, is misschien een broodje aap (Van Berkel vermeldt het niet), maar wel tekenend. Men kon zijn gang gaan, want zei de Stadjer dan, ‘Papa betoalt toch wel’. Studentes waren er eerst niet veel. Schokkend is te lezen hoe onbeschoft de mannetjes van Vindicat hen vaak bejegenden. Van Berkel geeft er heel wat voorbeelden van. In de jaren zeventig werden kritische studentenbonden gezichtsbepalend. Toen hun invloed in de jaren tachtig taande, bleek dat studenten de verenigingen steeds vaker links lieten liggen. Er was ook minder tijd voor het goede leven in de vereniging, omdat studeren duurder werd en er dus vaker een bijbaan gezocht moest worden.

Academiegebouw Groningen
Academiegebouw Groningen (CC BY-SA 4.0 – Hardscarf – wiki)

Een van de vragen die van Berkel steeds weer stelt is waar die universiteit nu eigenlijk voor op aarde is. Wat is de missie? Die is niet groeien, groeien, groeien, al leek het daar na 1980 wel vaak op. Velen zagen de RUG als een brede universiteit die zich op vele terreinen op onderwijs en onderzoek richtte maar ook maatschappelijk verbonden moest zijn. In de jaren vijftig droomden sommigen over een ‘universitaire gemeenschap’ van gelijkgestemden, twintig jaar later wilden activistische studenten in hun rol als hoofdarbeiders loon ontvangen. In de liberale jaren negentig moest wetenschap passen in de mal van de vrije markt en de mondialisering. Competitie en het streven de beste te zijn ging domineren. Nu gelden werden toegekend aan de beste onderzoeksvoorstellen stonden er tegenover enkele winnaars vaak veel chagrijnige verliezers. Wetenschap is nu eenmaal topsport, zeiden sommige bestuurders, ‘rankings’ moest je zien als de koers van een beursgenoteerd bedrijf. Daarom moest de RUG internationaliseren en natuurlijk groeien, anders zou Groningen afzakken naar de grijze middenmoot.

Toch bleven waarden belangrijk, zoals de academische vrijheid. Alleen… wat was dat precies? Toen de RUG in 2015 de kroon wilde zetten op de internationalisering werd duidelijk dat dat elastieken begrip niet alleen academische privileges afdekte maar ook grenzen stelde. Het plan om een dependance in Yantai, China te vestigen liep uit op een pijnlijke mislukking voor het megalomane College van Bestuur. Botste de nauwe samenwerking met een partner uit een totalitair land niet met belangrijke universitaire waarden, zoals kritische zin, discussie, debat en respect voor minderheidsopvattingen? Toen de Universiteitskrant (UK) begon te graven in het dossier Yantai, kreeg de krant van bestuursvoorzitter Sibrand Poppema te horen dat kritiek op de Chinese partners uit den boze was, want de Chinezen lazen de Engelstalige UK. De RUG stond op het punt zijn ziel, of beter gezegd, academische vrijheid te verkopen. Het plan werd afgeblazen, maar Poppema weigerde verantwoording af te leggen.

Buigen

Naast groei was meer gelijkheid een belangrijke trend. Groningse onderzoekers die kort na de oorlog een kijkje gingen nemen in de VS kwamen terug met het idee dat je in de wetenschap met goed teamwerk veel meer kon bereiken. Toch was de RUG tot diep in de jaren zestig nog een bolwerk van paternalisme, standsbesef en hiërarchie. Daarna keerde het tij. In de jaren zestig en zeventig werden de verhoudingen meer egalitair. De bonje tussen activistische studenten en bestuurders ging onder meer over de invloed van studenten. Die zetten hun eisen desnoods kracht bij door gebouwen te bezetten, tot dat ook weer een vorm van folklore werd. Van Berkel heeft er weinig sympathie voor en stelt dat de activisten nooit een meerderheid van de studenten achter zich kregen. Bewijsvoering blijft uit. Toch valt op dat de radicale studenten wel heel vaak steun kregen van docenten, hoogleraren en bestuurders. Net als elders bogen de onderwijsbonzen voor de nieuwe mode, soms uit opportunisme, vaak ook uit overtuiging.

Er komt nog veel meer aan bod in dit dikke maar erg leesbare boek, zeker voor de alumnus. Bijvoorbeeld de terreur van onderwijskundigen die iedereen in het staketsel dwongen van de onderwijsmal, leeruitkomst en studiepunten. Vrouwen gingen pas laat een rol van betekenis spelen aan de RUG, Aletta Jacobs ten spijt; een terzijde is er over het ‘wit’ blijven van de studentenpopulatie etc; een vermelding van de Nobelprijs voor Feringa; de digitalisering; de relaties met Den Haag, etc..

Bernard Röling,  rechtsgeleerde en grondlegger van de Nederlandse polemologie, 1972
Bernard Röling, rechtsgeleerde en grondlegger van de Nederlandse polemologie, 1972 (CC BY-SA 3.0 – Joost Evers / Anefo – Nationaal Archief – wiki)
Mooi zijn de portretten van hoogleraren, zoals professor Bert Röling, ooit rechter tijdens het Militair Tribunaal tegen Japanse oorlogsmisdadigers in Tokio. In Groningen werd hij vooral bekend als oprichter van de polemologie, de leer van oorlog en vrede. Het is jammer dat van Berkel nauwelijks ingaat op de beëindiging van deze populaire studie die in de vroege jaren tachtig heel veel studenten trok en grote invloed had op het maatschappelijk debat. Dwarsdenkende polemologen zouden we met de huidige crisis in de Oekraïne goed kunnen gebruiken.

Kennis delen

Het is grappig dat van Berkel met dit prachtige boek toont dat ook de alleen werkende, in het Nederlands schrijvende onderzoeker tot zeer aansprekende resultaten kan komen. Dat is tegenwoordig toch een beetje tegen de wind in plassen. Van Berkel is ondanks zijn lof voor de veerkracht van de universiteit niet optimistisch over de toekomst.

“De nadruk op competitie en de wil om te winnen staan haaks op het hele idee dat kennis vermeerderen neerkomt op kennis delen, werkt strategisch gedrag om toch vooral te kunnen scoren in de hand en verleidt mensen tot manipulatie van het proces dat tot erkenning en waardering van het onderzoek moet leiden.”

Voormalige suikerfabriek Suiker Unie, Van Heemskerckstraat, Groningen
Voormalige suikerfabriek Suiker Unie, Van Heemskerckstraat, Groningen (CC BY-SA 3.0 – Wutsje – wiki)

Met het verdwijnen van de Suikerunie verdween dat penetrante maar echt Groningse herfstgeurtje. Dat uit het universitaire productieproces soms ook vervelende odeurtjes opstijgen is vervelend maar misschien onvermijdelijk in het tijdperk van borstklopperij, marketing en ronkende reclames. Wie wil reflecteren op het juiste midden tussen zakelijkheid, ondernemingslust en academische waarden kan niet beter terecht dan bij dit levendige en goed geschreven boek.

~ Joost Eskes

Boek: Universiteit van het Noorden. De zakelijke universiteit 1945-2021

Bekijk dit boek bij:

Bekijk dit boek bij Historiek Geschiedenisboeken