Dark
Light

De kist van dr. Ward

11 minuten leestijd
‘On the growth of plants in closely glazed cases’ door Dr. Ward, 1852. Harvard University, Gray Herbarium Library
‘On the growth of plants in closely glazed cases’ door Dr. Ward, 1852. Harvard University, Gray Herbarium Library

In 1829 deed de Engelse arts Nathaniel Ward, deels bij toeval, een uitvinding die diep in zou grijpen op het gebied van de economie, koloniale overheersing, koloniale exploitatie, volksgezondheid en de plantenwereld.

Nathaniel Bagshaw Ward in 1866
Nathaniel Bagshaw Ward in 1866
Eeuwenlang ging het vervoer van plantaardig materiaal per zeilschip of stoomschip. Door lichtgebrek, temperatuurschommeling, schimmelvorming, koude wind, insectenvraat of overslaand zeewater bereikte dit materiaal zijn bestemming vaak in slechte conditie, als het de overtocht al doorstond. Dus stopte men planten in een kist, deed daar wat aarde in en zette die weg op een ‘veilige plek’, meestal onder het bed van de kapitein. Tere kiemplanten en zaailingen legde men tussen lagen mos en sloot die op in tinnen busjes. Wat men ook deed, minder dan vijf procent overleefde een lange zeereis.

Dr. Ward bedacht een oplossing.

In de jaren 1820 werkte Nathaniel Bagshaw Ward als arts in Londen. Daarnaast was hij een fervent botanicus. Om planten onder slechte groeicondities toch te laten gedijen, maakte hij na veel experimenten een glazen kastje, sloot dat hermetisch af en creëerde er een gunstig microklimaat in.

Ward testte zijn vinding door een kist met tere planten per zeevracht naar de Royal Botanic Gardens in Sydney te laten vervoeren. Op 1 januari 1834 liet de kapitein hem weten dat plantjes de lange reis goed hadden doorstaan, zelfs zonder dat ze water hadden gekregen.

Wereldtentoonstelling Londen

Wardse kist in de Palmenkas van de Hortus Botanicus in Amsterdam (CC BY-SA 4.0 – RRCE – wiki)
Met deze bijzondere kist zouden economisch waardevolle planten en (fruit)zaden levend op hun bestemming aankomen, bijvoorbeeld in dié kolonie in het wereldwijde Britse rijk waar men de hoogst mogelijke opbrengst verwachtte. Stel je voor dat rubber-kiemplanten een lange zeereis echt zouden overleven en op plantages uitgezet konden worden… En dat ook nog eens op eigen grondgebied, bijvoorbeeld in de eigen kolonie Ceylon (Sri Lanka)… De rubber verwerkende industrie in het moederland zou daar veel profijt van hebben. Alleen maar door het gebruik van een simpel, goedkoop kistje. Tijdens de Wereldtentoonstelling van Londen (1851) georganiseerd door Albert, prins-gemaal van de Britse koningin Victoria van het Verenigd Koninkrijk, kreeg de veelbelovende kist van dr. Ward dan ook een prominente plaats.

Met deze portable mini-kas zouden gedurende bijna anderhalve eeuw duizenden economisch waardevolle gewassen over de hele wereld getransporteerd worden. Daarvan de volgende voorbeelden.


Rubberboom

Ten tijde van deze Wereldtentoonstelling was de industrialisatie in Engeland in volle gang. Daardoor steeg de vraag naar rubber explosief. (Stoom)machine- en isolatietechniek kunnen immers niet zonder rubberen onderdelen. Probleem was dat Brazilië nagenoeg een monopolie had op de productie en export daarvan. In 1876 werd dat doorbroken met het wegsmokkelen van tienduizenden zaden van de Hevea brasiliensis (Braziliaanse rubberboom) richting Kew Gardens, de botanische tuin in Londen. Een soort bio-piraterij dus. Ook al had men de zaden zorgvuldig tussen bananenbladeren gelegd, bij aankomst was slechts vier procent nog in leven. Maar dat was wel genoeg om de zaden verder te transport naar de Britse kolonie Ceylon. De Britse regering verwachtte dat de rubberboom daar goed zou kunnen gedijen en dus hoge opbrengsten zou leveren.

Dunlop-advertentie in 1913
Dunlop-advertentie in 1913
Er stonden dus grote belangen op het spel. Het bezit van een rubber producerende kolonie zou de eigen Britse industriële economie immers een ‘boost’ en het land een voorsprong kunnen geven in de wedloop met andere landen in Europa. Maar of de kiemplanten de maandenlange zeereis zouden overleven, werd betwijfeld.

Men plaatste de kiemplantjes echter in kisten van dr. Ward en hierdoor kwamen ze in goede conditie aan: het begin van de rubberproductie op Ceylon (1876). Wat later werden er ook planten overgebracht naar Maleisië, eveneens een Britse kolonie. Kort daarop kocht de Dunlop Rubber Company Limited in deze twee wingewesten grote rubberplantages aan. Die leverden de rubber niet alleen voor de banden van fietsen, maar ook voor de motorvoertuigen die in de Eerste Wereldoorlog zorgden voor het transport van soldaten en materieel. Het bezit van (gevulcaniseerd) rubber was dus niet alleen van economisch, maar ook ook van strategisch belang.

Via deze twee landen bereikten rubber-kiemplanten ook Java en Sumatra (1883). Met groot gevolg: in 1900 bedroeg de uitvoer van rubber uit Indië nog 16 miljoen gulden (240 miljoen euro) in 1913 was dat 60,6 miljoen gulden (760 miljoen euro) – cijfers die de voortgang van de industrialisatie van landen in Europa weerspiegelen. Ook die in ons land, overigens pas na 1870.1


Kinaplant

Overheden in Europa vreesden dat door de ondeskundige en ruwe manier van het oogsten van de kinabast in het Amazonegebied, in eigen land een tekort aan kinine kon ontstaan. Een gebrek aan dit middel, dat als medicijn gebruikt kan worden tegen malaria, zou de volksgezondheid in gevaar kunnen brengen. Ook in ons land bestond de vrees dat er door roofbouw een tekort aan kinine zou ontstaan. De Nederlandse overheid wilde daarom zelf kinaplanten gaan verbouwen, in haar rijk overzee: de kolonie Nederlands-Indië.

Kinaschors
Kinaschors (CC BY-SA 3.0 – H. Zell – wiki)
Zo deed in juni 1852 de Nederlandse minister van Koloniën aan koning Willem III het voorstel om kinaplanten over te laten brengen van Zuid-Amerika naar Java. Aldus geschiedde, op 13 december 1854 liep het stoomschip Gedeh de haven van Batavia binnen. Doordat men de planten in Wardse kisten had vervoerd, kwamen ze daar levend en wel aan: het begin van de kina-cultuur op Java.

Spoedig daarop besloot de Nederlandse overheid tot de opzet bij Bandung van de Gouvernements-Kina-Onderneming. Een urgente zaak, want malaria was in de hele Oostindische archipel volksziekte nummer een. In de kolonie waren immers veel watervijvers met brak water te vinden, evenals afgesloten lagunes en braakliggende, natte sawahs. Allemaal broedplaatsen van de malariamug.

Het werk in deze Kina-onderneming resulteerde in een variëteit van de kinaboom die goed gekweekt kon worden en ook nog eens een ongekend hoog kininegehalte had. Alleen al in 1872 werden bijna vijfduizend planten over de hele archipel verspreid, zelfs tot Yokohama aan toe.

Aan de Japansche Regering, die de cultuur des kina-booms wenscht te beproeven, is een wardsche kist met verschillende kina-soorten gezonden, die in uitmuntenden toestand Yokohama bereikt heeft. Bron: Jaarverslag 1877

Wardse kisten voor de verzending van planten uit 's Lands Plantentuin te Buitenzorg West-Java, 1913
Wardse kisten voor de verzending van planten uit ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg West-Java, 1913 (CC BY-SA 3.0 – Tropen – Nationaal Museum van Wereldculturen – wiki)

Tool of empire

Niet alleen de volksgezondheid was in het geding, ook de koloniale overheersing en de koloniale exploitatie stond op het spel. Want hoe kon de Nederlandse machthebber in dit enorme gebied zijn gezag handhaven, uitbreiden en als wingewest blijvend exploiteren als KNIL militairen en marinemensen door malaria waren geveld? Van de lijders aan malaria die in de jaren 1882-1885 in de ziekenhuizen van Nederlands-Indië waren opgenomen, was liefst 97,7% (Nederlands) militair. Hoe kon de Nederlandse overheid over dit gebied het bewind voeren als bestuursambtenaren ziek op bed lagen? En wat de denken van al die inheemse arbeidskrachten? Als die ziek op bed lagen, zou dat ten koste gaan van de productie en uitvoer van aardolie, rubber, suiker, thee, kapok, tabak, koffie, palmolie en kina.

Deze context maakt duidelijk waarom historici kinine een ‘tool of empire’ noemen – het was immers een kritische succesfactor bij het veroveren, in standhouden en exploiteren van een kolonie. Het aantal kinabomen alleen al op Java was dan ook enorm. In 1907 stonden er maar liefst honderd miljoen.2 Het gebruik van de kist van dr. Ward lag daaraan ten grondslag.

Laboratorium van de kininefabriek in Maarssen
Laboratorium van de kininefabriek in Maarssen (CC BY 3.0 – Japiot – wiki)
Dat er zoveel bomen stonden, had ook te maken met mondiale vraag naar kinine, die zeer groot was. De kinine uit Java stond daarnaast bekend om zijn goede kwaliteit. In 1930 kwam liefst zevenennegentig procent van de wereldhandel uit dit gebied. De productie van de kinine-pillen vond plaats in een fabriek te Bandung. Maar in Amsterdam en Maarssen waren eveneens fabrieken te vinden, want ook in ons land heerste malaria. De ziekte was hier wel een stuk milder dan de gevaarlijke ‘malaria tropica’, maar toch leden ook hier mensen aan de ziekte. Vooral mensen uit gebieden met brak water, zoals Friesland, Zeeland en Noord-Holland, hadden ermee te kampen. Tot zeker 1948 prijkten aan de wanden van de wacht- en spreekkamers van huisartsen deze spreuk:

Ziet ge muggen, lang van poot
Aarzel niet, maar sla ze dood!
Klein is de mug, maar groot het leed
Veroorzaakt door een muggebeet.
Beter dan chinine slikken,
Is het muggen dood te tikken!


Het afgelegen Wuyi-gebergte in China, een van de belangrijke theegebieden waar Fortune naartoe reisde.
Het afgelegen Wuyi-gebergte in China, een van de belangrijke theegebieden waar Fortune naartoe reisde. (CC BY-SA 3.0 – Zhangzhugang – wiki)

Theeplant

Eeuwenlang hield China de verbouw, de verwerkingstechniek en de bereiding van thee strikt geheim, waardoor het een duidelijke marktleider was geworden.

De Engelse botanicus Robert Fortune kreeg opdracht om daar voorgoed een eind aan te maken. Verkleed als rijke Chinese koopman trok hij in mei 1849 het Wuyi gebergte in, het centrum van de hongcha, de gefermenteerde zwarte thee. Fortune hield zich hier bezig met een soort bedrijfsspionage en probeerde theeplanten te bemachtigen. De vraag was wel hoe hij de fragiele theeplanten en -zaden vanuit het gebergte via Hongkong, Calcutta levend en wel in Darjeeling en Assam (Brits-Indië) kon krijgen. De Wardse kist bood uitkomst. De uitvinding luidde zo het begin in van de grote theeproductie in deze gebieden. En later werd er ook thee geproduceerd in Ceylon, waar Thomas Lipton zijn eerste theeplantage kocht.

In 1859 importeerde Engeland nog 32 miljoen kilo thee uit China, in 1899 was dat nog maar 7 miljoen, terwijl uit Brits-Indië al bijna 100 miljoen thee werd gehaald. Een poster maakte de Engelsen duidelijk waar hun ‘British tea’ vandaan kwam.

Where our tea comes from
Macdonald, 1937

Koffieplant

In de jaren 1860 verwoestte de bladziekte in Nederlands-Indië tienduizenden Arabica koffieplanten. Om dat verlies te compenseren, ging ons land over op de resistente Liberica. Zo schreef de directeur van ‘s Lands Plantentuin Buitenzorg op Java:

In Augustus 1874 werd eene nieuwe bezending zaden van Liberia-koffie bij den Consul te Liberia aangevraagd. Hem werd verzocht de zaden via den Leidschen Hortus naar Java te zenden. In Leiden werden de jonge planten uit dit zaad voortgekomen in twee wardsche kisten verpakt. In voortreffelijken bereiken ze Java. Jaarverslag 1875


Oliepalm

Oliepalm
Oliepalm
In de jaren 1860 arriveerde in ‘s Lands Plantentuin Buitenzorg een Wardse kist met daarin zaden en jonge oliepalmen. Vervolgens bracht men die over naar Sumatra, waar het oerwoud plaats moest gaan maken voor oliepalmplantages. Bedroeg het oliepalm-areaal aldaar in 1919 nog 5000 hectare, in 1923 was dat al 17.000 hectare en in 1928 maar liefst 50.000.

Vanwege de Industriële Revolutie was de behoefte aan palmolie zeer groot. Het werd onder meer gebruikt als industrieel smeermiddel voor machines, turbines en verbrandingsmotoren. Deze sterke stijging weerspiegelt ook de opmars in ons land van de palmolie verwerkende industrie – voedingsmiddelen, kookolie, zeep, kaarsen, diervoeders.


Sierplanten voor buiten

In mei 1840 liepen schepen uit Java de haven van Den Helder binnen met aan boord vier Wardse kisten, met daarin palmvarens, gekiemde kokosnoten en een muskaatboompje, allemaall afkomstig uit ‘s Lands Plantentuin in Buitenzorg. Op die manier belandden vele exotische sierplanten in kwekerijen, (botanische) tuinen, buitenplaatsen en begraafplaatsen van ons land. Zo ook in de tuin van de familie Metelerkamp aan de Nieuwegracht 56 in Utrecht, een sjieke buurt. Deze familie wilde alleen in de tuin geportretteerd worden, trots als zij was op de vele exotische planten daar. U ziet pijpbloem, rode oleander, sinaasappelboom, dwergpalm, alle uit het gebied rond de Middellandse Zee, de paradijsvogelbloem uit Zuid-Afrika en links van de heer des huizes een witte boompioen uit Noord-China. Overgebracht naar Nederland met behulp van de kist van dr. Ward.

Johan Heinrich Neuman, Alexander Metelerkamp en zijn gezin, 1851-52. Centraal Museum Utrecht
Johan Heinrich Neuman, Alexander Metelerkamp en zijn gezin, 1851-52. Centraal Museum Utrecht

Sierplanten voor binnen

Ook al had men exotische sierplanten in een Wardse kist vervoerd, toch bleven veel exemplaren in het Westen niet in leven. In de buitenlucht niet doordat de stoommachines de lucht daar zwaar vervuilden. En ook binnen niet, want daar werd, vanaf ongeveer 1830, de verlichting met behulp van olielampen vervangen door gaslicht. Hoe modern ook, dit licht produceerde kwalijke dampen en roet, waardoor de meeste bloemen verwelkten. Wie het zich veroorloven kon, liet daarom een kas of serre plaatsen. Of zette in de salon een chique Wardse kist vol exotische varens en orchideeën.


Tropische landbouw

In Le Jardin d’Agronomie (1899), een tropische landbouwtuin bij Parijs, was het een komen en gaan van Wardse kisten. Uit alle hoeken en gaten van het grote Franse koloniale rijk. Er zaten niet alleen tropische planten in, maar ook brieven van plantagehouders die adviezen wilden van de Parijse wetenschappers, bijvoorbeeld over hoe ze daar ver in de tropen economisch waardevolle gewassen het beste konden telen. Ze stuurden stekken en zaden mee die voor nadere bestudering en vermenigvuldiging in de Parijse proeftuin werden uitgezet. Vergezeld van de nodige botanische gegevens en teeltadviezen gingen die weer retour richting Franse koloniën. Zo ook naar Bingerville, Ivoorkust.

Vier verschillende typen Wardse kisten
Vier verschillende typen Wardse kisten
In deze tuin was ook een school voor koloniale landbouw gevestigd. Iedere keer dat daar een Wardse kist arriveerde, keken de studenten hun ogen uit. De gewassen daarin kwamen immers uit de tropen. Een belangrijke leerervaring! Eenmaal afgestudeerd kwamen de uitkomsten daarvan hen goed van pas, zeker als zij ergens in het uitgestrekte Franse koloniale rijk zélf een plantage zouden beginnen of voor het beantwoorden van vragen die Franse agrariërs hen voorlegden hoe zij tropische producten als koffie, specerijen, rijst, tabak, thee, cacao en vruchten het beste konden verbouwen. Hoe dan ook, dit alles zou tegemoet komen aan het opkomend massaconsumentisme in laat-negentiende-eeuws Frankrijk, met name de commercialisering van de Parijse metropool. Daar verschenen zelfs speciale winkels, de comptoirs des colonies, waar men producten uit de Franse koloniën kon kopen. Ook hier speelde de kist van dr. Ward een rol van betekenis. Maar dan als leermiddel.

Schaduwzijde

Het ongebreideld uitbaten van economisch waardevolle gewassen die met de kist van dr. Ward werden aangevoerd, sorteerde in de gebieden van aankomst grote, nadelige effecten op de biodiversiteit, het ecologisch evenwicht, het klimaat en op de voedselvoorziening van de lokale bewoners. Positief of negatief, het intensief gebruik daarvan – tot 1962 – had zoals in dit artikel naar voren komt op velerlei gebied ingrijpende gevolgen.

Noten & literatuur

Noten

1 – De Bree Gedenkboek van de Javasche bank, deel w, p. 432
2 – P. van der Wielen Scheikundige bijdrage tot de kennis der Java-kina 1872-1907

Literatuur
-Brain, Jessica The Wardian Case, in Historic UK, Budleigh Salterton
-Croix, Humphrey de la. Sociale geschiedenis/Epidemieën in Nederlands-Indië, Deel 2: de twintigste eeuw
-Endersby, Jim Imperial Nature. Joseph Hooker and the Practices of Victorian Science. The University of Chicago Press, 2008
-Gorkum, K.W. van Verslag nopens de Kina-cultuur op Java over 1872. In Natuurkundig tijdschrift voor Nederlandsch-Indië deel; XXXIII, 1873, pagina 283-302
-Hershey, David. ‘Doctor Ward’s Accidental Terrarium’. The American Biology Teacher. May 1996, 58, p. 276–281
-Keogh, Luke. The Wardian Case: How a Simple Box Moved the Plant Kingdom. Arnoldia, Volume 74, Issue 4, mei 2017
-Leemkolk, W.J. van de. De Rubber-Cultuur en de Rubber-Handel van Nederlandsch-Indië, Batavia, 1914
-Maylack, Jen. ‘How a Glass Terrarium Changed the World’. The Atlantic. 12 november 2017.
-Musgrave, Toby ‘The Remarkable Case of Dr Ward’ in the Telegraph 19-01-2002
-Overbeek, J.G. en W.J. Stoker ‘Malaria in Nederlandsch-Indië’ in Mededeelingen van den Dienst der Volksgezondheid in Ned.-Indië Jaargang XXVII, 1938, No. 1 — 2, p. 183-205
-Thacker, Christopher. The History of Gardens. Berkeley: University of California Press, 1985
-Vriese, W.H. ‘ De kina-boom overgebragt uit Amerika naar Java’ In Tuinbouw-Flora van Nederland en zijne overzeesche bezittingen’ 1855 p.257-271

×