Nederlands-Indië en de militair attaché in Tokio

//
33 minuten leestijd
Tokio rond 1930
Tokio rond 1930

Sedert de tweede helft van de negentiende eeuw voegden tal van landen militair attachés aan hun gezantschappen toe. Doel hiervan was informatie-inwinning over vreemde strijdkrachten. Verder moesten zij zich op de hoogte stellen van de militair-politieke toestand in betreffende landen. Nederland bleef zo’n vijftig jaar achter met het benoemen van militair attachés bij haar gezantschappen. Zeker voor Nederland was dit geen overbodige luxe met de insulaire ligging van haar koloniën in de Oost. Deze koloniën waren moeilijk te verdedigen. Toen de spanningen rond 1900 in Oost-Azië opliepen werden de autoriteiten in Batavia wakker. Dit artikel gaat in op het proces dat heeft geleid tot het plaatsen van een militair attaché in Tokio.

De geo-politieke constellatie

Halverwege de negentiende eeuw stond men in Nederlandse officierskringen niet al te veel stil bij eventuele bedreigingen van andere landen tegen Nederlands-Indië. Toch kantelde ook in deze kringen het beeld. Bij monde van baron W.A.F. Gevers werden in een drietal artikelen de bedreigingen opgetekend van andere mogendheden konden uitgaan. Vooral welke mogendheden met succes konden aanvallen en met welke middelen. Ook gaf hij aan hoe een aanval er zou kunnen uitzien. Om naar Nederlands-Indië een troepenmacht van enig belang over te brengen om het Nederlands-Indisch leger te bestrijden, zou een goed geoutilleerde krijgsmacht nodig zijn. Slechts Engeland, Frankrijk en de Verenigde Staten van Noord Amerika zouden in zijn optiek aan de voorwaarden voldoen om Nederlands-Indië te bedreigen. In mindere mate werd een gevaar in Rusland gezien, hoewel ook dat land de laatste jaren vooral haar marine en in iets mindere mate de landmacht, sterk had uitgebreid. Ook werd Spanje als een potentieel gevaar gezien. Het land had haar krijgsmacht sterk verbeterd en begon zich ook buiten haar landsgrenzen te doen gelden. Genoemde mogendheden waren in Gevers’ ogen in potentie gevaarlijke vijanden. Maar volgens hem hoefde Nederlands-Indië zich daar voorlopig geen zorgen over te maken. Wel zag hij in dat van de niet-Europese landen Australië wellicht op den duur een lastige buurman kon worden, te meer wanneer het zich in navolging van de Verenigde Staten zou onttrekken aan het moederland Engeland en een onafhankelijke staat zou worden.

Doelwit van Engeland, Frankrijk en de Verenigde Staten zou de rijkdom van grondstoffen en gewassen kunnen zijn. Ook zou het in hun belang liggen de producten te vernietigen, de markt te verleggen en de eigen handel te bevoordelen. Frankrijk werd er van verdacht genoemde doelen in het zicht te hebben. In de eerste plaats zou Frankrijk de winstgevende koloniën in haar bezit willen hebben, maar evenzeer om vaste voet te krijgen in de buurt van Engelse koloniën, om bij een conflict in Europa, Engeland in Brits-Indië de voet dwars te zetten. Frankrijk spaarde kosten noch moeite, vooral bij de marine. Het behoefde volgens Gevers geen betoog dat onder de toenmalige regering (Napoleon III), Frankrijk een potentieel gevaar was voor de koloniën. Maar, voegde hij er geruststellend aan toe, dat Frankrijk voorlopig de handen vol had om in Mexico vaste voet aan de grond te krijgen (1862-1863).

Van de Verenigde Staten verwachtte Gevers een verdere technische ontwikkeling op militair en maritiem gebied. Vrij spoedig zouden ze een geoefend leger bezitten en over een vloot beschikken waarvan de schepen nu reeds de aandacht trokken. Hoewel op grote afstand van Nederlands-Indië gelegen, zou het toch sterk genoeg zijn om een aanval te wagen met het verleggen van de handelsmarkt als doel.

Engeland had een aanzienlijke vloot en één der sterkste legers die door een Europese mogendheid bij het uitbreken van een oorlog zou kunnen worden gevormd. Voordeel voor de Engelsen was dat een groot gedeelte van de troepen gewend was in een heet klimaat te opereren. De belangrijkste Engelse koloniën lagen in de nabijheid van Nederland-Indië en veel Engelsen woonden daar. Op die manier zouden zij hun landgenoten op de hoogte kunnen stellen van de Nederlands-Indische defensie, haar zwakke en sterke punten, voor zover zij niet reeds beschikten over zee- en kustkaarten. Ogenschijnlijk had Engeland alles in haar voordeel om op de eenvoudigste wijze de Indische Archipel in bezit te nemen. Volgens Gevers was Engeland Nederland de laatste jaren welwillend gezind. Mochten Frankrijk of de Verenigde Staten de Archipel aanvallen dan kon op hulp van Engeland worden gerekend met wellicht een leger en zeer waarschijnlijk de vloot. Mocht Engeland zelf tot aanval op Nederlands-Indië overgaan, dan lagen de kansen anders en moest Nederlands-Indië op haar eigen kracht vertrouwen. Een mogelijke hulp van andere landen bestond, maar zeker was dit niet.

Dan was er volgens Gevers een land dat zich meer en meer in Azië trachtte uit te breiden, Rusland. Het land had lang in het geheim geopereerd, maar haar activiteiten waren laatste tijd in Europa duidelijker geworden. Gevers verduidelijkte nog dat, waar in zijn betoog sprake was van een aanval, steeds Java werd genoemd. Van de overige eilanden werd niet gesproken. Het eiland Java was de meest kostbare bezitting, had een meer ontwikkelde bevolking en was meer dan ergens anders in de koloniën, een land van productie. Bij een aanval van andere landen zouden de andere gewesten niet geheel aan hun lot worden overgelaten, maar Java, naast de Westkust van Sumatra, zou het hoofddoel van de verdediging worden. Op de andere eilanden bleef een bezetting om eigendom te beschermen en om de inheemse bevolking in bedwang te houden, in feite meer een politietaak. Over Japan werd geen woord gesproken.

Lange tijd was Japan zeer geïsoleerd en was Nederland het enige westerse land dat handel dreef met Japan. Nederland beschouwde Japan als een bevriende natie en was voor veel innovatie verantwoordelijk. Het speelde een grote rol in het ontwikkelen van de Japanse staat en was actief in de opbouw van de Japanse marine en waterstaatkundige werken. In de wetenschap dat de Japanse marine kwetsbaar was tegenover moderne westerse oorlogsschepen, wilde Japan haar marine laten moderniseren door Nederland. In 1855 werd een begin gemaakt met het marine opleidingscentrum Nagasaki. Nederland leverde drie schepen aan Japan.

In 1868 werd de macht gegrepen door een revolutionaire groep die overname van westerse technologie bepleitte om westerse landen het hoofd te bieden. Het beleid was er op gericht Japan zo snel mogelijk militair en economisch te ontwikkelen en te moderniseren. Het tempo waarin dit gebeurde lag hoog, er werd een nieuw leger opgebouwd en het land groeide snel uit tot grote militaire macht met grote ambities. Deze ontwikkelingen bleven voor de autoriteiten in Nederland en Nederlands-Indië niet verborgen.

Het Nederlands-Indisch Leger en de Japanse leger- en vlootoefeningen

Op 16 augustus 1873 werd besloten tot het instellen van een Generale Staf bij het Nederlands-Indisch leger.

Van Goltstein van Oldenaller, minister van Koloniën
Van Goltstein van Oldenaller, minister van Koloniën
In 1876 vond reeds een reorganisatie van de Generale Staf van het leger in Nederlands-Indië plaats. De Chef van de Generale Staf was belast met de behartiging van de defensiebelangen van Java en de buitengebieden. Hij moest de Legercommandant militaire informatie verschaffen op het gebied van geografie, statistiek, land- en volkenkunde van de Indische Archipel. Onder de Generale Staf ressorteerde het Hoofdbureau. Dit Bureau bestond uit 6 officieren. Twee ervan waren in de regel met een bijzondere opdracht belast. In de toelichting bij het rapport aan de koning tekende de minister van Koloniën, van Goltstein van Oldenaller, aan:

“…dat de hier bedoelde officieren worden – als zij niet ingedeeld zijn bij enig korps te velde – belast met eene bijzondere opdragt, b.v. enz…, ook bijwoning van militaire operaties in den vreemde”.

Met de toelichting in gedachten verzocht de gouverneur-generaal van Nederlands-Indie in 1881 aan van Goltstein hem te machtigen officieren bij andere koloniën te detacheren. De minister wees dit voorstel af met het argument dat eerst de autoriteiten van de moederlanden (bedoeld werden hier Groot-Brittannië en Frankrijk) moesten worden geconsulteerd. Hij was bang dat de koloniale autoriteiten geen beslissing mochten nemen van het moederland. Gold het een detachering om oorlogshandelingen te volgen dan zou snel een beslissing kunnen volgen. Was het in tijd van vrede dan was er geen enkele reden tot haast. Dit kon in schriftelijk overleg tussen de Nederlandse regering en het Nederlands-Indisch bestuur worden afgedaan.

In november 1902 zouden in Japan grote legeroefeningen plaatsvinden. De Japanse autoriteiten hadden de Nederlandse gezant in Japan, Sweerts de Landas, te kennen gegeven dat geen bezwaar bestond tegen deelname van twee officieren van het Nederlands-Indische leger aan deze oefeningen. Voorwaarde was dat de namen van de twee officieren voor 30 september 1902 bekend moesten worden gemaakt. Het schrijven van de gezant in Japan bereikt de gouverneur-generaal te laat en was het niet meer mogelijk om van het aanbod gebruik te maken. Bovendien twijfelde de gouverneur-generaal, luitenant-generaal Rooseboom, eraan of hij wel de bevoegdheid had om tot detachering bij het Japanse leger over te gaan. Hem stond de brief van van Goltstein uit 1881 nog voor ogen. Hij achtte het overigens wel in het belang van het leger indien de oefeningen door een tweetal officieren waren bijgewoond. Hij adviseerde dat wanneer een volgende mogelijkheid zich voordeed, hiervan gebruik te maken en wilde nu reeds een machtiging. Bij een positief antwoord van de minister van Koloniën, Idenburg, zou Rooseboom de gezant in Tokio daarover inlichten.

De gezant in Tokio meldde dat er tegen een doorlopende machtiging geen bezwaar bestond, mits die oefeningen plaatsvonden in vredestijd en bovendien daarbij het verzoek van Japan uitging. De bezwaren die in 1881 golden, richtten zich voornamelijk tegen de algemeenheid van de toen ter sprake gebrachte machtiging en tegen de omstandigheid dat het een detachering van officieren betrof naar vreemde koloniën. Tegen de gevraagde machtiging uit 1902 bestond geen bezwaar, omdat deze slechts zou gelden voor een bepaald omschreven geval en – belangrijk – toestemming werd verleend door een soevereine regering die direct zelfstandig kon beslissen. De vrees dat de Japanse regering op haar beurt aan de gouverneur-generaal zou verzoeken om Japanse officieren in Nederlands-Indië te detacheren, werd weggewuifd, omdat terecht van een uitnodiging van Japanse zijde gesproken kon worden. Sweerts de Landas merkte nog op dat, waar het bij een gebrek aan een militair attaché, zoals Duitsland, de Verenigde Staten, Frankrijk, Engeland en Rusland wel hadden, het nuttig kon zijn naast officieren van het leger, ook marineofficieren te detacheren. Zij konden de Japanse vloot bestuderen. Wellicht, aldus de gezant, zou dit van nog groter belang zijn. Wanneer de Nederlandse koloniën ooit betrokken mochten raken bij verwikkelingen in het Verre Oosten, dan zou die vloot een factor van zeer grote betekenis zijn. Een factor waarover men niet genoeg inlichtingen kon krijgen. Volgens de gezant zouden in het voorjaar van 1903 grote vlootoefeningen door de Japanse marine worden gehouden. Het was niet onwaarschijnlijk dat bij deze oefeningen marineofficieren zouden worden uitgenodigd. Sweerts de Landas gaf de Nederlandse regering in overweging eveneens een doorlopende machtiging aan het Nederlands-Indische bestuur te verstrekken om marineofficieren bij deze vlootoefeningen te detacheren. Ten slotte wees hij er nog op om in voorkomend geval de officieren in rang te laten overeenkomen met de in Japan aanwezige militair attachés. Dit zou de omgang met buitenlandse collega’s bevorderen, waardoor het verkrijgen van inlichtingen des te gemakkelijker werd. In mei 1903 werd aan de gouverneur-generaal van Nederlands Indië toestemming verleend rechtstreeks zaken te doen met de gezant in Tokio.

Spionagereizen

Terzelfder tijd meldde Sweerts de Landas in Tokio zich bij Buitenlandse Zaken met de vraag of het niet zinvol was Nederlandse marineofficieren die uit Nederlands-Indië terug keerden naar Nederland, opdracht te geven hun reisroute via Japan en de Verenigde Staten te laten verlopen. Tijdens hun verblijf in Japan zouden zij dan maritieme installaties kunnen bestuderen en daarover rapporteren. Hij merkte op dat de Japanse regering niet gul was in het toelaten van vreemdelingen tot militaire installaties. Maar, een dergelijke opdracht zou weinig kosten met zich mee brengen en voor de Japanse autoriteiten zou zo’n bezoek het karakter hebben van een privéreis en niet van een officiële dienstreis. Op deze manier bestond dan toch de mogelijkheid inlichtingen te verkrijgen die te maken hadden met de Japanse marine. De minister van Marine, Ellis, gaf wel toe dat het wenselijk was zo veel mogelijk gegevens te verzamelen over de Japanse marine, maar de manier waarop de Sweerts de Landas één en ander voorstelde vond hij bedenkelijk. Ellis twijfelde er aan of dergelijke bezoeken aan Japan wel van nut waren. Hij was sceptisch over het resultaat. De gezant in Tokio gaf nota bene zelf toe dat de Japanners niet erg gul waren in het verlenen van faciliteiten. Dit zou zeker gelden voor privépersonen. Bovendien kon het geven van een officiële opdracht aan een officier die zich als privépersoon tegenover de Japanse autoriteiten moest voordoen, tot moeilijkheden leiden. Weliswaar zag Ellis geen bezwaar in tegenbezoeken van Japanse zijde, maar toch gaf hij de voorkeur aan een officiële detachering. Hij was daartoe ook bereid. Indien de gezant in Tokio vooraf enige zekerheid zou krijgen van de welwillendheid van de Japanse autoriteiten en de detachering aan haar doel zou beantwoorden, was de minister bereid een marineofficier in Japan te detacheren.

De eerste detacheringen

In de loop van 1903 ontving de gezant in Tokio wederom een uitnodiging tot het bijwonen van de grote herfstmanoeuvres van het Japanse leger. Hij bracht dit ter kennis van de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, Rooseboom. Deze besloot tot detachering van een tweetal officieren, te weten luitenant-kolonel P.C. van der Willigen en kapitein W.E.A. Burton, beiden van de Generale Staf van het Nederlands-Indisch leger. Behalve tot het bijwonen van de oefeningen van het Japanse leger, gaf hun bezoek ook de gelegenheid militaire installaties te bezichtigen. Voorts verzamelden zij militaire inlichtingen. De ontvangst die beide officieren ten deel viel was volgens hen zeer hartelijk en waren de autoriteiten zeer welwillend. De blijk van waardering ging zo ver dat aan van der Willigen het Kommandeurskruis der Orde van de Heilige Schat en aan Burton het Ridderkruis der Orde van de Rijzende Zon werd uitgereikt. Beide officieren verbleven van 29 oktober 1903 tot 4 december 1903 in Japan.

De Russisch-Japanse Oorlog

Japan werd in naam bestuurd door een keizer, maar in feite door de Shogun, het hoofd van de machtige adel. In 1868 pleegde de jonge keizer Mutshohito een staatsgreep, nam de leiding van de regering op zich en schafte het shogunaat af. Deze jonge keizer besefte dat hij Japan moest moderniseren. In een twintigtal jaren bouwde hij met behulp van Duitsers, Engelsen en Nederlanders een industrie op. Een moderne vloot werd gebouwd, waarbij de West-Europese schepen en vlootorganisatie als voorbeeld dienden. Overbevolking en grondstoffengebrek brachten Japan ertoe een imperialistische politiek te voeren. Het richtte zich op Korea en viel dit land in de oorlog met China in 1894 aan. Japan kreeg bij de vrede het schiereiland Liaotung met de havenstad Port Arthur toegewezen. De moderne militaire macht van Japan was superieur. Deze plotselinge Japanse triomf maakte in het Verre Oosten een schokgolf los. Niemand had zich de sterke ontwikkeling van Japan gerealiseerd en men was bevreesd dat het land zich nu op Mantsjoerije zou richten. Rusland echter was sedert 1891 met de bouw van de Trans-Siberische spoorlijn begonnen. Deze spoorlijn liep door Mantsjoerije en het eindpunt was Vladivostok. Rusland kon geen andere grootmacht in dit gebied dulden. Onder druk van Rusland, Duitsland en Frankrijk moest Japan enkele jaren later het schiereiland Liaotung aan China teruggeven. Rusland kreeg de ijsvrije haven Port Arthur.

Rusland en Japan echter stonden met hun intriges in Mantsjoerije tegenover elkaar. De Japanners hadden grote behoefte aan grondstoffen voor hun nieuwe fabrieken en aan afzetmarkten in Azië. Bovendien wilden zij erkenning als grote mogendheid. De Russische regering daarentegen had behoefte aan een soort crisisstemming in het land, aan expansie om kritiek op het tsaristisch systeem te kanaliseren. Het land kon geen grote macht aan haar oostelijke grens toestaan en kon Mantsjoerije en Korea gebruiken om de wat afgelegen haven Vladivostok te versterken. Japan zag allengs de vruchten van haar succesvolle oorlog tegen China vervliegen.

Op 8 februari 1904 viel Japan, plotseling en zonder oorlogsverklaring, Port Arthur aan. Beide zijden zonden grote legers naar Mantsjoerije. De oorlog duurde ca. een jaar. De slag bij Mukden die op 20 februari 1905 begon, was, wat aantallen militairen betreft (624.000), de grootste slag die tot dan toe door de mens werd geleverd. De Russen zonden hun Baltische vloot naar het schiereiland. De vloot moest langs drie continenten varen om vervolgens door de nieuwe marine van Japan in een eerste “test-case” te worden verwoest. Bij de vrede van Portsmouth in 1905 kreeg Japan Port Arthur, het schiereiland Liaotung en belangrijke posities in Mantsjoerije. Voorts verwierf Japan een deel van Korea. De Russisch-Japanse oorlog was de eerste oorlog tussen grote mogendheden sinds 1870. Het was tevens de eerste oorlog die met industriële middelen werd gevoerd. De Russen verlegden hun aandacht van Oost-Azië naar Europa en gingen op de Balkan een actieve rol spelen. Veel landen zonden militaire waarnemers, gretig als ze waren om te zien en te leren hoe een volgende oorlog in Europa, met moderne middelen uitgevochten, er uit zou zien. Van het Nederlandse of het Nederlands-Indische leger werd geen waarnemer naar deze oorlog gezonden.

De Japanse herfstmanoeuvres van 1907

In 1907 zouden in Japan grote herfstmanoeuvres plaatsvinden. De Nederlandse gezant in Tokio, Loudon, wees op het zijns inziens grote militaire belang van deze oefeningen, de eerste na de oorlog. Militair attachés van andere landen hadden hem daar op geattendeerd. Het zou volgens Loudon voor het Indische leger van zeer groot nut zijn deze oefeningen door één of twee officieren te laten bijwonen, evenals in 1903 met luitenant-kolonel van der Willigen en kapitein Burton gebeurde. De officieren zouden dan moeten worden belast met een studie van het Japanse leger. De eventueel naar de oefeningen af te vaardigen officieren zouden na afloop hiervan de opdracht moeten krijgen zich voor de tijd van een jaar of langer alle kennis van het Japanse leger eigen te maken. Een dergelijke uitzending zou dan desgewenst na enkele jaren herhaald kunnen worden, aldus Loudon. Na einde van hun studie zouden deze officieren geruime tijd bij diverse Japanse regimenten worden ingedeeld. Onlangs waren in Japan vier Duitse kapiteins aangekomen. Drie of vier Franse kapiteins stonden op de rol om eveneens de taal en de militaire organisatie te bestuderen. Bij de Duitsers en Fransen was het de bedoeling deze detacheringen een permanent karakter te geven. Het door Loudon geopperde voorstel had de volle steun van de gouverneur-generaal, luitenant-generaal van Heutsz en van de commandant van het veldleger, luitenant-generaal Rost van Tonningen. Ook de minister van Koloniën, Fock, steunde het voorstel. Volgens hem zou een studie van het Japanse leger van groot belang kunnen zijn voor het Nederlands-Indisch leger. Wel vond hij dat een dergelijke detachering binnen een jaar moest worden afgerond. Fock riep de hulp in van zijn ambtgenoot van Buitenlandse Zaken, van Tets van Goudriaan. Deze moest bij de Japanse autoriteiten toestemming zien te verkrijgen om één van beide officieren in Japan te detacheren, om zo een studie van het Japanse leger te maken. Wel werd een belangrijk voorbehoud gemaakt: deze officier zou niet bij het Japanse leger worden gedetacheerd, maar bij het Nederlandse gezantschap in Tokio.

De eerste militair-attaché

Resultaat van het overleg was de Japanse toestemming. Vervolgens werden majoor W.R. de Greve en kapitein H.L. Bense, beiden van de Generale Staf van het Nederlands-Indisch leger in Japan gedetacheerd. Beide officieren werden in de gelegenheid gesteld om de legeroefeningen bij te wonen. Bense zou na afloop van de oefeningen in Japan blijven om een studie van het Japanse leger te maken. Om de studie van hem te vergemakkelijken, wenste het Nederlandse gezantschap in Tokio wel de titel militair attaché. Hoewel Bense aan het Nederlandse gezantschap werd verbonden zouden de kosten van deze detachering ten laste komen van de Indische begroting, aldus Fock. Bij Koninklijk Besluit van 21 oktober 1907 werd kapitein Bense, buiten bezwaar van ’s Rijks schatkist, benoemd tot militair attaché bij het Nederlandse gezantschap te Tokio.

Enkele maanden later meldde Loudon zich weer bij Buitenlandse Zaken. Hij had van in Tokio verblijvende militair attachés vernomen dat een studie van één jaar te weinig was om aan de opdracht te voldoen. Op zijn minst moest een verblijf drie jaar duren om met eigen ogen en door eigen onderzoek de kennis van zo’n grote militaire organisatie te vergaren. Praktische kennis van de Japanse taal was volgens bedoelde militair attachés nodig voor een grondige studie van het Japanse leger. Zou Bense niet die toestemming krijgen dan zou zijn studie van de taal even oppervlakkig blijven als die van het leger. Zou Bense drie jaar blijven, dan was een grondige taalstudie mogelijk en dit maakte een studie van het leger eenvoudiger. Fock van Koloniën en de Marees van Swinderen van Buitenlandse Zaken, vonden de argumenten van Loudon steekhoudend en stelden een wijziging van het Koninklijk Besluit voor. Onder dezelfde voorwaarden als genoemd in het Koninklijk Besluit van 21 oktober 1907, werd de duur van één jaar gewijzigd in drie jaar. Nadat gebleken was welk nut de militair attaché voor het Nederlands-Indisch leger had werd in 1909 voorgesteld dit te continueren en de attaché tevens aan de Nederlandse legatie te Peking te verbinden. Het was hoognodig ook de Chinese strijdkrachten te bestuderen. Toen kapitein Bense zijn missie als militair attaché na drie jaar had volbracht, werd de kapitein van de Generale Staf van het Nederlands-Indisch leger J.C. Pabst, voor de duur van drie jaar benoemd tot militair attaché bij de gezantschappen in Tokio en Peking. Deze functie werd voor Bense en Pabst slechts verleend om de werkzaamheden van de officieren te vergemakkelijken, had geen diplomatiek karakter en ressorteerde niet onder het ministerie van Buitenlandse Zaken. De Nederlandse autoriteiten in Nederland stelden geen prijs op hun informatie. Het was alleen een maatregel in het belang van het Nederlands-Indisch leger voor de defensie van Nederlands-Indië.

Discussie in de vaderlandse politieke arena en de pers

In de vergadering van 30 november 1911 over de Indische begroting van 1912 was het de vrij-liberaal, van Karnebeek, die de kosten van fl. 15.600 te hoog vond voor een permanente officier in Tokio. Hij vroeg zich af wat voor nuttigs hij in Japan voor Indië kon doen. “Waarom moest zijn traktement hoger zijn dan die van de gezant”, vroeg hij zich af.

“Mooi was het voor de gezant, zo’n plaatsing van een officier in zijn nabijheid. Het was Japan om het even of er nu wel of niet een militair attaché kwam. Nederland stuurde nergens militaire attachés heen en maken voor Japan een uitzondering. Nu wilde men die attaché ook nog naar China sturen. Wat moest hij daar in vredesnaam leren?”

Kamerlid Lodewijk Thomson
Kamerlid Lodewijk Thomson
Het liberale kamerlid Thomson vond dat een militair attaché veel kon leren. Hij zou kunnen waarschuwen wanneer een expeditie naar de Oost op handen zou zijn om Indië te veroveren. Men hoefde niet bang te zijn dat Japan een attaché naar Den Haag of Batavia zou sturen. De Japanners kwamen toch wel te weten wat ze wilden. De oorlogen met China en Rusland hadden dat voldoende bewezen. Mochten er echter moeilijkheden over ontstaan of er zouden meer attachés komen, dan vond de regering hem ook op zijn weg. Het anti-revolutionaire Kamerlid van de Velde steunde het voorstel van de minister en vond het getuigen van een frisse geest. Van Karnebeek diende een amendement is tot schrappen van de post militaire attaché in Tokio. Daarop nam de minister van Koloniën zijn voorstel tot het detacheren van een militair attaché terug, want “voor manoeuvres mocht hij toch officieren naar Japan sturen”, aldus de minister.

Het Algemeen Dagblad schreef in haar commentaar op deze beslissing:


“Eenige heeren van rechts scheen deze snelle wending niet recht naar den zin te wezen. Maar ze moesten nu wel berusten. Ons verheugt deze afloop zeer. Van antimilitarisme zal men ons waarlijk niet verdenken, maar wanneer ons land militaire attachés aan onze gezantschappen ging verbinden – en waarom alleen in Japan? – zouden wij dat een schromelijk militairistische geldmorserij vinden. Daar komt echter nog bij dat het heele instituut van permanente militaire attachés – met tijdelijk ter bijwoning van legeroefeningen uitgezonden officieren is het natuurlijk iets anders – een U n w e s e r lijkt. Welk een leelijke, ondubbelzinnige rol zulke attachés eigenlijk spelen is zeer schel aan ’t licht gekomen in de Dreyfuszaak – in een “Van Dag tot Dag” in ons blad is daarop toen juist nog gewezen – en het is ons onbegrijpelijk hoe een ridderlijk man als de heer Thomson zulke “nette spionnen” zoals de heer Thomson deze heeren terecht noemde, voor ons land aanbevelenswaard kon achten. Maar minister van Swinderen heeft nu kunnen zien, hoe zijn collega voor Koloniën zich aan deze eerste poging brandde. Hij zal zich voor een dergelijk experiment wel hoeden. Wie zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht.”

Een dergelijk experiment kwam al snel. Rumoer rondom de functie van militair attaché ontstond wederom in 1912, bij de behandeling van de ontwerpbegroting voor het jaar 1913 van het kabinet Heemskerk. Het liberale Tweede Kamerlid van Karnebeek was nog steeds van mening dat een militair attaché in deze landen weinig nut had. Van Karnebeek, die eerder minister van Buitenlandse Zaken was geweest, wees weer op het gevaar dat Japan een verzoek zou doen tot detachering van een militair attaché in Nederlands-Indië. Een gevaarlijke zaak vond hij. Het wemelde nu reeds van Japanse spionnen. De relatie met Japan kon geen problemen lijden. Van Karnebeek zag veel meer in het doorgaan met gewone dienstreizen. Hij eiste dat de minister van Koloniën, de Waal Malefijt, de posten in Tokio en Peking ophief. Deze vroeg advies aan de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, Idenburg. Was de detachering van een officier van het Indisch leger bij de twee gezantschappen op den duur van zoveel nut dat continuering hiervan noodzakelijk was? Op grond van de beschouwingen van de legercommandant in Nederlands-Indië, luitenant-generaal van Daalen, antwoordde Idenburg bevestigend op deze vraag. Van Daalen had een uiterst positieve opvatting over de functie van militair attaché in Tokio en Peking. Volgens hem werd in bijna alle landen zeer veel aandacht geschonken aan de organisatie en dislocatie van leger en marine van de hen omringende landen en in het bijzonder de politieke toestand en -verhoudingen in de naburige landen. Hoe kon men anders in voorkomende gevallen oordelen of en zo ja, van welke zijde gevaar dreigde? Volgens van Daalen kon men over de westerse landen en hun koloniën genoeg in de literatuur vinden. Hierin werden zonder veel terughoudendheid hoofdzaken op militair- en politiek gebied behandeld. Het was vrij eenvoudig zich een nauwkeurig en betrouwbaar beeld te vormen van het defensiebeleid van die landen.

Volgens de legercommandant was Nederlands-Indië echter een ander verhaal. Deze kolonie verkeerde volgens hem ten opzichte van de oosterse buren in een veel ongunstiger positie. Naar buiten toe werd zo weinig openbaar – en dan nog slechts uit de tweede of derde hand – wat zich in die landen op politiek en militair gebied afspeelde. Vóór de instelling van een militair attaché in Tokio was de Generale Staf in Nederlands-Indië slechts aangewezen op enkele dagbladen, waar het ging om gegevens over Japan en China. Dan nog was deze informatie uiterst vaag en nauwelijks te controleren. De militair-attaché had niet slechts een grondige studie te maken van Japanse- en Chinese legeraangelegenheden. Van groter belang in feite was kennis van de gevoerde militaire politiek van die landen. Deze overweging was voor van Daalen een gegronde reden om aan de gezantschappen in Tokio en Peking een militair attaché te verbinden. Hij was, in tegenstelling tot van Karnebeek, niet bang voor een dergelijk verzoek van Japanse zijde. Hij weerlegde de vrees van van Karnebeek met de opmerking dat Japan zich van de strijdkrachten in Nederlands-Indië voldoende op de hoogte kon stellen. In de eerste plaats hadden de Japanners een goed werkende inlichtingendienst. In de tweede plaats konden zij uit openbare bronnen voldoende informatie putten. Aangezien Nederlands-Indië volgens van Daalen, in politieke zin onmondig was, zou Japan ter beantwoording van de vraag of Nederland bij een aanval op de koloniën op een bondgenoot kon rekenen, niet in Indië, maar in Nederland en in het algemeen in die landen die in deze koloniën belangen hadden, de militair-politieke situatie moeten bestuderen. Het Japanse leger en marine trokken volgens van Daalen na de oorlog met Rusland zoveel aandacht dat een groot aantal landen officieren, hetzij als militair (marine) attaché, hetzij in een andere functie heeft uitgezonden. In legerkringen werd Japan als de toekomstige vijand beschouwd. De legercommandant werd in zijn opvattingen ondersteund door geopolitieke ontwikkelingen in Zuidoost Azië. Japan verlegde zijn belangen meer en meer in zuidelijke richting. Vele Japanse dagbladen vestigden reeds jaren de aandacht van hun publiek op de zogenaamde zuidelijke eilanden, waaronder ook de Indische Archipel werd verstaan. Enige kranten gingen zo ver de Japanse diplomatie te verwijten dat Japan zijn expansie naar het vaste land zocht, terwijl een uitbreiding naar de zuidelijk gelegen eilanden veel meer voor de hand lag. In de eerste plaats omdat deze eilanden door de Spanjaarden en Nederlanders nauwelijks werden verdedigd. In de tweede plaats was het argument dat noordelijk gelegen staten steeds naar het zuiden toe hadden gekoloniseerd.

De Nederlandse gezant in Tokio, J.H. van Roijen, liet zich in dezelfde positieve zin over de militair attaché uit. Hij had zich door de diverse verslagen van Bense en Pabst laten overtuigen van het belang van een militair attaché. Hij was van mening dat, wanneer niet werd afgezien van de verdediging van Nederlands-Indië, het een dwaze bezuiniging zou zijn om een instelling op te heffen die voor de verdediging van groot belang kon zijn. Van Roijen vroeg zich af wat een paar duizend gulden betekenden in het licht van de vele miljoenen die de Indische verdediging kostte. Bovendien was het voor de gezant onmogelijk militaire aangelegenheden tot in detail te bestuderen; hij miste daarvoor de tijd en de technische kennis. Het was volgens hem voor Nederlands-Indië van het grootste belang zo veel mogelijk inlichtingen over militaire aangelegenheden te verzamelen. Van Roijen wees daarbij op de wijze van oorlog voeren en de sterke en zwakke kanten van leger en marine, in ieder geval van die landen van wie veroveringsplannen mochten worden verwacht. Zelfs meer nog dan in enig ander land was het noodzakelijk een militair attaché in Japan te hebben, omdat het juist een land gold waar geheimhouding het abc was van alle beleid. Zonder een militair attaché in Tokio was het verkrijgen van betrouwbare gegevens over het Japanse leger volstrekt uitgesloten, aldus de gezant. De functie was voor Nederland als koloniale mogendheid ook uit prestige overwegingen van belang. Het was voor van Roijen een uitgemaakte zaak dat het opheffen van de post van militair attaché niet anders dan nadelig kon werken op het defensiebeleid van Nederlands-Indië. De minister van Koloniën, de Waal Malefijt, liet zich door de aangehaalde argumenten overtuigen. Ook de bij hem aanwezige bezwaren tegen een militair attaché in Tokio en Peking verdwenen. Hij zegde toe dat de posten in ieder geval tot 1 november 1913 zouden blijven bestaan. Over voortzetting na deze datum liet hij zich niet uit. Dit voorbehoud hield ongetwijfeld verband met de in 1913 te houden verkiezingen voor de Tweede Kamer. In dat jaar kwam aan het kabinet Heemskerk een einde. De verkiezingen werden gewonnen door de linker zijde. De vrijzinnig-democraat Bos probeerde in juli 1913 een sociaaldemocratisch-liberaal kabinet te vormen, maar dit mislukte. In augustus 1913 trad daarop een extraparlementair kabinet aan onder leiding van Cort van der Linden. De sociaaldemocraten zegden toe het kabinet onder voorwaarden te steunen. Bosboom, oud liberaal en kolonel, werd minister van Oorlog. Van Bosboom werd een ander beleid dan dat van zijn antirevolutionaire voorganger verwacht. Het kabinet moest echter voor zijn defensiebeleid vooral steun bij de rechterzijde zoeken.

In april 1913 verzochten de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië en de gezant in Tokio, de autoriteiten in Den Haag de termijn van drie jaar alsnog met één jaar te verlengen. Het grote nut van de functie dwong hen in feite daar toe. De Waal Malefijt maakte echter bezwaar. Volgen hem waren de bedenkingen die waren gemaakt bij de behandeling van de ontwerpbegroting 1912 tegen een permanente militair attaché, nog steeds van kracht. De bedenkingen hadden hem toen doen besluiten het voor deze post uitgetrokken bedrag terug te nemen. Het bedrag op de begroting voor de kosten van de functie van militair attaché waren toen verschoven naar de post “tijdelijke uitbreiding van de legerformatie”. De minister weigerde aan het verzoek gevolg te geven. In zijn optiek was het onjuist om een militair attaché te handhaven, terwijl de daarvoor benodigde gelden niet werden toegestaan. Hij zag nog wel een andere mogelijkheid kapitein Pabst zijn werkzaamheden te laten voortzetten. De Waal Malefijt opperde het voorstel Pabst het zelfde werk te laten doen, maar dan niet als militair attaché, maar als “een officier aan wie was opgedragen diverse aangelegenheden in Japan en China te bestuderen”. Dit opende voor de autoriteiten in Nederlands-Indië de mogelijkheid ook in de toekomst, officieren te detacheren om dergelijke studies te maken. De hieraan verbonden kosten werden dan onder de post “tijdelijke uitbreiding van de legerformatie” ondergebracht. De minister was van oordeel dat hiermee praktisch hetzelfde zou worden bereikt.

Legercommandant van Daalen, de gezant in Tokio, van Roijen en kapitein Pabst waren het met de opvatting van de minister volstrekt oneens. Zij brachten het verzoek van de gezant in Tokio in 1907 in herinnering. Deze had de Nederlandse regering verzocht de in Tokio te plaatsen officier juist wel de titel van militair attaché te geven. De argumentatie was toen dat het de studie van de Japanse strijdkrachten zou bevorderen en vergemakkelijken. Kapitein Pabst was van mening dat het niet meer voeren van de titel militair attaché, in Japan een hoogst merkwaardige indruk zou maken en het zijn betrekkingen met het ministerie van Oorlog in Japan zeer zou schaden. In Japan noemde men een officier aan wie was opgedragen verschillende kwesties op militair gebied te bestuderen, altijd een militair attaché. De Japanners hechtten volgens Pabst nu eenmaal veel waarde aan een naam. Elke andere omschrijving van zijn positie zou voor hem iets anders betekenen dan militair attaché. Gevolg hiervan zou zijn dat het werk er onder zou lijden, hoewel dit hetzelfde bleef. Geheel op eigen verantwoording verzekerde de gouverneur-generaal aan kapitein Pabst uitdrukkelijk, hem tegenover de Japanse autoriteiten als militair attaché te laten optreden. Tevens liet hij Pabst toe de officiële titel te dragen. De tot majoor bevorderde Pabst werd dan toch met ingang van 1 november 1913, voor de duur van één jaar, opgedragen de strijdkrachten en de militair-politieke toestand in Japan en China te bestuderen. Hij moest hierover verslagen indienen die vooraf aan de betrokken gezanten ter inzage moesten worden aangeboden. Zo maakte Pabst onder andere verslag van de militaire toestand in China, één jaar na het uitbreken van de revolutie. Hij rapporteerde over Japanse oefeningen, deed verslag over de militair-politieke toestand in Japan in 1912, stuurde een boekwerk met de uniformen van het Chinese leger en rapporteerde over de militaire maatregelen van China tegen Mongolië in 1913. Voorts maakte Pabst een verslag over de spionnendienst van de Japanners en gaf hij een overzicht van de onlusten in Zuid-China, zomer 1913.

Als assistent van majoor Pabst werd op 1 september 1914 kapitein K.L. Rozendaal benoemd. Het moet voor hem een aangename verrassing zijn geweest. De Preanger Bode meldt althans:

“…dat het voor dien officier geen onwelkome opdracht is, als men weet dat het bestudeeren van den militairen en politieken toestand in Japan en China een vrij wat aangenamer werk is dan het beoefenen van den soldatenschool met zijn compagnie e.t.q.”

De krant voegde er nog aan toe dat deze plaatsing en versterking van deze militaire post in Japan niet in verband moest worden gebracht met de militaire ontwikkelingen aldaar.

De benoeming van kapitein Rozendaal leidde tot ophef. Onder de kop “Militaire causerie” besprak een medewerker van het Bataviaasch Nieuwsblad, die zich slechts bediende van het initiaal “O”, de benoeming van Rozendaal. Hij had onderzoek verricht naar de benoeming van Rozendaal en was onthutst…


[… omdat het weer zo’n prachtigen kijk geeft op gescharrel en geknutsel…] [… Het is mogelijk, dat hij voor het baantje de meest geknipte man is, het is ook mogelijk van niet…] [… Met het oog op het grote belang voor onze koloniale staatkunde verbonden aan het geheel of zoveel mogelijk op de hoogte blijven van al wat er in Japan – en zelfs ook in China – gebeurt op het gebied van marine en leger, achtte de Indische regeering het eenige jaren geleden noodig, aan ons gezantschap te Tokio-Peking een militair attaché toe te voegen. Dat was zoo logisch, dat het mij meermalen heeft verbaasd, dat men tot dien maatregel niet eerder was overgegaan…] […De Kamer in Hollandsche kortzichtigheid en geleid door, de hemel weet welke nonsens motieven (neen, liever gezegd eenige leden der kamer) stelde(n) voor die post van de begrooting af te voeren…] […Maar hij was er reeds en – vond men hier – moest er blijven. Maar hoe? Dan maar geschipperd …] [… Dan maar een ongehuwde er heen…] [… De eenigste oplossing werd gevonden, de eenigste ongehuwde ex- krijgsscholier gekozen! Zie daar. “Leve het coelibaat” zal hij wel geroepen hebben. Diverse gehuwde of met huwelijksplannen rondloopende kapiteins hebben misschien nog wel spijt gehad van hun vroegen paar-ijver. Een mooi baantje hun neus voorbij. Zie daar, de oplossing van het raadsel, de belooning voor het ongehuwd zijn. Nu heeft echter deze oplossing veel voordeelen. Het is toch een erkend feit, dat men het meeste nieuws steeds verneemt door de vrouwen. En wie is er nu, vooral in een land als Japan, meer voorbeschikt om vrouwelijk gezelschap te zoeken, dan een ongehuwde? …] [… Vindt men het nodig in Japan er een attaché op na te houden, dan moet daar geld voor zijn. Het belang van die betrekking brengt mede, dat daarvoor worde gekozen de meest geschikte, hetzij deze ongehuwd is, dan wel gehuwd met zes kinderen. Daarvoor dient men dan wat over te hebben. De Indische regeering, overtuigd van die noodzakelijkheid, had niet mogen rusten voor zij haar wenschen bevredigd had gezien. Dat ware regeeringsplicht geweest. Die plicht is schandelijk verzaakt…].

Na ruim vijf jaar als militair attaché aan het gezantschap in Tokio verbonden te zijn geweest was het voor Pabst tijd naar Nederlands-Indië terug te keren. De legerleiding had voor hem grootse plannen in gedachten. Kapitein Rozendaal bleef als militair attaché in Japan en China, met Tokio als standplaats. Rozendaal liet zich ook niet onbetuigd in verslaggeving en rapportage. Zo merkte hij in zijn berichtgeving over de militair-politieke toestand in Japan, onder andere op:


“Bedriegen de teekenen niet, dan staat Japan aan den vooravond van eene interventie in Siberië, waardoor het een meer actief aandeel zoude gaan nemen in den grooten oorlog. Nieuw is dit vraagstuk niet. Reeds op het einde van 1914, kort na het beëindigen der expeditie tegen Tsingtao, gingen stemmen op om door het zenden van troepen naar Frankrijk de Verbondenen te helpen. […] Ook thans was het Frankrijk, dat het dringendste op ingrypen door Japan aanstuurde […] Verschillende teekenen wyzen erop, dat ook het Japansche volk genoeg begint te krijgen van het militarisme zooals zich dat hier aan het oog vertoont; en de marineparty vaart wel by deze gevoelens der bevolking, welke zeer goed begrypt, dat in de toekomst Amerika de ernstige tegenstander is. De haat tegen het Angelsaksische ras, tegen Engeland en Amerika wordt niet onder stoelen of banken gestooken. Is het streven van het eerste ryk er nog op gericht verzoenend op te treden, Amerika’s politiek gaat lynrecht tegen eene matiging der gevoelens in en al is zulks niet het geval in officiele kringen, welke een dikwyls al te doorzichtig streven tot verbroedering navolgen, het Amerikaansche volk en vooral de Amerikanen, die in China en Siberie verblyf houden, geven openlijk blyk van minachting voor Japan en het Japansche volk. Al behoeft men nog niet dadelyk aan een oorlog tusschen beide volken te denken, – de militaire, politieke, zoowel als economische sterkte van beide zyn toch nog te ongelyk – de politieke toestand om den Stillen Oceaan laat zich aanzien zoodanig gespannen te zullen zijn gedurende de komende jaren, dat een voortgaande oorlogsvoorbereiding reeds thans vast te stellen is…”

Na kapitein Rozendaal werd kapitein M. Boerstra als opvolger aangewezen. In november 1920 werd de ongehuwde Boerstra benoemd tot militair attaché in Tokio en Peking. Het bericht bereikte als volgt de openbaarheid:

“De kapitein der artillerie M. Boonstra (sic) thans nog studeerend aan de hoogere krijgsschool in Den Haag […] zodra hij in Indië is teruggekeerd […] als militair attaché naar Japan te zenden, zodra de tegenwoordige attaché naar Indië terug keert. De heer Boonstra (sic) is – althans nu nog – ongehuwd en valt dus voor deze betrekking in de termen”.

Boerstra bleef niet lang vrijgezel. In Tokio viel zijn oog op de dochter van de gezant de Graeff. Hij huwde jkvr. Bonne Elisabeth Constance Wilhelmina de Graeff op 27 maart 1922. De begroting kreeg met een gehuwde militair een extra kostenpost. Als attaché wees hij in zijn rapporten onder andere op het volgende:

  1. De Nederlands-Indische oliehavens, en in het byzonder Balikpapan en Tarakan, zyn de punten, die in geval van een oorlog tusschen Japan en de Vereenigde Staaten van Noord-Amerika de grootste aandacht verdienen in verband met de neutraliteitshandhaving.
  2. By het opstellen van de Nederlandsche neutraliteitsproclamatie in geval van zulk een oorlog moet de groote waarschynlijkheid voor oogen worden gehouden van het binnenvallen van tot de Japansche Marine behoorende tankschepen in Nederlands-Indische havens.
  3. Reeds in vredestyd moeten gegevens worden verzameld omtrent de Japansche tankschepen, die de Nederlandsch-Indische havens bezoeken opdat in oorlogstyd geen twyfel kunne ryzen omtrent de identiteit van tot de Japansche Marine behoorende tankschepen, die dan zouden trachten voor gewone handelsschepen door te gaan…

Boerstra keerde begin mei 1922 weer terug naar Nederlands-Indië. Voor de Sumatra Post was zijn vertrek een groot verlies en meldde:

“Kapitein Boerstra viel in de salons en op het parade-veld op door zijn forsche en kaarsrechte huzarenfiguur en onder collega’s door zijn kennis van de krijgswetenschappen en vooral van taal en volk van Japan. …Boerstra zal worden opgevolgd door kapitein Rozendaal die de functie voor Boerstra reeds tot groote tevredenheid vevulde.”.

Het was voor deze krant een zeer gelukkig gekozen vervanging. Het Bataviaasch Nieuwsblad dacht er duidelijk anders over. In een artikel onder de kop “Bezuiniging” trekt de krant fel van leer tegen de voorgenomen benoeming van kapitein Rozendaal.


[…] Onze buitengemeen knappe militair attaché te Tokio, die ook voor overig Oost-Azie (China en vooral Mandsjoerije!) dien post vervult, moet, heerlijk staaltje van bureaucratie, een jaar tusschentijds in Indië dienen, om te bewijzen, dat hij “geschikt” is voor den rang van majoor. Wij moeten dus, juist in dezen voor Oost-Azie zoo belangrijken tijd, een hoogst bekwamen kracht, die als geen ander in wat daar te observeren valt is ingewerkt en bovendien Oost-Aziatische taalkennis van beteekenis bezit, een tijd, om nonsens-redenen missen… Het zij zo. Nu zoude een gezond denkend mensch zeggen: Is er iemand direct bij de hand om te vervangen; kan tenminste de zeer dure uitzending van iemand uit Holland, de minder dure uitzending uit Indië, aan de schatkist bespaard blijven? Ja, dat kon. [… Onze heeren in Indie zijn echter bekrompen bureaucraatjes voor het meerendeel…] Doch het mooiste komt nog. Onder de Indische officieren bevond zich een uitstekend militair die nu, tot zijn enormen spijt, zijn Japansche taalstudie in Japan moest afbreken, toen hij juist wat op dreef kwam. Deze officier is kapitein. Gegeven dus: een officier van den rang van bovengenoemden attaché! Wellicht even knap als deze in Japansche taal. Nu in Indië bij den Generalen Staf geplaatst. […] In plaats van nu dezen officier, den kapitein bij den Ind. Generalen Staf den attaché zonder eenige extra-kosten, te laten vervangen; in plaats van hem gelegenheid te schenken zich (het was hoog noodig) verder in het Japansch te bekwamen…, laat men een militair attaché uit Holland overkomen, wiens Japansche taalkennis niet schitterend moet wezen. Schade dus van allerlei aard.

Bezuiniging en opheffing

Ruim een maand later meldde dezelfde krant dat ze had vernomen dat de post van militair attaché voorlopig zou vervallen tot betere tijden waren aangebroken. Ook in Nederlands-Indië waren, net als in het moederland, ’s-lands financiën onderworpen aan grote bezuinigingen. In een wijzigingsnota die bij de Volksraad. was ingediend, werd voorgesteld subsidies tot het strikt noodzakelijke te beperken.

Zoals hier voren reeds genoemd had de legerleiding in Nederlands-Indië grote plannen met Pabst. Na een troepenfunctie als luitenant-kolonel, werd hij in 1918 directeur van de Hogere Krijgsschool te Bandoeng. Het jaar daarop werd Pabst inspecteur van de vestingartillerie en vervolgens van de mobiele vestingartillerie. In 1920 volgde zijn benoeming tot inspecteur der artillerie. Op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken, van Karnebeek, werd de tot generaal-majoor bevorderde Pabst, met ingang van 1 mei 1923 benoemd tot gezant in Tokio. Met de ervaring en connecties van Pabst in Tokio in gedachten, werd mede, en vooral uit oogpunt van bezuiniging, de post van militair attaché te Tokio en Peking “voorlopig” niet bezet. Het leverde de legercommandant in Batavia een besparing op van Fl. 12.500,-. In de Indische pers waren de meningen over deze benoeming sterk verdeeld. De Java Bode vond het wat voorbarig om met deze benoeming gelukkig te zijn. De Preanger Bode vond het, met het oog op de defensie belangen, juist een verstandig besluit.

“Voorlopig” bleek overigens een vrij ruim begrip te zijn. De posten in Tokio en Peking werden nooit meer bezet. Wel werd op de Indische begroting van 1935 een memoriepost opgevoerd. De regering onderkende het urgente belang van een dergelijke detachering, maar wilde vanwege de financiën daartoe niet over gaan. Bovendien, aldus de Indische regering, was een generaal als gezant in Tokio geplaatst. In legerkringen werd echter met klem betoogd toch tot een detachering over te gaan. De ontwikkelingen in het Verre Oosten zouden daartoe wel aanleiding geven. In april 1938 werd door een lid van de Volksraad nog een vraag over de plaatsing van een militair attaché in Tokio gesteld. De regering antwoordde dat de ontwikkelingen in het leger, nog afgezien van financiële overwegingen, het niet toelieten een attaché in Tokio te plaatsen. Pabst bleef op zijn post tot de Nederlandse oorlogsverklaring aan Japan op 8 december 1941. Hij werd op het gezantschap geïnterneerd. Enkele dagen later kreeg Pabst een hartaanval, ten gevolge waarvan hij een paar weken later overleed. Pabst werd voor zijn verdiensten onderscheiden met o.a. Ridder 3e Klasse van de Orde van den Gouden Rijsthalm (China) en Officier in de Orde van de Rijzende Zon (Japan).

Marine-attaché in Tokio

Minister van Marine, Rambonnet, wilde ook een marineattaché aan het gezantschap in Tokio verbinden. Wellicht wat prematuur meldde hij aan Buitenlandse zaken dat hij op de begroting voor 1919 al vast fl. 4500,- wilde uittrekken en of Buitenlandse Zaken ook maar even een zelfde bedrag op de begroting wilde reserveren. Ruim een jaar later was er nog steeds geen marineattaché in Tokio gedetacheerd. De gezant in Tokio, de Graeff, merkte dat ook op. Hij wist ook de redenen niet waarom geen marineattaché was benoemd. Nu het er nog steeds niet van was gekomen, wilde hij toch wel het één en ander daarover kwijt. De Graeff had ernstige bezwaren tegen het detacheren van een marineofficier in Japan. Hij was volstrekt niet overtuigd van het nut. Hij wees op de heersende geheimzinnigheid bij de militaire departementen. Een maximum aan geheimzinnigheid werd bereikt bij het ministerie van Marine. Het overtrof daarbij het ministerie van Oorlog. Het was Pabst tijdens zijn bijna zesjarig verblijf in Japan nauwelijks gelukt ook maar iets te weten te komen van wat tot de “stafgeheimen” gerekend mocht worden. In de Graeff’s optiek zou een marineattaché nog minder te horen en te zien krijgen. Als voorbeeld werd de Franse marineattaché aangehaald. Die kon zijn verplichtingen niet nakomen, omdat hij geen enkele informatie kreeg die de moeite waard was. Ook beriep de gezant zich op de Amerikaanse marineattaché. Deze was zo vriendelijk Pabst geregeld inzage te geven in zijn – gebrekkige – rapporten. De Graeff vond dat zelfs de betrekkelijk lage kosten die aan zo’n detachering waren verbonden, niet opwogen tegen de voordelen.

In de Tweede zitting 1921 van de Volksraad op 23 november 1921 werd door enkele leden gepleit voor het alsnog voor het plaatsen van een marineattaché in Tokio en daarvoor gelden te reserveren. Het voorstel struikelde over de kosten.

Begin juli 1937 viel Japan China aan. Het eerst werd Peking veroverd, daarna was Shanghai aan de beurt. De Nederlandse journalist Jan Fabius, bezocht het oorlogsgebied. Hij was zeer sceptisch over het optreden van de Nederlands-Indische regering. In een pagina groot artikel in de Indische Courant verzuchtte hij onder andere:

“Waarom geen Hollandsche attachés. Wij willen het dan verder maar niet eens over het nut van een paar marine en militaire attachés hebben die in deze dagen wel zeer nuttig werk zouden kunnen verrichten, al was het alleen maar om onze vredesstrijdmacht eens iets over de moderne oorlogsmiddelen en methoden te kunnen berichten. Ik ontmoette vandaag een paar buitenlandsche officieren die thans onder Japansche leiding de slagvelden en stellingen bezoeken en daar blijkbaar zeer interessante dingen te zien krijgen, waardoor ze veel beter in staat zijn zich een oordeel over de beide strijdende partijen te vormen”.

In een vergadering van de Volksraad over de begroting van Marine in juni 1939 werd wederom tevergeefs aangedrongen op het plaatsen van militaire attachés te Tokio en Peking. Wederom waren de financiën het struikelblok. Het bleef bij deze laatste poging.

Overigens dient hier te worden opgemerkt dat in Japan het instituut van “taalofficieren” bestond. Dit waren jonge officieren die aan de gezantschappen – in naam – als attaché waren verbonden met het doel Japans te leren. In 1934/1935 was er van Nederlands-Indische zijde wel een marineofficier aan het gezantschap in Tokio verbonden. Zijn taak was slechts om Japans te studeren en had geen diplomatieke of militair-diplomatieke functie.

~ Albert J. Vinke
Vanwege de lengte zijn in dit artikel de noten niet opgenomen

Download: Versie van dit artikel met noten
Ook interessant: De militair attaché

Vorige verhaal

Veel Indonesische burgerdoden nam Nederlandse krijgsmacht voor lief

Volgende verhaal

‘Steeds nauwere samenwerking’

×