Petrus, Simon Cephas en het pausschap

Nóg een Joodse paus
Rembrandt van Rijn - Petrus in de gevangenis (detail)

Het is er uiteindelijk niet van gekomen, maar tijdens het Rembrandtjaar 2019 zou ook een schilderij van Rembrandt uit Israël in het vaderland van de kunstenaar tentoongesteld worden, en wel in het Joods Historisch Museum te Amsterdam. De Joodse invalshoek, ervan afgezien dat het werk uitgeleend zou worden door het Israël Museum, vooral bekend om zijn prachtcollectie judaïca, is hier niet ogenblikkelijk zonneklaar. Het schilderij stelt immers Petrus voor, die weliswaar “van Joodse afkomst” was, zoals dat heet, maar die bekeerd was tot het christendom en bovendien tot eerste roomse paus werd uitgeroepen.

Lees ook het eerdere artikel: Hoeveel Joodse pausen zijn er geweest?

Rembrandt van Rijn - Petrus in de gevangenis
Rembrandt van Rijn – Petrus in de gevangenis
Dat laatste gebeurde lang na zijn dood en met terugwerkende kracht en Petrus heeft ook nooit de corona triplex gedragen, maar rooms-katholieken nemen dat pausschap toch serieus. Zelfs wie nog geloof hecht aan het, inmiddels achterhaalde, denkbeeld dat Rembrandt een speciale empathische band had met de Joden1, moet toch toegeven dat deze weergave van een nieuwtestamentische figuur kennelijk voor een christelijke klandizie bestemd was.

Simon Cephas

Er is echter een oude Joodse geschiedenis, waarvan er drie verschillende schriftelijke overleveringen zijn, met in de hoofdrol deze zelfde Petrus, al heet hij hier Simon Cephas (ook wel getranscribeerd als Kaiphas, Kaifas en Kaifa; keifah is rots in het Hebreeuws). Die drie versies zijn elk voor zich nogal onsamenhangend en bovendien met elkaar op details in tegenspraak, maar ze hebben alle de verrassende mededeling gemeen dat Petrus in werkelijkheid nooit een apostaat geweest is.2 Hij had weliswaar de leiding van de jonge kerk op zich genomen en onderwees de christenen in wat ze te doen en te laten hadden, maar zulks alleen om ze uit de buurt van het Jodendom te houden, opdat dit niet door de nieuwe christelijke leer zou worden besmet en de Joden niet door de christenen lastiggevallen zouden worden.

Om ook zichzelf te beschermen tegen christelijke invloeden sloot Simon Cephas zich op in een toren te Rome, waar hij zich ternauwernood in leven hield op een schraal maar koosjer dieet van water en brood – een vrijwillige gevangenschap, als het ware. In deze toren in Rome wijdde hij zijn verdere leven aan tefilah en tesjoevah, gebed en inkeer, omdat hij zich toch had afgegeven met dat christendom. Tevens schreef hij daar de hymne Nisjmat kol chai (De ziel van al wat leeft), die tot op de dag van vandaag te vinden is in de siddoer (het Joodse dagelijkse gebedenboek). De zinsnede Oemibal’adecha ein lanoe melech… (En behalve U hebben wij geen koning) daarvan zou specifiek tegen het geloof in een drie-eenheid gericht zijn.3

Als we nu naar Rembrandts schilderij kijken, Petrus in gevangenschap, dan zien we de heilige inderdaad in een houding die gebed en inkeer uitdrukt. Wat de inhoud van zijn gebed is, weten we uiteraard niet, maar misschien zegt Petrus wel Nisjmat kol chai!

Petrus als paus - Schilderij van Peter Paul Rubens, ca. 1610-1612
Petrus als paus – Schilderij van Peter Paul Rubens, ca. 1610-1612

Petrus bevindt zich in een kerkerachtige ruimte. Dat zou de kerker van Handelingen 12:3-4 kunnen zijn, waarin Herodes hem geworpen had – of die toren in Rome, dat valt uit het interieur niet af te leiden. Nu zou je kunnen zeggen dat het die kerker van Herodes niet kan zijn, want de sleutels liggen naast Petrus op de grond. Hij heeft kennelijk de deur van binnenuit gesloten en bevindt zich in de vrijwillige gevangenschap die overeenkomt met het verhaal van Simon Cephas. Dit gaat echter niet op: die twee sleutels, “de sleutels van het koninkrijk der hemelen” (Mattheüs 16:19), zijn Petrus’ vaste attribuut, volgens de iconografie der roomse heiligen. Hij heeft ze in veel, zo niet de meeste, afbeeldingen en weergaven van zijn figuur in de hand. Als voorbeeld moge Rubens’ portret van Petrus (1610-1612) in het Prado dienen, hier afgebeeld. Bij Rubens lijkt de heilige, meer dan in gebed, in een staat van mystieke contemplatie te verkeren, gevoed door die twee sleutels. Dat de sleutels in het schilderij van Rembrandt daarentegen op de grond liggen, alsof Petrus ze niet nodig heeft, is dan wel weer eigenaardig.

Nu is de legende van Simon Cephas tamelijk onbekend. Het verhaal is een staartstuk van sommige versies van Toledot Jesjoe (De geschiedenis van Jezus). Dit is een al van vóór het jaar 1000 daterend, antichristelijk geschrift, circulerend in handschrift, dat niet zozeer polemisch is als wel iets om mee te zwaaien als je ruzie zoekt. Het is nooit in druk verschenen, althans niet bij één van de vele Joodse drukkers in de zestiende en de zeventiende eeuw of zelfs later; die keken wel uit. Toledot Jesjoe of alleen de legende van Simon Cephas komt ook niet voor in het Maaseboech (Bazel, 1602) of als enig ander drukwerk in het Jiddisch. Twee versies van Toledot Jesjoe verschenen pas in druk, vergezeld van een vertaling in het Latijn, in 1681 en 1705, dankzij twee christen-hebraïsten, Johann Christoph Wagenseil en Johann Jacob Huldreich.4

Belsazars feest - Rembrandt (detail)
Belsazars feest – Rembrandt (detail)

Talmoed

Als het gaat om tamelijk onbekende thema’s, kun je echter wijzen op Rembrandts schilderij voorstellende het feestmaal van Belsazar in de National Gallery, Londen (1635 of iets later). Het teken aan de wand heeft Rembrandt hier weergegeven, niet zoals het staat in Daniël 5:25, maar op een wijze (de woorden mene mene tekel oefar/sin verticaal en van rechts naar links naast elkaar) die overeenstemt met één specifieke mening in de Babylonische Talmoed (traktaat Sanhedrin, folio 22a) – niet bepaald een bron die eenieder in de zeventiende eeuw zo maar bij de hand had.5

Rembrandt had in Amsterdam waarschijnlijk persoonlijk contact met bij hem in de straat of om de hoek wonende Joden, en in ieder geval met de Portugese rabbijn Menasseh ben Israël, wiens geleerde boek Piedra gloriosa hij met vier etsen illustreerde. Naar je mag aannemen, had de rabbijn de kunstschilder eerst verteld wat voor plaatjes hij wilde hebben. De overlevering omtrent Simon Cephas zou hem door toedoen van R. Menasseh of een andere Joodse buurman ter ore gekomen kunnen zijn.

Daar staat tegenover dat Rembrandt het schilderij voorstellende Petrus’ gevangenschap in 1631 en derhalve, voor zover ik weet, nog in Leiden heeft gemaakt, waar in die tijd zo’n buurman ten enenmale ontbrak – althans de kans om hem daar aan te treffen uiterst klein was.

Dat Rembrandt in dit schilderij genoemde Joodse overlevering over Simon Cephas bewust gestalte zou hebben gegeven is daarmee wel erg speculatief, om niet te zeggen ronduit onjuist. Niettemin biedt de voorstelling, langs de hierboven geschetste lijnen, wel degelijk een Joodse invalshoek.

~ Chaim Revier

Lees ook het eerdere artikel: Hoeveel Joodse pausen zijn er geweest?
…of: Petrus – Leerling, leraar, mythe

Noten

1 – De filosemitische Rembrandt kreeg indertijd nogal sentimentele gestalte in Franz Landsberger, Rembrandt, the Jews and the Bible, Philadelphia, JPS, 1961. Dit denkbeeld heeft uitgerekend het Joods Historisch Museum reeds in 2006 met de tentoonstelling De ‘joodse’ Rembrandt uit de wereld willen helpen. Zie de openingsspeech bij de tentoonstelling van kunsthistoricus Gary Schwartz (https://paulmertz.nl/uitkeek/schwartz.html) en diverse artikelen op diens Schwartzlist (http://www.garyschwartzarthistorian.nl/category/jewish-subjects/). Zie ook Steven Nadler, Rembrandt’s Jews, Chicago, University of Chicago Press, 2003.
2 – De Engelse vertaling van alle drie is te vinden in W. van Bekkum, “‘The Rock on Which the Church is Founded’: Simon Peter in Jewish Folktale”, in M. Poorthuis en J. Schwartz, Saints and Role Models in Judaism and Christianity, Leiden, Brill, 2004, p. 289-310. Zie voor bronvermelding p. 291-292, noot 10-11.
3 – Aldus de Jewish Encyclopedia (1906) online, s.v. Nishmat (https://www.jewishencyclopedia.com/articles/11554-nishmat). D. Oppenheim (“Ueber den Verfasser des Nischmat…”, Monatsschrift für Geschichte und Wissenschafts des Judentums, 10 (1861), afl. 6, p. 212-224) legt de oorsprong van de toeschrijving van Nisjmat kol chai aan Petrus in de kring van de Ebionieten, een vroege, zich nog dicht tegen het Jodendom aanschurkende, antitrinitaire en antipaulinische, maar daarentegen zeer op Petrus gestelde versie van het christendom, die zich in de tekst van Nisjmat zou hebben kunnen vinden (https://sammlungen.ub.uni-frankfurt.de/cm/periodical/titleinfo/2857804).
4 – Johann Christoph Wagenseil, Tela Ignea Satanae, Frankfurt a.M., Zunner, 1681 (https://sammlungen.ub.uni-frankfurt.de/freimann/content/titleinfo/281239); Johann Jacob Huldreich, Historia Jeschuae Nazareni, Leiden, 1705.
5 – Tegenwoordig wel: https://www.sefaria.org/Sanhedrin.22a.10?lang=bi (het gaat om de passage “Sjmoeëil zegt ‘Mamtos nankafei a’alran’”).

Bekijk meer over:

Religieuze geschiedenis

Categorieën

Vorige verhaal

De Nederlandse soldaten van de paus

Volgende verhaal

‘Joodse Chazaren’ en de legende van de dertiende stam