Alexander Graham Bell (1847-1922) geldt als de uitvinder van de telefoon. Hoewel andere uitvinders, onder wie de Italiaan Antonio Meucci, eerder vergelijkbare apparaten ontwikkelden, was Bell degene die in 1876 het beroemde telefoonpatent verkreeg en van de uitvinding een commercieel succes maakte.
Wie vond de telefoon uit?
Alexander Graham Bell wordt meestal genoemd als de uitvinder van de telefoon, maar daar moet wel een kanttekening bij worden geplaatst. Al vóór Bell probeerden verschillende uitvinders al geluid via elektriciteit over grotere afstanden te versturen. Zo experimenteerde de Italiaans-Amerikaanse uitvinder Antonio Meucci al in de jaren vijftig van de negentiende eeuw met toestellen waarmee mensen op afstand met elkaar konden communiceren. En ook de Duitser Johann Philipp Reis en Amerikaan Elisha Gray werkten aan vergelijkbare technieken.

Alexander Graham Bell werd in 1847 geboren in het Schotse Edinburgh. Zijn vader hield zich bezig met spraakonderwijs en publiceerde onder meer over methoden om doven te leren spreken. Bell had twee broers, maar beiden overleden op jonge leeftijd. In 1870 emigreerde het gezin naar Noord-Amerika, waar het zich vestigde bij Brantford in de Canadese provincie Ontario.
Professor Stemfysiologie
Alexander Bell bleek de methode van zijn vader om doven te leren spreken goed onder de knie te hebben. Op zijn vijfentwintigste opende hij een eigen school in Boston (Massachusetts), waar hij onderwijzers leerde hoe zij met dove kinderen konden werken. Een jaar later volgde een nieuwe stap in zijn loopbaan: Bell werd door de Universiteit van Boston aangesteld als hoogleraar stemfysiologie.
Het is niet verwonderlijk dat Bells interesse in communicatie uiteindelijk leidde tot experimenten om geluid over grotere afstanden over te brengen. Bij de ontwikkeling van de telefoon kreeg hij hulp van Thomas Watson, een elektrotechnicus die hij had leren kennen in een winkel waar hij regelmatig elektrische onderdelen kocht. Aanvankelijk richtte Bell zich vooral op het verbeteren van de toen al ingeburgerde telegraaf, waarmee berichten over grote afstanden konden worden verstuurd. Hij dacht daarbij aan een soort ‘harmonische telegraaf’, waarbij met behulp van verschillende toonhoogten meerdere berichten tegelijk over dezelfde verbinding konden worden verzonden.
Bell en Watson probeerden uiteindelijk te achterhalen of het mogelijk was om, in plaats van morse-signalen, spraakgeluid direct over te brengen. Hiervoor wilden zij stemtrillingen omzetten in elektrische signalen die vervolgens naar een ontvanger konden worden gestuurd. De twee voerden onder meer een proef uit met een trillend vlies waaraan in het midden een stuk ijzer was bevestigd. Dit stukje ijzer ging meetrillen wanneer het vlies trilde en wekte zo een elektrische stroom op in een magnetische spoel.
Patent

Watson, kom onmiddellijk. Ik heb je nodig.
Volgens de overlevering zou Bell zijn collega Watson hebben geroepen omdat hij wat batterijzuur op zijn broek had gemorst. En van spreken was eigenlijk geen sprake. Naar eigen zeggen moest Bell door de hoorn schreeuwen om zich verstaanbaar te maken. Maar het belangrijkste was dat het signaal, hoe onduidelijk ook, bij zijn assistent aankwam.
IJzeren membraan
Opvallend is dat de Amerikaanse uitvinder Elisha Gray op dezelfde dag, 14 februari 1876, eveneens patent aanvroeg op een telefoon. Zijn aanvraag volgde slechts twee uur na die van Bell. Gray gebruikte voor zijn toestel een ijzeren membraan in plaats van een vlies, wat betere resultaten opleverde. Bell onderscheidde zich echter doordat hij meer oog had voor de toekomstige mogelijkheden van de telefoon én voor het commerciële potentieel van de uitvinding. Tegenwoordig is het moeilijk voor te stellen dat niet iedereen het nut van de telefoon onmiddellijk inzag, maar dat was destijds wel degelijk het geval. Illustratief is een uitspraak van de Amerikaanse president Rutherford B. Hayes, die over Bells toestel zei:
Een verbazingwekkende uitvinding – maar wie zou ooit zo’n ding willen gebruiken?
Enkele maanden nadat Bell zijn patent had ontvangen, waren hij en Watson zover dat zij de telefoon commercieel konden gaan exploiteren. Het huidmembraan was inmiddels vervangen door een ijzeren exemplaar. Samen richtten zij de Bell Telephone Company op. Binnen tien jaar beschikten ongeveer tienduizend Amerikaanse huishoudens over een telefoon.
Decibel & Alexander Graham Bell

De bekende uitvinder Thomas Edison bracht verschillende verbeteringen aan de telefoon van Bell aan. Dankzij die aanpassingen konden telefoongesprekken uiteindelijk worden gevoerd tussen de Atlantische en de Stille Oceaankust, terwijl het oorspronkelijke toestel van Bell slechts een bereik van ongeveer tien kilometer had.
De eenheid voor logaritmische vermogensverhoudingen werd naar Alexander Graham Bell vernoemd: decibel. Anders dan soms gedacht heeft het Nederlandse werkwoord ‘bellen’ (als aanduiding voor het voeren van een telefoongesprek) niets met de naam van de Schots-Amerikaanse uitvinder te maken.
Thomas Edison (1847-1931) – Uitvinder van de gloeilamp
Nikola Tesla, de geniale grondlegger van het wisselstroomsysteem
Korte geschiedenis van WhatsApp
Jaren ’50-’70: weinig en vooral kort telefoneren