Tentoonstelling Gevangen door Atjeh

Koning Alfons XIII van Spanje en de vervlechting van staat, kerk en leger

Tijdens de eerste tien jaren van zijn koningschap kreeg Alfons XIII van Spanje te maken met een opkomend antiklerikalisme, antimilitarisme en een strijdbare arbeidersbeweging. Dat culmineerde in 1909 in de zogeheten Tragische Week van Barcelona, toen arbeiders in opstand kwamen tegen een voorgenomen mobilisatie van reservisten om in Marokko een opstand neer te slaan.

Alfons XIII aanvaardt het koningschap

Alfons XIII met zijn moeder Maria Christina in 1898 - Luis Álvarez Catalá (Publiek Domein - wiki)
Alfons XIII met zijn moeder Maria Christina in 1898 – Luis Álvarez Catalá (Publiek Domein – wiki)
Op 17 mei 1902 bereikte Alfons XIII de meerderjarige leeftijd van 16 jaar en aanvaardde hij het koningschap daadwerkelijk. Het regentschap van zijn moeder Maria Christina was ten einde. Zij overleed in de ouderdom van 71 jaar in 1929. Koning Alfons XIII trad in 1906 in het huwelijk met de Britse prinses Victoria Eugénie van Battenberg. Vooraf was tegen deze echtverbintenis wel bezwaar gerezen in Spanje vanwege de lage komaf van de Battenbergs en het feit dat de prinses anglicaans was. Om te voorkomen dat het huwelijk niet serieus zou worden genomen werd Ena, zoals men de prinses noemde, getooid met de titel Koninklijke Hoogheid. Ook bekeerde zij zich tot het rooms-katholicisme. Toen het paar na de huwelijkssluiting terugkeerde naar het koninklijke paleis wierp de anarchist Mateo Morral een bom naar de koets, elf personen kwamen om en er waren diverse gevonden, maar Alfons en Ena liepen geen letsel op. Uit het huwelijk werden zeven kinderen geboren, waarvan de eerste en de laatste, Alfons en Gonzalo, aan hemofilie leden. De tweede zoon, Jaime, kwam doof ter wereld en het was vanwege deze handicaps dat Alfons en Jaime in 1933 afstand deden van hun rechten op de troon ten gunste van de derde toen nog in leven zijnde zoon Juan, de grootvader van de huidige koning van Spanje, Felipe VI.

Hoewel Alfons XIII zich voordeed als een puritein, was hij in werkelijkheid iemand die het met de huwelijkstrouw niet erg nauw nam en er diverse minnaressen op na hield. Zijn privé-opvattingen waren zeer liberaal in vergelijking met de heersende moraal en hij had grote belangstelling voor in die tijd onder de elite zeer populaire cine pornográfico. Alfons XIII was intelligent, verzot op techniek en zag het belang in van goed onderwijs en onderzoek, wat tot uiting kwam in een donatie van gronden ter realisering van universitaire instituten.

Aanslag op Alfons XIII en zijn echtgenote, 31 mei 1906 (Publiek Domein - wiki)
Aanslag op Alfons XIII en zijn echtgenote, 31 mei 1906 (Publiek Domein – wiki)

Nieuwe politieke leiders

De jonge koning begon zijn regeerperiode in een tijd van grote sociale omwentelingen, vooral gekenmerkt door de opkomst van de arbeidersbeweging. In tegenstelling tot zijn moeder bemoeide de koning zich indringend met de dagelijkse politiek. De betitelingen van Alfons XIII als ‘koning-politicus’ of als ‘politicus op de troon’ misstonden hem dan ook niet. Gebruikmakend van de verwarring die heerste binnen de grote politieke partijen sinds de dood van hun leiders Cánovas del Castillo en Sagasta, slaagde de zelfverzekerde koning erin veelvuldig zijn stempel te drukken op de politiek. Dikwijls negeerde hij leden van het kabinet door hen geen toestemming te vragen bij het nemen van belangrijke beslissingen, met name als het ging om de benoeming van hoge officieren. Tot aan zijn aftreden in 1931 onderhield Alfons XIII uitstekende relaties met de krijgsmacht en in geval er meningsverschillen waren tussen ministers en het leger koos hij steevast de kant van de militairen. Bekendste voorbeeld is zijn steun aan generaal Miguel Primo de Rivera toen deze in 1923 een staatsgreep pleegde. Met deze houding frustreerde hij regering en parlement en vormde hij een beletsel voor de ontwikkeling van burgerlijke initiatieven.

- advertentie -

Antonio Maura (in 1910)
Antonio Maura (in 1910)
Zowel binnen de Partido Conservador, de schepping van Antonio Cánovas del Castillo, als binnen de Partido Liberal waarvan Práxedes Sagasta de onbetwiste leider was geweest, begon na de dood van deze politici de strijd om de macht. Ondanks het breed gedragen gevoel dat het turnismo, het telkens wisselen van de regeringsmacht gepaard aan grootschalige verkiezingsfraude, diende te verdwijnen, bleef dit in stand. Het leidde tot het aantreden van een conservatieve regering in december 1902 onder Francisco Silvela. Opkomend talent in de Partido Conservador was Antonio Maura – grootvader van de schrijver Jorge Semprún – die op termijn de eerste viool speelde onder de conservatieven. Maura genoot de steun van Silvela en nam na diens dood in 1905 het partijleiderschap van hem over. Belangrijk voor de diepgelovige Maura was dat hij kon rekenen op adhesie van de groep van conservatieve katholieken geleid door Alejandro Pidal y Mon, ooit afgescheiden van de partij, maar in 1884 definitief door Cánovas geïncorporeerd in de Partido Conservador. Vanaf december 1902 tot juni 1905 traden maar liefst vijf kabinetten aan van conservatieve snit, respectievelijk onder Silvela, Villaverde, Maura, Azcárraga en wederom Villaverde.

Segismundo Moret in 1881 (Publiek Domein - wiki)
Segismundo Moret in 1881 (Publiek Domein – wiki)
In de Partido Liberal ging de strijd vooral tussen de behoudende Eugenio Montero Ríos en de vooruitstrevende Segismundo Moret die zich sterk maakte voor een grondwetsherziening en toenadering zocht tot Nicolás Salmerón, voorman van de republikeinen. Montero Ríos won en volgde Sagasta op als politiek leider van de partij. José Canalejas, diverse keren minister onder Sagasta, voerde een groep van liberaal-democraten aan binnen de Partido Liberal. Hij richtte zijn eigen partij op: de Partido Liberal-Demócrata, maar keerde terug om in 1905 het partijleiderschap van Montero over te nemen. In juni van datzelfde jaar kwam de Partido Liberal weer aan de macht en net als in de vorige periode was het tot januari 1907 een komen en gaan van premiers die telkens net weer andere nuances wilden aanbrengen in het regeringsbeleid. Het waren achtereenvolgens: Montero Ríos, Moret, López Domínguez, wederom Moret en Aguilar. In een tijdsbestek van vier jaar en twee maanden waren er tien kabinetten aangetreden, verdeeld over conservatieven en liberalen en was het wetgevende proces ernstig gefrustreerd.

Dat wil overigens niet zeggen dat er geen enkel resultaat werd geboekt. In 1903 slaagde men erin om het frauduleuze kiessysteem enigszins op te schonen door de lokale caciques aan te pakken wat leidde tot voor de oppositie gunstige verkiezingsuitslagen. De republikeinen van Salmerón veroverden 35 zetels. Ook op bestuurlijk-administratief gebied veranderde het een en ander. Ambtenarij en politiek werden ontvlochten, het begin van een onafhankelijk administratief apparaat. Dit gold zowel de ministeries en publieke diensten als de posterijen, de inspectie op de gezondheidszorg en de politie.

Wet op de jurisdicties en de opkomst van het antiklerikalisme

Spotprent op het leger
Spotprent op het leger
Eind november 1905 vond in Barcelona een ernstig incident plaats. Een groep militairen attaqueerde redactielokalen van de satirische tijdschriften ¡Cu-Cut! en La Veu de Catalunya, die een aantal satirische tekeningen hadden gepubliceerd waarmee zij het leger te kijk zetten. Op dat moment was Montero Ríos van de Partido Liberal premier en liepen de spanningen tussen de regering en het leger hoog op. Montero nam in de ogen van de militairen onvoldoende afstand van de aan hun adres gerichte beledigingen, terwijl de premier te kennen gaf niet te kunnen dulden dat legereenheden naar eigen goeddunken handelden.

In december kwam Montero ten val en werd hij opgevolgd door zijn partijgenoot Moret met aan diens zijde generaal Agustín de Luque als minister van Oorlog. Dit om een mogelijke militaire staatsgreep te voorkomen, maar de hoge officier zat er meer om de belangen van het leger te behartigen dan dat hij zich inzette voor de versteviging van het burgerlijk gezag. Moret toonde zich principieel voorstander van de soevereiniteit van de civiele macht maar kon de militaire dreiging slechts afwenden door een wet in te dienen waarin een aantal burgerlijke vrijheden werd ingeperkt en die beledigingen van het vaderland en leger onder militaire jurisdictie stelde. Koning Alfons XIII kon zich er geheel in vinden. Voor de liberalen een regelrechte nederlaag. Deze wet, die bekend staat als de Wet op de jurisdicties (Ley de Jurisdicciones), bleef van kracht tot 1931. Al die tijd werd hij veelvuldig gebruikt om kritiek op het leger in de kiem te smoren. De Catalanen vatten de wet op als een inbreuk op hun autonomie en ook republikeinen als Salmerón, carlisten en federalisten protesteerden heftig. Gevolg was de oprichting van Solidaridad Catalana, een regionaal front, bestaande uit de in 1901 opgerichte partij Lliga Regionalista, carlisten en republikeinen. Ook intellectuelen lieten protest horen tijdens een door Miguel de Unamuno georganiseerde conferentie. Om de Catalanen enigszins tegemoet te komen diende Moret enkele wetten in die neerkwamen op protectie van de Catalaanse industriëlen en handelaars. De premier, die zich altijd voorstander had getoond van vrijhandel, maakte zich er in de rest van het land niet populair mee.

Na het rampjaar van 1898, waarin Spanje de oorlog met de VS verloor en zijn overzeese koloniën kwijtraakte, waren alle politici van links tot rechts overtuigd van de noodzaak tot een politiek van wederopbouw ofwel regeneratie. De politiek diende haar waardigheid te herwinnen en het land moest er financieel en economisch weer bovenop komen. Hand in hand daarmee gingen pogingen om het vertrouwen van de bevolking in de monarchie te herwinnen. Maura trachtte dat te doen door van bovenaf bestuurlijke veranderingen aan te brengen, terwijl Canalejas het zocht in hervormingen verkregen langs democratische weg, van onderop. Ook zag Canalejas het belang in van de dialoog met de opkomende arbeidersbeweging.

- advertentie -

María de las Mercedes en Karel Maria van Bourbon-Sicilië, gefotografeerd door Christian Franzen (Publiek Domein - wiki)
María de las Mercedes en Karel Maria van Bourbon-Sicilië, gefotografeerd door Christian Franzen (Publiek Domein – wiki)
Maar meer nog dan deze verschillen van inzichten markeerde het denken over de rol van religie in de samenleving de waterscheiding tussen de Partido Conservador en de Partido Liberal. Canalejas streefde naar onderwerping van kerkelijke instituties aan staatscontrole, naar secularisatie van het bestel, maar Maura moest daar niets van hebben en gunde de kerk haar geprivilegieerde positie. Deze scheiding der geesten, klerikalisme versus secularisering, was vanaf het begin van de twintigste eeuw niet slechts een kwestie die politici bezighield, maar zou decennialang een hoofdrol spelen op alle niveaus van de Spaanse samenleving.

Eén van de dingen die ongetwijfeld bijdroeg aan de plotselinge groei van het antiklerikalisme was het huwelijk van prinses María de las Mercedes, de oudste zuster van Alfons XIII, met de carlist Karel Maria van Bourbon-Sicilië. Deze uiting van de verbondenheid tussen staat en rooms-katholieke kerk wekte veel weerzin en vanaf dat moment speelde de strijd tussen gelovigen en ongelovigen zich niet alleen af op het politieke toneel, maar ook op straat. Daar zetten anarchisten, federalisten en republikeinen de toon en won het verzet tegen de klerikalen aan omvang door onder meer de mobiliserende kracht van jonge intellectuelen. Demonstraties en acties waren het gevolg en om tegenspel te bieden aan de seculiere arbeidersbeweging bouwden kerk en bedrijven aan een stelsel van alternatieve arbeidersorganisaties van rooms-katholieke signatuur dat onder controle stond van de ondernemers.

Het ‘langdurige’ kabinet van Maura

Na de bomaanslag op het pas getrouwde koninklijk paar in mei 1906 viel de regering Moret en volgden nog drie kabinetten van liberale snit. Pogingen van de Partido Liberal om greep te krijgen op de religieuze ordes mislukten en verscherpten de tegenstelling tussen klerikalen en antiklerikalen. Een nieuwe politieke crisis was het gevolg waarna de conservatieven aan de macht kwamen. Antonio Maura werd premier van een kabinet dat het volhield van januari 1907 tot oktober 1909 – een voor die tijd lange zittingsduur – en dat zich onderscheidde door een grote wetgevende productiviteit, waarmee Maura handen en voeten wilde geven aan zijn concept van de ‘revolutie van bovenaf’. De nieuwe regering begon met het aanpakken van de organisatie van de lokale rechterlijke macht en het kiesstelsel. Dat was nodig omdat op gemeentelijk niveau allerlei belangenverstrengelingen bestonden die ontvlochten moesten worden om een eind te maken aan de verkiezingscorruptie.

Eerste maatregel was een wijziging van de benoemingsprocedure van rechters. Elke aan het bewind zijnde politieke partij kon rechters aanstellen afkomstig uit de eigen gelederen, maar bij de nieuwe maatregel gebeurde dat door een onafhankelijke commissie van juristen. De taak om kiesregisters vast te stellen werd overgeheveld van de gemeenten naar het nationale geografisch en statistisch instituut en controle op uitvoering van de verkiezingen viel voortaan onder verantwoordelijkheid van het centrale college voor de census. Ter verhoging van de participatie werd stemplicht ingevoerd. Opmerkelijk was de bepaling om bij gebrek aan politieke concurrentie in een district niet te stemmen, maar de enige kandidaat uit te roepen tot afgevaardigde.

Dit bood de lokale elite toch weer kansen om zaken naar hun hand te zetten. Het leidde ertoe dat in 1910 dertig procent van de afgevaardigden via deze weg benoemd werden. Deze maatregel deed beslist afbreuk aan de zo goed bedoelde hervormingen. Op andere gebieden nam de regering eveneens maatregelen – herstel van de strijdkrachten, legalisatie van stakingen – maar wat Maura niet lukte was een grondige reorganisatie van het lokale bestuur. Ook een wetsvoorstel ter bestrijding van terrorisme haalde het niet. Dit voorstel stuitte op groot verzet van de republikeinen en socialisten – verenigd in het Bloque de las Izquierdas (links blok) – die het beschouwden als een aantasting van hun burgerlijke vrijheden. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1909 wierp deze samenwerking zijn eerste vruchten af en behaalde het links blok goede resultaten in de grote steden.

De Tragische Week (la Setmana Tràgica)

Rond de eeuwwisseling hadden zowel Frankrijk, Duitsland als Spanje grote interesse om hun invloedssfeer in Noord-Afrika te versterken. Besprekingen hierover resulteerden in het verdrag van Algeciras, waarin onder meer bepaald werd dat Spanje het noordelijk deel van Marokko kreeg toegewezen als protectoraat. Een deel van dit gebied stond onder beheer van de lokale heerser Bu Hamara, die Spanje mijnconcessies verleende toen in 1907 ontdekt werd dat er rijke ertsvoorraden aanwezig waren. Exploitatie van de mineralen was grotendeels in handen van aan de Spaanse machthebbers geaffilieerde families. De lokale bevolking zag dit als uitverkoop en verraad. Op 9 juli 1909 vond een incident plaats. Dertien Spaanse arbeiders die werkten aan een spoorweg vanuit het binnenland naar Melilla werden aangevallen en vier van hen kwamen om. De Spaanse pers in Melilla schilderde dit af als een laffe daad van de inheemsen en generaal Marina, de plaatselijke commandant, vond het een teken van disloyaliteit aan het zo genereuze Spanje. De oorlog van Melilla brak uit toen Spaanse troepen het Moorse gebied binnendrongen en diverse arrestaties verrichtten. Maura besloot onmiddellijk om hard in te grijpen en beval een mobilisatie die een groot aantal reservisten trof. Het waren mannen met gezinnen en kinderen die absoluut niet genegen waren hun naasten in de steek te laten en hun leven in de waagschaal te stellen voor de belangen van rijke Spaanse mijnbezitters. Protestdemonstraties waren het gevolg, met name in Barcelona waar tussen 26 juli en 1 augustus – de Tragische Week – enorme rellen losbarstten.

Tragische week - Demonstranten in Barcelona voor de Arc de Triomf (Publiek Domein - wiki)
Tragische week – Demonstranten in Barcelona voor de Arc de Triomf (Publiek Domein – wiki)

Het politieke klimaat in Catalonië was zeer gespannen want al sinds jaren groeide er het antiklerikalisme en antimilitarisme onder de in omvang toenemende arbeidersbeweging. Een belangrijke rol daarin speelde Alejandro Lerroux, de uit Andalusië afkomstige republikein die eerder van zich had doen spreken tijdens de repressie in Barcelona in 1896. Hij was een talentvol redenaar en probeerde antiklerikale, republikeinsgezinde arbeiders voor zich te winnen waarbij hij vooral mikte op de massaal uit andere delen van het land in Catalonië geïmmigreerde werkzoekenden. Lerroux was een uitgesproken tegenstander van het Catalaanse streven naar autonomie. Gezegd werd dat het ministerie van Binnenlandse Zaken hem financieel steunde omdat zij in hem een middel zagen om verwarring te zaaien onder de arbeiders en tegengas te geven aan de nationalistische sentimenten in Catalonië. Lerroux was vooral actief in Barcelona en vertoonde zich dikwijls in de lokaliteiten aan de Paralelo, de belangrijke uitgaansboulevard in die tijd. Daaraan ontleende hij zijn bijnaam ‘De keizer van de Paralelo’. De situatie in Barcelona was ingewikkeld, geagiteerd en het volk verdeeld. Er bestond de al eerder genoemde Solidaridad Catalana die een verbintenis vormde van burgerlijke politici, de geharnaste republikeinen van Lerroux en de in 1908 opgerichte arbeidersorganisatie Solidaridad Obrero waarin allerlei arbeiders zich hadden verenigd.

In dit klimaat kon het protest tegen de mobilisatie snel omslaan in een revolutionaire opstand. Dat gebeurde dan ook door toedoen van anarchisten en republikeinen en overal in Catalonië laaide het verzet op. Door het verhaal te verspreiden dat het ging om een typisch Catalaanse separatistische beweging kon de regering voorkomen dat de opstand zich over het hele land uitbreidde. In Barcelona liepen de zaken snel uit de hand. Guardia Civil, politie en leger werden ingezet en na enkele dagen was de rebellie de kop ingedrukt. Meer dan tachtig opstandelingen en drie militairen vonden de dood en er waren honderden gewonden. Van de 112 in brand gestoken gebouwen was meer dan driekwart een kerk of een aan de kerk gerelateerd pand, wat het antiklerikale karakter van de opstand illustreert. De consequenties voor de Catalanen waren enorm. Vijf mensen werden geëxecuteerd, bijna zestig kregen levenslange gevangenisstraf en meer dan honderd werden verbannen.

Francisco Ferrer
Francisco Ferrer
Als algemene zondebok figureerde de pedagoog Francisco Ferrer, oprichter van de seculiere Escuela Moderna (moderne school) die geacht werd aanstichter te zijn geweest van de opstand. Een terdoodveroordeling bleef niet uit. Onder de gevangenen bevonden zich de voorman van de in 1879 opgerichte Partido Socialista Obrero Español (PSOE), Pablo Iglesias en de rijzende ster binnen de arbeidersbeweging, Francisco Largo Caballero, die overigens snel weer werden vrijgelaten. De gebeurtenissen tijdens de Tragische Week hadden voor de regering Maura grote gevolgen. In reactie op de veroordeling van Ferrer ontketenden zijn geestverwanten een internationaal offensief tegen de regeringsleider onder het motto: ‘Maura no’.

Gevolgen van de Tragische Week

Bang dat deze actie het aanzien van de monarchie schade zou kunnen berokkenen, besloot de koning om de liberaal Moret tot premier te benoemen die na een korte zittingsperiode van vier maanden vervangen werd door zijn partijgenoot Canalejas. Een andere consequentie van de Tragische Week was de strategische ommezwaai van de socialisten. Iglesias had zich altijd afgezet tegen de republikeinen, in zijn ogen de vertegenwoordigers van de bourgeoisie die via revolutionaire acties bestreden dienden te worden. Nu echter begreep hij de noodzaak om één front te vormen tegen de monarchie en ging hij een alliantie aan met zijn antagonisten. Daarmee stelde de PSOE zich tevens open voor het culturele erfgoed van de republikeinen en traden voor het eerst intellectuelen toe tot de socialistische gelederen zoals dat al veel eerder het geval was geweest in Duitsland, Frankrijk en Italië. Bij de verkiezingen van 1910 wierp deze samenwerking direct zijn vruchten af, Pablo Iglesias wist een zetel te veroveren in het parlement. Maar de ommezwaai van de socialistische voorman bracht ook een tegenbeweging op gang binnen de arbeidersbeweging, die leidde tot de oprichting van de anarchistische vakbond Confederación Nacional del Trabajo (CNT), eveneens in 1910. De CNT groeide in recordtijd uit tot een grote landelijke organisatie.

- advertentie -

De regering Canalejas

José Canalejas
José Canalejas
Door Canalejas tot premier te benoemen opende Alfons XIII de mogelijkheid om nieuwe hervormingen door te voeren zonder dat de monarchie in het geding kwam. Het bestaan daarvan stond voor Canalejas nu eenmaal niet ter discussie. Wel zocht de liberale voorman naar wegen om de participatie van onderaf te vergroten teneinde het democratisch gehalte van de monarchie te vergroten. Zijn politieke programma concentreerde zich op vier belangrijke onderwerpen: sociaal beleid, verhouding kerk en staat, de Marokkaanse kwestie en decentralisatie van bestuur. Als het ging om verbetering van de positie van de arbeiders koos Canalejas voor een systeem van onderop, van collectieve onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers. Dit in contrast met zijn voorganger Maura die de sociale partners steeds maatregelen van bovenaf had opgelegd. Daarnaast werkte Canalejas aan verbetering van de woonsituatie van arbeiders, instelling van werknemerscoöperaties, goede arbeidsomstandigheden (sanitair, hygiëne, veiligheid), zondagsrust en bevordering van het sparen voor het pensioen. Minder succes had Canalejas met zijn pogingen om in het reine te komen met de kerk. Zijn inzet was om met goedkeuring van het Vaticaan via een nieuwe wet op vereniging alle kerkelijke ordes onder het regime te brengen van het concordaat van 1851 waarin heldere regelingen met betrekking tot kerkelijke bezittingen waren opgenomen. De behandeling van dit voorstel liep een vertraging op van twee jaar en het bezorgde Canalejas het imago een vijand te zijn van de kerk.

Heet hangijzer voor Canalejas was de decentralisatie van bestuur, vooral bepleit vanuit Catalonië. Binnen zijn eigen partij ontstond verzet om aan de wens van de Catalanen tegemoet te komen. Niet alleen toonde Moret zich een tegenstander, maar ook de sterk naar voren komende Niceto Alcalá Zamora (in 1931 werd hij gekozen tot president van de Tweede Republiek) was fel gekant tegen Catalaanse autonomie. Alcalá Zamora wist te voorkomen dat de wet op de Mancomunidades (regionale samenwerkingsverbanden met beperkte autonomie) door het parlement werd aangenomen, maar deze kreeg uiteindelijk toch formele status via een koninklijk decreet. De Marokkaanse kwestie stond eveneens hoog op de agenda nadat Frankrijk zijn bezorgdheid had uitgesproken over de voortvarendheid van Spanje om van Noord-Marokko een protectoraat te maken. Met daadkrachtig optreden via militaire campagnes versterkte Canalejas het vertrouwen van de Fransen, maar een definitief akkoord met het buurland om de invloedssferen af te bakenen kon pas door zijn opvolger worden getekend. Op 12 november 1912 werd de premier vermoord door de anarchist Manuel Pardiñas Serrano. Hij werd opgevolgd door Álvaro de Figueroa, graaf van Romanones.

~ Willem Peeters

Overzichtspagina: Geschiedenis van Spanje
Overzicht van boeken over de geschiedenis van Spanje


Archiefstukken:

Meer tips ➱

Verder speuren:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister