Dark
Light

Martine Gosselink over het nieuwe Rijksmuseum

5 minuten leestijd
Atrium van het nieuwe Rijksmuseum – Foto: Rijksmuseum / Pedro Pegenaute
Atrium van het nieuwe Rijksmuseum – Foto: Rijksmuseum / Pedro Pegenaute

Onlangs werd bekend gemaakt dat koningin Beatrix in april 2013 het Rijksmuseum zal heropenen. In de nieuwe opstelling van het beroemde museum speelt de geschiedenis van Nederland een grote rol. Martine Gosselink, Hoofd van de afdeling Geschiedenis van het museum, sprak met Johan Kwantes van historici.nl. Ze legde uit hoe de collectie de Nederlandse geschiedenis moet ‘vertellen’ en reflecteert ook op de soms lastige verhouding tussen geschiedenis en kunstgeschiedenis.

Geschiedenis in het Rijksmuseum. Hoe is dat anders dan vroeger?

Het is een kolossaal gebouw en dan denkt iedereen natuurlijk meer ruimte dus meer objecten, maar dat is niet waar. We toonden zo’n 10.000 objecten voorafgaand aan de verbouwing en we gaan terug naar 8000. Maandenlang zijn we bezig geweest met de selectie van objecten, met veel wrijving en veel discussie tot gevolg. Maar dan houd je wel het beste van het beste over. Zo is overigens een gigantische ‘spijtlijst’ van objecten ontstaan. We gaan nu met het Openluchtmuseum werken aan de canonopstelling, dus hopelijk kan een aantal objecten daar naartoe.

Wat voor criteria speelden bij de selectie mee?

Voorhal van het nieuwe Rijksmuseum – Foto: Rijksmuseum / Jannes Linders

Daar hebben we flink over gediscussieerd. Discussie in het Rijksmuseum is altijd spannend, want historici en kunsthistorici kiezen objecten op verschillende gronden. Kunsthistorici gaan doorgaans voor het principe l’art pour l’art, terwijl historici meer aandacht willen vestigen op het verhaal achter het object, het laten zien van de context. Die twee visies staan lijnrecht op elkaar. Met als gevolg dat sommige objecten die voor historici wezenlijk belangrijk zijn en binnen de canon een evidente rol spelen, niet zijn opgesteld omdat ze niet kunnen concurreren met de esthetiek van de kunsthistorische objecten.

Ons credo was: besef van tijd en gevoel voor schoonheid. Besef van tijd was in de vorige opstelling helemaal niet aanwezig. Nu is dit gelukkig terug. Door de historische context goed weer te geven begrijp je ook de kunsthistorische aspecten van een object, een stroming of een hele periode veel beter.

Voor historici hoeven objecten geen gouden omlijsting te hebben of te concurreren met Vermeer, ons gaat het om de ‘historische sensatie’ van het object zelf. Soms ervaar je die sensatie ook al weet je niet meteen wat iets precies voorstelt. Maar door het kader, de context van de zaal waarin het object zich bevindt openbaart deze zich aan de bezoeker. Andere keren is de betekenis onmiddellijk duidelijk, zoals bij beroemde stukken als de kist van Hugo de Groot of het zwaard van Oldenbarnevelt. Maar wij, de historici die hebben meegewerkt aan de opstelling, hopen dat die historische sensatie hoe dan ook overkomt op de bezoeker.

Wat definieer je als ‘historische sensatie’?

De verwondering die je ervaart wanneer je oog in oog staat met een historisch object. Dat je, op het moment dat je ernaar kijkt, je beseft dat een bepaald historisch figuur op die stoel heeft gezeten, of dat die pruik door die persoon is gedragen. Kortom dat je oog in oog komt met het verleden. De persoonlijke link is vaak heel belangrijk. Het is echt. Het bestaat nog. De verwondering.

Het Koolhoven-dat het toestel aan de collectie heeft toegevoegd

Is het jullie doel geweest om bij de selectie en opstelling historische sensatie uit te lokken?

Voor ons, de afdeling geschiedenis, wel ja. Wij hebben bijvoorbeeld een vliegtuig aangekocht, een Koolhoven gevechtsvliegtuig, het oudste authentieke Nederlandse vliegtuig. Het is een uniek historisch object, om heel veel redenen. Het is het enige overgebleven vliegtuig uit die periode, het heeft in de Eerste Wereldoorlog voor de geallieerden gevlogen, in plaats van de Fokkers die door de Centrale machten werden gebruikt. Op het moment dat je voelt dat dit apparaat echt heeft gevlogen, er zat echt een piloot in van vlees en bloed die kon schieten; dat willen we overbrengen.

Heeft de collectie jullie ook beperkt in het weergeven van de Nederlandse geschiedenis?

Detail van het achterschip van de William Rex (Rijksmuseum Amsterdam)

Ja. Doordat niet alle historische objecten kunnen wedijveren met kunsthistorische objecten vallen soms gaten in de tijd. En van bepaalde historische gebeurtenissen hebben we nou eenmaal geen objecten in huis. Dan ga je op zoek naar bruiklenen. Een voorbeeld van succesvolle historisch – kunsthistorische samenvoeging is de zeezaal. De schilderijen van schepen en zeegezichten zijn perfecte voorbeelden van de ontwikkeling in het genre. Die kunnen we prachtig aanvullen met historische objecten, zoals de beker van Chatham, de spiegelversiering van de Royal Charles en het scheepsmodel van de William Rex. Geschiedenis en kunstgeschiedenis sluiten in deze selectie perfect op elkaar aan.

Maar we hebben ook andere zalen, bijvoorbeeld de zaal voor de negentiende eeuw, waar we sterke portretten tonen van Napoleon en koning Willem I, koning Willem II, de afscheiding van België, dan zou je een portret van Thorbecke verwachten, maar ja, ons portret van Thorbecke kan niet wedijveren met de andere stukken en vervalt daarom in het niet.

Thorbecke moest daarom weg?

Ja, de discussie was als volgt: we hadden werkgroepen die de selecties voorbereidden. Deze werkgroepen bestreken steeds een eeuw: de werkgroep voor de negentiende eeuw meende dat een portret van Thorbecke niets zegt over democratische omwenteling. Dan zegt een andere werkgroep: ja, maar dit is de man die democratie heeft bewerkstelligd, iedereen kent hem, aan de hand van het portret zou je het verhaal kunnen vertellen. Daar bestond dus een meningsverschil over, los van het feit dat anderen in de werkgroep het portret niet goed genoeg vonden. In de discussie is het portret van Thorbecke dus gesneuveld. Dat vind ik wel een gemis, dat je in een zaal waar geschiedenis en kunstgeschiedenis samenhangt, zo’n concessie moet doen en 1848 helemaal niet meer aan bod komt.

Maar dat klinkt erg negatief: ik ben juist blij dat de samensmelting grotendeels juist wel is gelukt en iedereen grotendeels tevreden is. Dat is een grote prestatie.

Waar ben je het meest tevreden over?

De zogenaamde overzeezalen, elke zaal heeft een hoekzaal, met als thema: ‘meanwhile, what happened somewhere else in the world..?’ Je ziet dan de context van Nederland in de wereld. Daar kunnen wij een rijke gecombineerde collectie laten zien. Artikelen uit de Oost, bijvoorbeeld, die hier werden verhandeld, in combinatie met schilderijen van Batavia, plantages of plattegronden van handelsvestigingen zoals Decima en kolonies zoals Suriname. De samensmelting van kunstgeschiedenis en geschiedenis is in die hoekzalen goed gelukt, en deze geven ook nog een mooie context over wat je daarna gaat zien, namelijk hoe overzeese gebieden Nederland en de Nederlandse kunst beïnvloedden. Met andere woorden: deze zalen geven een totaalbeeld van een stukje historie. Precies wat we beoogden in de nieuwe opstelling.

~ Johan Kwantes, Huygens ING
Op Historiek plaatsen conservatoren van het Rijksmuseum dit hele jaar artikelen over de achtergrond van bijzondere objecten die zijn geselecteerd voor het vernieuwde Rijksmuseum. Deze maand vertelt conservator Jeroen van der Vliet bijvoorbeeld over een bijzonder scheepsmodel, de William Rex. Een overzicht van de al besproken objecten is hier te vinden.

×