Verkoop Goudstikker wettelijk gemaakt door Van den Bergh

Tweeënhalve ton provisie voor notaris
8 minuten leestijd
Catalogus van de Collectie Goudstikker uit 1920
Catalogus van de Collectie Goudstikker uit 1920 (CC BY-SA 4.0 - Hnapel - wiki)

Bij de verkoop van kunsthandel firma Goudstikker op 1 juli 1940 verklaarden de beheerders Ten Broek en Jan Dik senior dat de verkoop ‘zonder dwang’ had plaatsgevonden en notaris Arnold van den Bergh, die er in het boek ‘Het verraad van Anne Frank’ van wordt beschuldigd dat hij de familie Frank heeft aangegeven, sloot zich daarbij aan. In de ‘ongebruikte documentatie’ in het Ballastdossier (Nationaal Archief), dat deel uitmaakt van het CABR-dossier van Jan Dik jr., bevindt zich een proces-verbaal uit 1948 van brigadier-rechercheur A.M.G . Rouwhorst. Daarin zegt Van den Bergh iets totaal anders.

Jacques Goudstikker (1938)
Jacques Goudstikker (1938)
Jacques Goudstikker, om wiens kunsthandel het hier gaat, werd geboren als zoon van de kunsthandelaar Eduard Goudstikker en Emilie Eugénie Sellisberger. Hij studeerde kunstgeschiedenis aan de universiteit van Leiden en die van Utrecht. In 1924 nam hij de kunsthandel van zijn vader over. Hij beschikte over een kring van vermaarde kunstverzamelaars die hem suggesties gaven voor het verzamelen van zijn handelscollectie.

Toen de Duitsers Nederland waren binnengevallen, begaf Jacques zich met zijn vrouw Dési naar IJmuiden en gingen ze aan boord van het vrachtschip Bodegraven. Zijn moeder, mevrouw Goudstikker-Sellisberger, liet hij achter in Nederland, na een behoorlijk kapitaal voor haar te hebben gereserveerd. Hij had weliswaar een visum voor Amerika, maar had dat laten verlopen. Hij liet de kunsthandel in allerijl over aan zijn medewerker Jan Dik sr. en procuratiehouder A.A. ten Broek, vertrouwend op hun eerlijkheid. Zijn officiële waarnemer, de heer Sternheim, was op 10 mei aan een hartaanval overleden. Op 16 mei werd Goudstikker in het ruim van het vrachtschip gevonden. Hij had ’s avonds een wandeling aan dek gemaakt en was in het openstaande ruim gevallen. Op de overlijdensakte stond: Fracture of Skull due to accidentally falling into the Hold of the s/s Bodegraven on the High Seas whilst a Refugee Passenger thereon.

Notaris

Arnold van den Bergh was de vaste notaris van de firma Goudstikker. Dik en Ten Broek raadpleegden hem en vroegen of ze akkoord moesten gaan met het plan van Alois Miedl, een Duitse bankier die had voorgesteld de hele boel te kopen. Van den Bergh stemde daarmee in. Hij werd in 1948 verhoord door rechercheur A.M.G. Rouwhorst. Arnold van den Bergh in het proces-verbaal:

“Ten Broek en Jan Dik sr. (respectievelijk procuratiehouder en beheerder van de NV Goudstikker, CvH) hebben mij in die dagen verteld dat er druk op hen werd uitgeoefend om de bezittingen van de NV Goudstikker aan Miedl te verkopen, door wie echter die druk werd uitgeoefend weet ik niet. Ik zocht naar een modus om deze, in mijn ogen afgedwongen verkoop, wettelijk mogelijk te maken. Een bepaald aantal aandelen was in Nederland en nadat een directeur was benoemd en de aandeelhoudersvergadering bijeengeroepen was, zou de verkoop mogelijk zijn.”

Procuratiehouder Ten Broek en Jan Dik sr. wilden volgens Rouwhorst maar al te graag verkopen. Ze zagen ‘geen heil in de toekomst van een jodenzaak’. En notaris Van den Bergh kon als jood niet zeggen dat hij niets voelde voor het meewerken aan een gedwongen verkoop. Gerard Aalders, expert op het gebied van roofkunst:

“Wat Van den Bergh deed was niet netjes. Hij constateerde dat de verkoop met instemming van de aandeelhouders gebeurde, maar die aandelen zaten grotendeels in portefeuille, dus het waren niet uitgegeven aandelen. Of hij voor de verkoop aan Miedl onder druk is gezet, is twijfelachtig. Daarvoor was het nog te vroeg in de oorlog. Bovendien had Miedl niet de macht om hem te pressen.”

“Dési Goudstikker liet weten dat ze tegen was”, zegt Aalders. “Toen werd mama Goudstikker-Sellisberger (die maar vijftien procent van de aandelen bezat, CvH) voor de verkoopkar gespannen, wat ook niet netjes was. Dus Van den Berg heeft de boel verre van keurig afgehandeld.”

Voordat de firma werd verkocht, vroeg Miedl uitstel van betaling. Zoveel contanten had hij niet direct beschikbaar. Van den Bergh zegt daarover tijdens het verhoor door Rouwhorst:

“Miedl vroeg uitstel van betaling, waarvoor hij 30.000 gulden beloofde uit te keren aan mij en aan mevrouw Goudstikker-Sellisberger, de moeder van Jacques Goudstikker. Dat heb ik niet aangenomen natuurlijk.”

Miedl kocht voor 500.000 gulden alle aandelen in schilderijen, de bibliotheek, de wapenverzameling van Jacques Goudstikker, de inventaris van het pand Herengracht 458, alle onroerende goederen (waaronder kasteel Nijenrode, buitenplaats Oostermeer en de kunsthandel aan de Herengracht 458 te Amsterdam alsmede het recht op de handelsnaam ‘Kunsthandel J.Goudstikker NV’).

Zo’n kleine 1300 schilderijen, die Jacques Goudstikker deels in consignatie had ontvangen, werden voor 2 miljoen gulden verkocht aan rijksmaarschalk Hermann Göring. Door Dési Goudstikker, zo schrijft Rouwhorst, zou de te ontvangen twee miljoen gulden eigenlijk ter beschikking gesteld moeten worden van de roofbank Lippmann, Rosenthal & Co of onder beheer moeten komen van de Duitse afdeling Vijandelijk vermogen. “Dit is niet gebeurd”, schrijft Rouwhorst, “daar Miedl aan belanghebbenden heeft meegedeeld dat de aankoopsom door de Duitsers, in dit geval de Rijksregering, vertegenwoordigd door Hess, dit bedrag veilig zou stellen.” Voor het geld zijn aandelen gekocht. Deze zijn volgens Miedl gedeponeerd bij de Twentse Bank en stonden ter beschikking van Dési Goudstikker. Daarmee werd niet alleen de financiële positie van mevrouw Goudstikker-Sellisberger, de moeder van Jacques Goudstikker, veilig gesteld maar ook haar leven. Aangezien zij ook joods was, waren haar dagen aanvankelijk geteld. Maar door de invloed bleef ze in leven.

Dési von Halban, de weduwe van Jacques Goudstikker, 1946
Dési von Halban, de weduwe van Jacques Goudstikker, 1946 (CC BY-SA 3.0 – Theo van Haren Noman / Anefo – wiki)
Wanneer Van den Berg nogmaals aan de tand wordt gevoeld door Rouwhorst, verklaart hij:

“Het is mij niet bekend wie mevrouw Goudstikker-Halban, die destijds in Genève verbleef, om toestemming voor de verkoop heeft gevraagd. Het is mogelijk dat ik deze toestemming heb gevraagd, doch later meende ik, onder de dwangmaatregelen van de Duitsers, niet op de toestemming te moeten wachten. Echter weet ik in het geheel niet of ik om toestemming heb gevraagd.”

Dat heeft hij wel degelijk gedaan (zie noot 32 van hoofdstuk 4 in Pieter den Hollander’s boek: De zaak Goudstikker). Nadat verschillende telegrammen van Van den Bergh Dési Goudstikker hadden bereikt, gaf zij hem nul op het rekest. Zij zei op 27 mei 1948 tegen rechercheur Rouwhorst:

“Mij bereikte, via Zwitserland of Portugal een verzoek om als erfgename en bezitster van 85% der aandelen van de NV Goudstikker toestemming te willen geven voor de verkoop van de ‘Goudstikker’-eigendommen aan de Duitser Miedl. Niettegenstaande mij in het vooruitzicht werd gesteld dat mijn vermogen in Nederland gespaard zou worden indien ik deze toestemming verleende, weigerde ik positief daaraan te voldoen’. Pieter den Hollander, De zaak Goudstikker, pagina 61

De Zaak Goudstikker - Pieter den Hollander
De Zaak Goudstikker – Pieter den Hollander
Ondanks deze mededeling van Dési Goudstikker werd de verkoop toch door Van den Bergh doorgezet. Als jood kon hij waarschijnlijk niet anders. Had hij het niet gedaan, dan hadden de Duitsers hem wel weten te vinden.

Hoge provisie

In het boek van het cold case team Het verraad van Anne Frank staat op pagina 292 dat Van den Berg 200.000 gulden kreeg voor zijn werk. In noot 7 van hoofdstuk 41 van het boek wordt – om dat te onderbouwen – verwezen naar een artikel waarin daarover niets, maar dan ook helemaal niets, is te vinden.

Uit de lucht gegrepen? Nee dus. Onder het kopje ‘Daden van Miedl sinds 1940’ meldt Rouwhorst het volgende over de aankoop van de firma Goudstikker:

‘De eigenaar van de firma Goudstikker heeft Mei 1940 gepoogd via een Hollandse haven met een boot Engeland te bereiken. Hierbij heeft hij het leven verloren. Zijn vrouw Dési heeft Amerika bereikt. Zij is de enigste die via het erfrecht aanspraken kan maken op de eigendommen van haar man in Holland. Miedl kocht de firma Goudstikker van de erven Goudstikker, vertegenwoordigd door de toenmalige beheerders, via het notariskantoor Van den Bergh voor 2,6 miljoen gulden. Aan de notaris werd een zeer groot bedrag van ca. 2,5 ton gegeven voor zijn medewerking.’

De laatste zin is in het verslag van Rouwhorst met rood onderstreept.

Kennelijk is Van den Bergh ten gevolge van de Duitse maatregelen, waarin verboden werd joodse notarissen in te schakelen bij dit soort verkopen, tijdens de onderhandelingen tijdelijk ontslagen als notaris. Daarover staat in het verhoor:

‘Daar notaris Van den Bergh niet arisch was, zijn de minuten op deze zaak betrekking hebbende in handen gekomen van de nieuw benoemde notaris Anton Schepers, Valeriusstraat, die ze waarschijnlijk aan de nieuw herbenoemde Van den Bergh ter beschikking zal hebben gesteld.’

Kennelijk hechtte Miedl aan de vaste notaris van de familie Goudstikker en heeft hij weten te bewerkstelligen dat Van den Bergh snel weer werd binnengehaald.

In de opsomming van wie er in de firma Goudstikker allemaal ongehoord hoge provisies ontvingen, ontbreekt in het CABR-dossier van Jan Dik jr. vreemd genoeg de naam van Van den Bergh. Ook ontbreekt hier de mededeling dat hij 50.000 gulden handgeld ontving van Miedls bank, de Buitenlandse Bank Vereeniging. Vreemd is dat hij volgens een accountantsrapport nog wel zo’n 23.000 gulden voor zijn werk heeft gedeclareerd. Bij elkaar genomen heeft hij dus meer dan drie ton ontvangen voor het opmaken van het verkoopcontract. Een aardig bedragje dus. Maar vanwege zijn joodse achtergrond kon hij niet weigeren de verkoopcontracten op te maken, te weten: een voor Miedl en een voor Göring. Dat pleit hem vrij van het opzettelijk maken van een woekerwinst, zoals door enkele notarissen in de oorlog wel gebeurde. Via dit soort notarissen kwam Minne Endstra, de vader van Willem Endstra, in Amsterdam bijvoorbeeld aan talrijke panden van joden. Van den Bergh tijdens het verhoor: “Miedl wist het personeel van de NV Goudstikker aan zich te binden door later grote sommen uit te keren waardoor zij dan “alleen” maar in de toekomst goed zijn belang en zaken zouden moeten ‘dienen’.”

Herengracht 458 in 1951, het voormalige kunsthandel Goudstikker-pand
Herengracht 458 in 1951, het voormalige kunsthandel Goudstikker-pand (CC0 – Daan Noske / Anefo)

Rechercheur Rouwhorst besluit zijn proces-verbaal met de woorden:

“Het merendeel der getuigen neemt aan dat hier van een gedwongen verkoop kan worden gesproken (gedwongen door de omstandigheden door de vijandelijke bezetting geboden). Er blijft echter over het aannemen van ongehoord hoge provisies.”

Jan Dik sr. kreeg 180.000 gulden na de verkoop. Ten Broek toucheerde hetzelfde bedrag. Jan Dik jr. kreeg 25.000 gulden. En de rest van het personeel werd ook gefêteerd. Sommigen hadden het idee dat er een ‘gouden regen’ over hen heen was gekomen, zo schrijft Pieter den Hollander in De zaak Goudstikker. Maar Miedl kon gemakkelijk weggeven. De naam van Goudstikker alsmede diens bezittingen waren vele malen meer waard dan de bankier ervoor had betaald.

~ Cees van Hoore

Ook interessant: Canadezen wilden in WOII Goudstikker-collectie vorderen
Boek: Roofkunst. De Zaak Goudstikker