//

Parijs in de Middeleeuwen

Palais de la Cite van Parijs in het 'Très Riches Heures du Duc de Berry'
Palais de la Cite van Parijs in het 'Très Riches Heures du Duc de Berry' (Publiek Domein - wiki)
Bij uigeverij Ten Have verschijnt vandaag Stad van ideeën. Een biografie van Parijs. Hierin vertelt Alec van der Horst het verhaal van Parijs. Hij begint in de Romeinse tijd en eindigt bij de aanslagen van 2015. Maar meer dan een geschiedenisboek is het een biografie van de stad en haar ideeën. In een rondleiding schildert Van der Horst het proces van wederzijdse beïnvloeding, tussen de stad en de nieuwe ideeën. Zijn biografie, vol interessante anekdotes, geeft daarom en passant ook een overzicht van de invloedrijkste denkbeelden van de afgelopen drieduizend jaar. Op Historiek een fragment over Parijs in de middeleeuwen.


Duisternis en licht

De term ‘Middeleeuwen’ komt uit de Renaissance en was niet bepaald als compliment bedoeld. Na hun herontdekking van het antieke erfgoed deden Italiaanse humanisten uit de veertiende en vijftiende eeuw de duizendjarige periode die hen scheidde van het glorieuze Romeinse verleden af als niet meer dan een tussenperiode. Tegenwoordig beschouwen de meeste historici deze periode echter als een tijd van belangrijke innovaties en intellectuele revoluties. De windmolen, het kompas, de bril en de mechanische klok zijn allemaal uitgevonden tijdens de Middeleeuwen. Ook had de moderne wetenschap nooit kunnen ontstaan zonder de verhitte debatten over de plaats van de rede aan de twaalfde- en dertiende-eeuwse universiteiten.

Toch waren de eerste eeuwen van dit millennium wel degelijk chaotisch, gewelddadig en duister. Het begon eigenlijk al in de nadagen van het Romeinse Rijk. De eerste kennismaking met de barbaren, die rauwe boter in hun haar smeerden en naar uien roken, was een grote schok voor de geciviliseerde (Gallo-)Romeinen. Ondanks alles vonden de meeste leden van de elite, zoals bijna altijd, een oplossing. Ian Morris formuleert het als volgt in zijn virtuoze studie Oost & West:

Veel oude rijke aristocratische families (…) in het westelijke Romeinse Rijk vluchtten met hun rijkdommen naar (…) Constantinopel, maar een nog groter aantal bleef tussen de ruïnes van het oude keizerrijk wonen; misschien knepen ze hun neus dicht (…) en gooiden ze het op een akkoordje met hun nieuwe meesters. Ze ruilden hun zijden mantels voor wollen broeken, hun klassieke poëzie voor de jacht en pasten zich aan de nieuwe werkelijkheid aan.

Hun zonen en dochters trouwden met de zonen en dochters van de barbaren, en langzaam maar zeker ontstond een nieuwe geprivilegieerde bovenlaag. Maar over het algemeen raakte Europa in een vrije val. De handel nam af, de economie kromp en de steden werden steeds kleiner. Oorlogen, plunderingen, epidemieën en hongersnoden veranderden het leven van de meeste mensen in een hel. Het machtsvacuüm dat ontstond toen het Romeinse gezag wegviel, werd gedeeltelijk gevuld door de Kerk. Het waren de kerkelijke autoriteiten die probeerden de wegen te onderhouden en die de armenzorg en de voedsel- en watervoorziening op zich namen – een van de redenen waarom hun macht binnen korte tijd zo groot en onmisbaar werd in het middeleeuwse Europa.

‘Een gigantisch deel van het antieke erfgoed ging verloren, en steeds minder mensen konden lezen en schrijven.’

Het kennisniveau nam dramatisch af, en ook dit was grotendeels het werk van de Kerk. Waarom zou je je bezighouden met het bestuderen van de natuur en de ideeën van ongelovige auteurs als de waarheid van de openbaring het enige was wat ertoe deed? Al in de nadagen van het Romeinse Rijk werden er bibliotheken met heidense werken in brand gestoken. Eigenaren verbrandden hun eigen boeken uit angst voor vervolging, zowel in het oosten als in het westen. Een gigantisch deel van het antieke erfgoed ging verloren, en steeds minder mensen konden lezen en schrijven.

Aan de andere kant waren het monniken die de overgebleven teksten gered hebben door ze te bewaren en over te schrijven in hun afgelegen kloosters. Eigenlijk waren zij de ware opvolgers van de antieke filosofen.

De monniken zonderden zich af op het platteland en hielden zich in leven met de opbrengst van hun moestuin. Verder zwoeren ze de materiële wereld af en richtten hun aandacht op het enige wezen dat de moeite van het contempleren waard was: God.

Saint Julien-le-Pauvre
Saint Julien-le-Pauvre. (CC BY-SA 3.0 – Baldiri – wiki)

In Parijs bouwden de oude en nieuwe bewoners houten hutten tussen de stenen ruïnes van de voormalige Romeinse vesting; steen werd alleen nog maar gebruikt voor kerken en paleizen. De oppervlakte van de stad van de Merovingen, de naam van de opvolgers van Clovis, viel min of meer samen met het oude Lutetia (Romeinse voorloper van het huidige Parijs, red.) op de linkeroever. Het enige wat de nieuwe machthebbers toevoegden aan het stadsbeeld was een indrukwekkende reeks kerken. In het huidige Quartier Latin verrezen de Saint Julien-le-Pauvre en de Saint-Séverin, en op de rechteroever vlak bij de Seine de Saint-Germain-l’Auxerrois en de Saint-Gervais, en een stuk verder naar het oosten de Saint-Paul. Er is niets meer over van deze gebouwen, maar op al deze plekken bevindt zich nog steeds een kerk. Van de heel vroege Middeleeuwen staat niets meer overeind in Parijs; er gaapt een gat van bijna duizend jaar tussen de antieke ruïnes en de zeldzame resterende middeleeuwse monumenten.

Childebert I, geschilderd in de 19e eeuw door Jean-Louis Bézard. (Publiek domein/wiki)
Childebert I, geschilderd in de 19e eeuw door Jean-Louis Bézard. (Publiek domein/wiki)
Childebert I, de zoon van Clovis, stichtte net ten westen van Parijs een klooster met een grote toekomst. In 576 werd hier een heilig verklaarde bisschop begraven die Germanicus heette. Vandaar de naam: Saint-Germain-des-Prés (prés betekent ‘weilanden’; het klooster lag tot aan het einde van de Middeleeuwen buiten de stad). De gelijknamige kerk bestaat nog steeds, en de massieve stenen klokkentoren uit het jaar 1000 is de oudste getuigenis van middeleeuwse architectuur in het huidige stadsbeeld.

Na de dood van Clovis in 511 werd het koninkrijk opgedeeld tussen zijn zonen, zoals de Frankische wet voorschreef, en hetzelfde gold voor hun zonen. Deze praktijk leidde tot onderlinge oorlogen, moorden en andere fijne praktijken. De laat-zesde-eeuwse koningin Brunhilde zou volgens de legende verantwoordelijk zijn voor de dood van tien Frankische koningen. Als straf werd ze aan de staart van een woest paard gebonden, dat na een paar zweepslagen begon te galopperen. De executie vond mogelijk plaats op de kruising van de huidige rue Saint-Honoré en de rue de l’Arbre Sec.

Slechts een paar Merovingische heersers slaagden erin het koninkrijk te herenigen, zoals koning Dagobert (r. 629-639), de stichter van de abdij in Saint-Denis, de latere koninklijke begraafplaats. Na zijn heerschappij verloren de Merovingische koningen al vrij snel hun greep op het rijk. Met hen zakte ook Parijs – opnieuw – weg in onbeduidendheid.

Karel de Grote, leenheren en Vikingen

December 751. Childerik III, de laatste Merovingische koning, wordt kaalgeschoren en afgevoerd naar een klooster. Lange haren waren altijd het bijna magische symbool van de vorstelijke kracht van de Merovingen geweest, al vanaf de tijd van Clovis. Maar in 751 neemt Pepijn de Korte, de vader van Karel de Grote, de troon over van Childerik III en sticht daarmee een nieuwe dynastie, de Karolingers. Deze laatste familie vervulde al minstens een eeuw de erfelijke functie van hofmeier. Hun taak bestond in het beheren van de koninklijke domeinen, en dit stelde hen in staat om langzaam maar zeker de controle te verwerven over de financiën van het rijk en dus de kroon.

‘Omdat zijn rijk zich nu veel verder naar het oosten uitstrekte, liet Karel een nieuwe hoofdstad bouwen in Aken’

Pepijns vader was de beroemde Karel Martel, die in 732 een moslimleger versloeg bij Poitiers. Hiermee maakte hij een einde aan de opmars van deze nieuwe, zeer expansieve religie en voorkwam hij de islamisering van Noordwest-Europa (of stelde die wellicht – in de ogen van sommige ongeruste observatoren – met zo’n dertienhonderd jaar uit). Feitelijk had Karel Martel als hofmeier de macht al helemaal in handen, maar hij durfde de stap naar het koningschap nog niet te wagen. Pepijn de Korte kon de laatste Merovinger simpelweg opzijschuiven dankzij de officiële toestemming van de paus – en een scheerbeurt.

De nieuwe koning kreeg een zoon die het grootste Europese rijk sinds de Romeinen bij elkaar zou veroveren en het in 800 zelfs tot keizer zou schoppen: Karel de Grote. Voor Parijs was dit slecht nieuws: omdat zijn rijk zich nu veel verder naar het oosten uitstrekte, liet Karel een nieuwe hoofdstad bouwen in Aken.

Karels regeerperiode (768-814) betekende een eerste voorzichtige renaissance voor Europa. De in Rome gekroonde keizer stichtte kloosters en scholen die moesten voorzien in een rudimentaire vorm van onderwijs. Hij stimuleerde ook het kopiëren van teksten uit de Oudheid, waardoor sommige kloosters uitgroeiden tot belangrijke culturele centra. Zijn rijk zou na zijn dood even snel ineenstorten als het tot stand was gekomen, maar toch was Karel de Grote, in de woorden van de kunsthistorici Hugh Honour en John Fleming, erin geslaagd…

…het centrum van de westerse cultuur voor een periode van 600 jaar, die duurde tot de Italiaanse Renaissance, te verleggen van de landen rond de Middellandse Zee naar het gebied dat begrensd werd door de Rijn, de Loire en de Noordzee.

Na de dood van zijn zoon Lodewijk I werd het rijk in 843 in drieën gedeeld. In het oosten ontstond zo het toekomstige Duitsland en in het westen het toekomstige Frankrijk. Beide nieuwe rijken slokten beetje bij beetje het kwetsbare middenrijk op. In deze periode begon ook het feodale stelsel, zo kenmerkend voor de Middeleeuwen, zich uit te kristalliseren, dat wil zeggen de – geïdealiseerde – opdeling van de samenleving in drie groepen of ordes: zij die vechten (de adel), zij die bidden (de geestelijkheid) en zij die werken (de boeren en burgers).

‘Begin negende eeuw kreeg West-Europa te maken met een nieuwe gesel Gods’

De oorsprong van dit systeem lag waarschijnlijk al in de late Oudheid, toen het keizerlijk gezag verdween en grootgrondbezitters hun eigen verdediging organiseerden tegen rovers en invallers; hun landarbeiders gaven hun vrijheid op en veranderden in lijfeigenen, een soort slaven, in ruil voor bescherming. De nazaten van Karel de Grote benoemden graven en hertogen die in het grote rijk verantwoordelijk waren voor de ordehandhaving in bepaalde territoria of streken. Bij wijze van betaling mochten ze de inkomsten van de domeinen opstrijken, maar die domeinen bleven officieel het eigendom van de koning – vandaar de termen ‘leenheer’ en ‘leenman’ (of vazal). Maar toen de functies om praktische redenen gaandeweg erfelijk werden, begonnen de hertogen, graven en andere landedelen zich steeds onafhankelijker op te stellen.

In principe waren ze de koning gehoorzaamheid verschuldigd en moesten ze hem bijstaan in zijn oorlogen, met alsmaar duurdere wapenuitrustingen voor zichzelf en hun paarden, maar in de praktijk bestuurden ze hun gebieden in toenemende mate als onafhankelijke koninkrijken; sommige hertogen waren zelfs machtiger en rijker dan de koning. Deze situatie verklaart zo ongeveer alle oorlogen en conflicten tijdens de tweede helft van de Middeleeuwen.

Viking helmen (cc - Helgi Halldorsson)
Viking helmen (cc – Helgi Halldorsson)
Begin negende eeuw kreeg West-Europa te maken met een nieuwe gesel Gods. Waarschijnlijk aangetrokken door de toegenomen rijkdom van de Karolingische Renaissance voeren deze barbaarse en nog heidense stammen afkomstig uit het Hoge Noorden op hun zeer wendbare schepen, zowel geschikt voor rivieren als voor de zee, naar de Noord-Franse kust. Hun eerste expedities waren vooral razzia’s, haastig uitgevoerde rooftochten waarna ze weer naar huis terugkeerden. Algauw kwamen ze echter ieder jaar en namen ze tenten mee.

In 845 voeren hun drakars voor het eerst de Seine op, tot aan Parijs. De bewoners vluchtten in paniek. Kloosters, zoals dat van Saint-Germaindes-Prés, werden geplunderd en in brand gestoken. Dit scenario herhaalde zich minstens vijf keer in de twintig daaropvolgende jaren, en de keizerlijke autoriteiten, die zich veel verder in het oosten bevonden, stonden steeds weer machteloos. Voordat ze een tegenaanval konden plannen waren de Vikingen allang weer verdwenen. Net als in de nadagen van het Romeinse Rijk trokken de bewoners zich terug op het eiland en herbouwden haastig een verdedigingswal en twee houten torens op de linker- en rechteroever, die de bruggen naar het eiland afschermden.

Vikingleider Rollo - cc
Vikingleider Rollo (CC BY-SA 3.0 – Pradigue – wiki)
In 885 kwamen de Vikingen weer, met meer dan veertienhonderd boten. Dit keer werd het verzet lokaal georganiseerd, onder leiding van Odo, de graaf van Parijs. De Parijzenaars, verschanst achter hun verdedigingswal, weigerden zich over te geven – het was de allereerste keer dat een stad de Vikingen durfde trotseren. De belegering duurde tien maanden, waarna de Vikingen het opgaven: ze trokken hun drakars op het droge en sleepten ze tot voorbij Parijs. Toen voeren ze verder naar Bourgondië, waar ze hun gruwelijke roof- en moordtocht voortzetten.

Odo, die als enige de Vikingen had weerstaan, nam drastisch in aanzien toe, en hij schopte het zelfs even tot koning. De dagen van het Karolingische gezag waren geteld. Iets meer dan honderd jaar later zouden de graven van Parijs een nieuwe koninklijke dynastie vestigen, die het, met allerlei omwegen en vertakkingen, zou uithouden tot aan de Revolutie en zelfs daarna. Parijs stond weer op de kaart, zij het nog in bescheiden mate.

Stad van ideeën Een biografie van Parijs
Stad van ideeën. Een biografie van Parijs
De Vikingen kregen in 911 definitief de controle over het land dat ze de facto al in handen hadden: Normandië, het land van de Noormannen. Hun leider Rollo werd in een burleske ceremonie uitgeroepen tot de hertog van dit nieuwe uitgestrekte leengebied. De feodale ceremonie vereiste dat de kersverse vazal knielde voor de Franse koning, maar omdat dit zeer tegen de zin was van de trotse Rollo, liet hij deze geste uitvoeren door een van zijn gezellen, die de voet van de koning zo stevig vastpakte dat deze omviel. Hij bekeerde zich samen met zijn manschappen tot het christendom, aanvankelijk op een zeer soepele en originele wijze (toen Rollo stierf, werden een paar honderd gevangenen geofferd).

De nerveuze energie van de Vikingen of Noormannen was nog lang niet uitgewoed. In 1066 veroverden ze Engeland, en hun leider Willem de Veroveraar werd de nieuwe koning van het eiland. Dit creëerde een explosieve situatie: een koning werd de vazal van een andere koning, omdat Willem ook hertog van Normandië was. De zaden van de Honderdjarige Oorlog waren geplant.

~ Alec van der Horst

Boek: Stad van ideeën – Alec van der Horst
Ook interessant: Clovis I (ca.466-511) – De eerste christelijke koning van de Franken

Bekijk dit boek bij:

Bekijk dit boek bij Historiek Geschiedenisboeken

Bekijk meer over:

Frankrijk, Middeleeuwen, Voorpublicaties

Categorieën

Vorige verhaal

Gustave Eiffel (1832-1923) – Franse ingenieur

Volgende verhaal

‘Joodse Chazaren’ en de legende van de dertiende stam