De geschiedenis van de Joden: op de vlucht

Voorpublicatie uit het tweede deel van Simon Schama’s werk
Vandaag verschijnt bij uitgeverij Atlas Contact het langverwachte tweede deel van Simon Schama’s grote werk De geschiedenis van de Joden, getiteld Erbij horen. Het is de opvolger van Schama’s bestseller De geschiedenis van de Joden, deel 1: De woorden vinden. Van Mozes tot psychoanalyse, van de Bijbel tot de Westelijke Jordaanoever, van de cultuur tot en met de wetenschap: op al deze terreinen zijn Joden van een beslissende invloed geweest op de ontwikkeling van de wereld. In dit tweede deel vertelt de Britse historicus over de periode 1492-1900. Op Historiek een fragment uit het tweede hoofdstuk, over Joden die begin zestiende eeuw Spanje en Portugal proberen te ontvluchten.

Onderweg

CAMINHO DIFICIL

Het begon altijd als het donker was, in de uren tussen middernacht en zonsopgang, wanneer de laatste patrouilles over de kade gelopen waren en de bewakers lagen te snurken of bij de hoeren waren. Als kleine nachtdiertjes die uit hun holen tevoorschijn komen, verschenen er fluisterende, in mantels gehulde figuren aan de oever van de Taag, met alleen het hoogstnoodzakelijke voor de twee weken durende reis naar Antwerpen: een kookpot, een matras, scheepsbeschuit, een beetje olie en een kist met kleding. Het betrouwbaarste lid van het gezin, niet altijd de vader, hield de portemonnee met goudstukken bij zich, met veel meer dukaten dan ze nodig zouden hebben gehad als ze geen nieuwe christenen waren. Maar het waren mensen die Gomes, Dias of Lopes heetten, mensen die wisten dat ze vroeger Cohen, Levi of De Benveniste waren, en die moesten zorgen dat ze Portugal uit kwamen voordat ze terecht zouden komen tussen de dichtklappende kaken van de inquisitie.

Voor een aantal van hen was dit niet het begin van hun vlucht weg van de verschrikkingen. Sommigen waren uit verre oorden in Spanje naar Lissabon gekomen, via de bergen de grens over. Ze hadden gehoord over machtige handelaren, gedwongen bekeerlingen zoals zijzelf, die rijk waren geworden door de peperhandel en die bijna als Mozes een pad in de zee hadden doen ontstaan. Zo God het wilde zou hun tocht niet veertig jaar duren, al hadden ze toen ze hun wagens vollaadden, wel het voorgevoel dat de reis over land en water lang en zwaar zou worden. Ze hadden het bij het rechte eind.

- advertentie -
Veroordeelden door de Inquisitie - Eugenio Lucas Velázquez
Veroordeelden door de Inquisitie – Eugenio Lucas Velázquez

Hoewel de vergunning van het Heilig Officie om onderzoek te doen in Portugal pas in 1536 van kracht zou worden, zag men vijf jaar daarvoor al aankomen dat het zou gaan gebeuren. Vooruitlopend op wat ging komen, begonnen de mensen die geheid de belangrijkste verdachten zouden zijn – de gedwongen bekeerlingen van 1497 – maatregelen te treffen. De Portugese nieuwe christenen, die na hun bekering respijt hadden gekregen van de inquisitie, konden de angst niet van zich af zetten dat die hen nu alsnog te pakken zou krijgen; ze stelden zich de terugkeer ervan voor in de vorm van een duivels monster. De meest welsprekende van de emigranten, Samuel Usque, riep zijn innerlijke Daniël te hulp en sprak over de inquisitie als een serpent met slagtanden,

‘een mengeling van keihard staal en dodelijk venijn […] die opstijgt op duizend vleugels met haar zwarte vergif en giftige slagpennen en over de grond treedt met duizend poten van vernieling.’

Waar konden ze naartoe vluchten, nu de koning van Portugal de weg had afgesloten door emigratie illegaal te maken voor de christenen die hij nog steeds Joden noemde? Handenwringen en bidden dat je opeens in het Beloofde Land zou zijn, haalden weinig uit. Wat nodig was, was een echte veilige plek, ergens waar je ’s avonds de kaarsen uit kon blazen zonder bang te hoeven zijn dat er een harde hand zou neerkomen op de lichaampjes van je slapende kinderen. Venetië? Ook daar zou de inquisitie komen. Ten zuidwesten ervan lag Ferrara, waar de hertog van Este nog enig respijt bood voor de vervolgingen – dat was een optie. Daar werden Hebreeuwse boeken gedrukt. Vanaf Ferrara was het hemelsbreed niet zo ver naar Pesaro en Ancona. Maar uit veiligheidsoverwegingen moesten ze een minder opvallende, minder gecontroleerde route nemen, over de bergen naar de Adriatische Zee. Stapje voor stapje, beetje bij beetje, altijd achteromkijkend zouden ze dan hun weg vinden naar de bescherming van de sultan in het Oosten. Misschien was het gerucht dat de Turk Joden daadwerkelijk welkom heette zelfs wel waar.

Suleiman de Grote
Suleiman de Grote
Ze waren wanhopig, maar stonden niet alleen. In Lissabon en Antwerpen had een consortium van peper- en specerijhandelaren, de rijkste Portugese nieuwe christenen, bijgedragen aan een spaarfonds om hen op weg en door de moeilijkste tijden heen te helpen. De solidariteit van Joden – rijk met arm, zij die veilig waren met hen die dat niet waren – is tegenwoordig een gemeenplaats in hun geschiedenis; maar dit was de eerste keer dat zoiets systematisch georganiseerd werd door mensen die zichzelf helemaal niet openlijk Joods konden noemen, die naar de kerk gingen en kruisen sloegen, die neerknielden om het lichaam en het bloed van Christus te ontvangen. Er werd gezegd dat de reddingskist zo vol zat dat keizer Karel hem maar wat graag in handen zou krijgen, als het hem zou lukken het bestaan ervan te bewijzen. Als hij erin zou slagen om die falsos cristianos, zoals hij ze noemde, te ontmaskeren, lag het geld binnen handbereik. Maar klinkende munt was maar een klein deel ervan. De prinsen van de peperhandel die het reddingscomité vormden hadden hun handelskennis omgezet in een transcontinentale vluchtroute: een netwerk van schepen, veerponten, logeeradressen, wagens, menners en ruiters dat zich uitstrekte vanaf de Atlantische kust van Portugal naar de havens in Engeland, vervolgens over het Kanaal naar Vlaanderen, daarvandaan door Frankrijk en het Rijnland, over de passen in de Alpen tot op de Povlakte. Als ze de wachters wisten te ontwijken die in Lombardije waren gestationeerd, specifiek om vluchtelingen op te sporen, te arresteren en hardhandig aan te pakken, zouden ze wellicht het veilige Ferrara kunnen bereiken. Sommigen zouden daar blijven; anderen zouden via de Apennijnen verdergaan naar Pesaro en Ancona en vervolgens de Adriatische Zee oversteken naar Ragusa (het huidige Dubrovnik) om ten slotte het rijk van Suleiman de Grote te bereiken, waar ze eindelijk de vrijheid zouden hebben om al die dingen te doen die ze zichzelf in Portugal moesten ontzeggen. De vrouwen zouden zich onderdompelen in het rituele bad, de mannen zouden worden besneden. Ze zouden bijeenkomen om te bidden, waarbij ze diep in hun geheugen moesten graven op zoek naar de halfvergeten woorden en melodieën; het gezang van de Toralezing zou klinken; en zelfs tijdens de dienst zou hun – God vergeve het hun – het water al in de mond lopen bij het vooruitzicht van de sabbatsstoofpot. Ze zouden zich er, voorzichtig, thuis mogen voelen.

Onderweg naar dit Turkse einddoel lag hun lot in de handen van de ‘geleiders’ die door de Antwerpse redders in dienst waren genomen. Ze vertrouwden die mannen hun beurs, hun kromgetrokken grootouders en hun zuigelingen toe. Wat konden ze anders? Maar nooit was hun veiligheid gegarandeerd. Zelfs aan de oever van de Taag werden sommigen verraden en afgevoerd. Om de politie op de stadskade te ontlopen, gingen veel vluchtelingen stroomopwaarts aan boord van kleine bootjes en werden dan zo geruisloos mogelijk naar de schepen met bestemming Vlaanderen geroeid, die in de monding van de rivier afgemeerd lagen. Als de scheepsmeester weinig scrupules had, kon hij ze afzetten en een hogere prijs laten betalen dan overeengekomen, en hen beroven van de parels die ze hadden meegenomen om ze in Londen of Antwerpen te kunnen wisselen voor geld. Binnenscheepse piraterij bloeide in de jaren 1530-1540.

Citadel van Antwerpen in 1572 - cc
Citadel van Antwerpen in 1572 – cc
Samuel Usque zag hoe ze in Antwerpen van boord gingen, grauw van zeeziekte en angst, veelal ontdaan van al hun geld. De redders zorgden dan voor onderdak en een lening om te overleven, en zetten alle bezittingen die de plundering aan boord hadden overleefd – een verborgen halsketting, een zilveren amulet – om in wissels die in Ferrara of Venetië konden worden verzilverd. De reizigers kregen te horen waar ze geheime synagogen konden vinden, met de waarschuwing om vooral geen aandacht op zich te vestigen, vooral niet door luidruchtigheid of discussies. Joden, al dan niet gedoopt, waren zelden de rustigste types ter wereld. Hun tijdelijke voogden in Vlaanderen instrueerden hen om vooral niet opzichtig te zijn: geen oorbellen, fijne kant of brokaat uit de kist halen voor de sabbat. Voorál niet voor de sabbat. Dat zou dieven aantrekken, en dieven zouden met de politie praten. Ze kenden hun wetsdienaren. Er was geen inquisitie in Vlaanderen, en de mannen van de plaatselijke markgraaf en burgemeester knepen een oogje dicht als het ging om de zaken van de ‘Portugezen’, aangezien Antwerpen zonder hen slechts zomaar een Vlaamse haven zou zijn. Maar de regentes, de zus van Karel v, was erop gebrand om ketterij op te sporen en de Joden af te persen. Wat broer en zus aanging was dat wat de nieuwe christenen waren: eens Joden, altijd Joden – Joden totdat ze verbrand waren en de as van hun botten door de wind verspreid was.

‘Families werden uit hun wagens gesleurd, er werd tegen hen geschreeuwd dat ze ‘Joodse honden’ waren, ze werden in elkaar geslagen, in het gevang gesmeten en gemarteld…’

Als de migranten eenmaal zover waren dat ze verder konden, werden ze in groepjes van ongeveer twintig personen in wagens met dekzeil of eenvoudige koetsen geladen, die vooraf door de redders waren betaald. Ze kregen instructies mee over de route, waar ze contactpersonen konden vinden voor de opeenvolgende etappes van de reis en waar ze veilig konden overnachten. Eén exemplaar van zulke instructies is bewaard gebleven (dankzij de inquisitie, die hier bovenop sprong en – ongetwijfeld na het netwerk opgerold te hebben – het bewijs in haar archieven opborg). Daardoor weten we dat de reizigers van Antwerpen naar het zuiden gingen, naar Keulen, waar ze op zoek moesten naar de ‘Herberg van de Vier Escara’. Daar moesten ze contact leggen met de geleider, Pero Tonnellero. Zijn taak omvatte de reis over de Rijn stroomopwaarts naar Mainz (Bazel werd ook veel gebruikt als overstappunt) in gehuurde boten. Ze zouden aan boord slapen, om geld te besparen en de kans op ontdekking en arrestatie te verminderen. Opnieuw werd de instructie gegeven om vooral hun stemmen niet te verheffen (wat erop wijst dat dit vaak werd vergeten), maar het was lastig om uitbarstingen te voorkomen als men al zo lang en over zulke lange afstanden op elkaars lip zat.

‘Onder alle omstandigheden dient u zich als respectabele mensen te gedragen en alle ruzie en discussie die zich kan voordoen, uit de weg te gaan.’

In Mainz, in de ‘Herberg met het teken van de Vis’, zou een volgende geleider hen helpen om wagens te vinden waarmee ze verder omhoog konden trekken over de route in zuidoostelijke richting langs de Zwitserse meren. Voorbij Mainz of Bazel, daar waar het Zwitserse merenland overging in heuvels, konden ze over het grasland en het water de imposante pieken van de Alpen zien liggen, glinsterend in onheilspellend licht. Weer werden ze overgedragen aan muildierenen paardenbegeleiders, die de route kenden die bekendstond als caminho dificil, de ‘moeilijke weg’. De tocht over de bergen werd zo veel mogelijk in de zomer gepland, maar bij de toppen was het altijd winter. De wegen versmalden zich tot sporen, de hellingen en afdalingen zo steil dat de reizigers uit moesten stappen om te lopen, waarbij ze hun handen openhaalden aan de ruwe rotsen waaraan ze zich vastklampten en de pezige struikjes waaraan ze zich naar boven hesen. Strompelen en klauteren werd afgewisseld met bukken om de zakken en bundels op te pakken die van de wagens waren gevallen. Usque, die blijkbaar zelf de oversteek over de Alpen had meegemaakt, schreef dat

‘menigeen stierf van hulpeloosheid en door de weersomstandigheden. Vrouwen werden weduwen terwijl ze bijna moesten bevallen op die koude en medogenloze wegen.’

Povlakte, Italië. Beeld Google earth.
Povlakte, Italië. Beeld Google earth.
Waren de reizigers eenmaal afgedaald naar de Povlakte, dan wachtten hun nog meer beproevingen, dit keer van menselijke aard en daarmee des te angstaanjagender. Paranoïde dat de ‘Joodse bedriegers’ met hun kapitaal, handelswaar en commerciële kennis zouden ontkomen naar de Turken had Karel v een ministerie voor ‘maranen-zaken’ ingesteld in Antwerpen, dat verregaande autoriteit had om arrestaties te verrichten, mensen vast te houden en te ondervragen, wat in de praktijk neerkwam op marteling en beroving. De hoogste ambtenaar was Cornelis Schepperus, maar de enthousiastste uitvoerder was zijn gevolmachtigde Johannes Vuysting, die in Pavia en Milaan (allebei behorend tot het Habsburgse hertogdom van Milaan) wegafzettingen liet plaatsen op de routes vanaf de bergpassen. Families werden uit hun wagens gesleurd, er werd tegen hen geschreeuwd dat ze ‘Joodse honden’ waren, ze werden in elkaar geslagen, in het gevang gesmeten en gemarteld om hun de identiteit van de vluchtelingen, geleiders en hun relaties in Antwerpen en Lissabon te ontfutselen, en ze werden beroofd van al hun bezittingen. Kapiteins, contactpersonen en escortes die schuldig werden bevonden aan medeplichtigheid kregen de doodstraf. Dat er een kruis in een wagen werd gevonden, of de beeltenis van de Heilige Maagd, hield niemand voor de gek. Vuysting ging te werk als een gangster met vergunning en perste zo veel mogelijk geld af van de doodsbange crypto-Joden (die de reputatie hadden altijd verborgen schatten bij zich te hebben, ook als ze beweerden straatarm te zijn). De hardhandige behandeling bespoedigde de zaken, vooral als die oudere mensen of heel jonge kinderen betrof, en dan kwam al snel, hopla, op magische wijze dat beursje met edelstenen tevoorschijn. Uiteindelijk zou Vuystings hebberigheid hem de das omdoen, maar zijn roofzucht was maar één uiting van de hebzucht die op alle niveaus welig tierde, van zijn kapiteins tot en met de keizer zelf.

De geschiedenis van de Joden – Deel 2 (1492-1900) –
Simon Schama €49.99
Het feit dat we dit allemaal weten uit de archieven van de inquisitie, betekent dat het menigeen niet is gelukt Ferrara of de Adriatische kust te bereiken. Het wonder, bewerkstelligd door de Antwerpse redders, is dat velen het wél overleefden en verder reisden naar de Adriatische schepen. Tijdens hun ontberingen en momenten van paniek moeten de reizigers een beroep hebben gedaan op de zegening die ze bij hun vertrek uit Antwerpen kregen van de machtigste en rijkste organisator van de vluchtroute, de grootste onder de peperheren, Diogo Mendes, wiens naam ooit De Benveniste was geweest:

‘De zegening die Abraham aan Isaak gaf en Isaak aan Jakob, geef ik jullie […] Mogen we elkaar weerzien in het Beloofde Land.’

~ Simon Schama

Dit is een voorpublicatie uit De geschiedenis van de Joden. Deel 2: Erbij horen, 1492–1900 van de Britse historicus Simon Schama (936 p. Atlas Contact, € 49,99). In 2013 verscheen Deel 1: De woorden vinden, 1000 v.C.–1492 (575 p., € 25,-).

Boek: De geschiedenis van de Joden – Deel 2 (1492-1900) – Simon Schama
Lees ook: Schama’s Joodse geschiedenis: heroïek en tragedies

Bestel dit boek bij:

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Meer van dit soort berichten? Like ons dan!

Gelijk naar geschiedenisboeken over:
Ook adverteren op Historiek?
Goede keus! Klik hier