Dark
Light

Grasspoint, Isle of Mull

Chaotische, hilarische en boheemse taferelen op een ‘Engelse’ weide in Schots heuvelland
Auteur:
15 minuten leestijd
De pier van Grasspoint
De pier van Grasspoint - Foto: Henny de Groot

Schotse toestanden

Het stenen piertje van Grasspoint, een vlakke landtong bij de monding van Loch Don aan de oostkust van het Schotse eiland Mull, ligt er heden ten dage verlaten bij. Er varen weliswaar drie veerponten af en aan naar het eiland voor de westkust, maar aan het vergeten Grasspoint gaan ze voorbij. In Craignure, Fishnish en Tobermory, alle drie gelegen aan de belangrijke vaarroute de Sound of Mull, zijn modernere aanlegplaatsen gebouwd die behoorlijke groepen reizigers kunnen verwerken. Want hoewel het op Mull nooit echt druk is, is het aantal toeristen dat het eiland wil bezoeken groeiende. En terecht. Het is een prachtig stuk Schotland waar de tijd stil lijkt te hebben gestaan. En nergens is dat zo voelbaar als op het afgelegen Grasspoint.

Maar dat was ooit wel anders. Samen met een natuurlijke aanlegplek nabij de ruïne van Aros Castle bij het dorpje Salen aan de Sound of Mull, was Grasspoint, dat vroeger Achnacraig heette, de meest geschikte aanlegplek van het eiland. Omdat Grasspoint veel dichter bij het havenstadje Oban op het vaste land ligt dan Salen, en omdat een zo kort mogelijke oversteek van de Firth of Lorn in herfst- en winterweer vóór de introductie van motorvaartuigen van groot belang was, nam Grasspoint van nature de eerste plaats in.

Ergens in de eerste helft van de negentiende eeuw kwam er een scheepje over de Firth aanvaren met in plaats van een mast en een zeil een hoge schoorsteen, die een grauwe rookwolk uitbraakte. Er klonk een harde fluittoon over het water die de koeien en schapen op de vlucht deed slaan.

Het schip legde aan bij het piertje van Grasspoint en ontscheepte goedgeklede toeristen in tweed kostuums en zijden japonnen met bijpassende lederen koffersets, alsof ze uit een schilderij van Jack Vettriano kwamen stappen. Na een verfrissing, maaltijd of bed in The Drover’s Inn, de oude herberg vlak naast de pier, brachten rijtuigen ze naar Tobermory, het hoofdstadje van het eiland.

Veemarkt

Per rijtuig van Grasspoint het eiland over was een hele belevenis. Het begrip ‘weg’ is op Mull en de andere Hebriden-eilanden relatief nieuw. In de negentiende eeuw sprak men nog van ‘rathaidean‘ (paden, onverharde wegen) voor voetgangers, ruiters en karren en ‘rathaidean dròbhaidh’ (veepaden, ‘drove roads’ in het Engels) voor herders met hun kuddes (‘drovers’).

Vooral die laatste groep maakte druk gebruik van Grasspoint’s pier en herberg. De kans was groot dat ze van de veemarkt van Druim Taighe kwamen, een verzameling plaggenhutten en tenten midden op de heide van noord Mull. Daar werd in de achttiende en negentiende eeuw driemaal per jaar vee van Mull en andere westelijke eilanden verhandeld om op de veemarkten in de Schotse Laaglanden en Noord Engeland doorverkocht te worden. Op de drove road die van de markt naar Grasspoint voerde zal het een drukke bedoening geweest zijn. Slechts een klein deel van de verhandelde dieren werd via Salen verscheept, naar veemarkten aan de overkant van de Sound of Mull.

De markt heette voluit Druim Taighe Mhic Gille Chatain. ‘Het Dak van het Huis van de Zoon van Sint Catan’s Volgeling,’ verklaart Ronald Black van de Society of Highland & Island Historical Research, ‘tenzij er vlakbij een heuvel ligt die op het dak van een huis lijkt.’ Druim kan dak maar ook heuvelrug betekenen.

Die markten waren ware volksfeesten – cattle fairs – die veel bezoek trokken. Ze duurden een week, dus ontbraken bier- en eettenten niet tijdens de markten op de heide. Naar alle waarschijnlijkheid waren er optredens van doedelzakspelers en van barden die in het Gaelic heroïsche liederen en gedichten ten gehore brachten.

The Drover's Inn. Links omcirkeld de betonnen zeehond
The Drover’s Inn. Links omcirkeld de betonnen zeehond – Foto: Henny de Groot

Whisky

Typisch Schots is ook de vorm die het veetransport van Grasspoint naar Oban aan de vaste wal kon aannemen. Natuurlijk waren er schuiten voor alle soorten vee voorhanden op Grasspoint. Een heleboel zelfs, want veehandel was heel belangrijk in die eeuwen. De economie van de Hooglanden en de Westelijke Eilanden steunde er op.

Voor het vervoer kon je schuiten huren van boer Gregorson van Achnacraig Farm. De familie Gregorson, oorspronkelijk MacGregor, had een erfelijke huurovereenkomst van de landtong, inclusief The Drover’s Inn en de veerdienst, met de eigenaar, de Hertog van Argyll. Sommige grote handelaren bezaten ter plaatse hun eigen vaartuigen, zodat ze niet van Gregorson afhankelijk waren.

Tijdens Druim Taighe heerste er topdrukte op Achnacraig. Iedere veehandelaar trok met zijn aangekochte vee van de fairground op de heide naar Mull’s oostkust. Het duurde waarschijnlijk niet lang alvorens Gregorson door zijn schuiten heen was en nee moest verkopen. De stroom blatende en loeiende dieren vertoonde intussen geen tekenen af te nemen. Spoedig dreigde Grasspoint overvol te raken en kwamen er dieren achter de herberg in het ondiepe water terecht van Camas A’Bhalaich (Baai van de Jonge Man, de precieze oorsprong van de naam is helaas verloren gegaan). Hard werken was geboden, desnoods de klok rond.

Sterke jonge drovers werden in The Drover’s Inn met whisky in de juiste stemming gebracht, waarna ze vervuld van werklust aan de gang gingen om het vee over het hellende deel van de pier aan boord van de wachtende veeschuiten te drijven. Tegelijkertijd lagen talloze schuiten die terugkeerden van de overkant in Camas A’Bhalaich op nieuwe ladingen dieren te wachten. Misschien werden dieren die in het gedrang in het water beland waren aan boord van een lege schuit geholpen. Iets dat keurig wachtende handelaren misschien afkeurden. Het lawaai op Grasspoint maakte het er allemaal niet kalmer en veiliger op. Chaos lag op de loer.

The Drove Roads of Scotland
The Drove Roads of Scotland
Het standaardwerk The Drove Roads of Scotland van A.R.B. Haldane uit 1997 geeft daar een voorbeeld van. Een veetransport begin negentiende eeuw bij Port Askaig op het veerijke eiland Islay werd stilgelegd toen de situatie, in ambtelijke taal, ‘door een surplus aan whisky tot verwonding van het vee en van de eigenaren ervan’ had gevoerd. Wachtend op lege veeschuiten brachten de drovers hun tijd in de plaatselijke herberg door met ‘rellerig en continue drinken, zoals hun gewoonte was,’ aldus dezelfde ambtenaar. Alleen ‘restrictie tot een pint whisky per dertig stuks vee’ had de rust doen wederkeren. Ook op Grasspoint moeten dergelijke en andere wilde scènes voorgevallen zijn. Ooit werd de herbergierster dood op het piertje aangetroffen. Een ander, potentieel fataal, voorval wordt verderop beschreven.

Op het eilandje Kerrera in de Firth of Lorn werden de dieren ontscheept. Het konvooi van lege schuiten keerde zo snel mogelijk weer terug naar Mull voor nieuwe ladingen. Bij Ardantrive Hill (‘Headland of Swimming’) aan de noordoostkust van Kerrera werden de dieren in groepen van zes tot acht kop aan staart aaneen gebonden en vanuit roeiboten het water in getrokken. Die zevenhonderd meter naar Oban moesten ze maar zwemmen.

Vanuit Oban volgde de lange trek naar de markten in het zuiden, over de eeuwenoude drove roads en vanaf begin zeventiende eeuw en vooral in de grensregio over raiks, vijftien tot dertig meter brede met gras begroeide banen, aan beide kanten afgezet met hagen of muurtjes om te voorkomen dat het vee omliggend grasland en akkers in struinde. Een soort historische snelwegen voor vee: to raik betekende volgens woordenboeken in die tijd to move with speed. Ervan afgeleid is het woord raker: vagebond, zwerver.

Lowlanders en Noord-Engelsen koesterden vanouds een diep wantrouwen jegens die zwervers uit de Hooglanden. Als er op hun keurige marktpleinen weer zo’n troepje vervuilde rakers in geruite plaids aan kwam lopen, met een kudde uitgeput vee, keken de bewoners elkaar hoofdschuddend aan.

‘Het is eersteklas vee wat die gasten verkopen, dat wel,’ zeiden ze tegen elkaar, ‘maar je zou er het liefst eerst de brandspuit op zetten. En op die beesten ook…’

Engelse toestanden

De naam Grasspoint, die de Gaelic naam Achnacraig – field of the rock – vervangen heeft, is afkomstig van Engelse toeristen die er van de boot stapten, het piertje afliepen en de grazige vlakte betraden die in scherp contrast stond met het heuvelachtige tot rotsachtige karakter van de rest van het eiland. De eilandbewoners zelf noemden het Port an t-Sassenach, Port of the Saxons (Engels-sprekers). Walter Scott schrijft ergens

‘He that lifts a drove from a Sassenach laird, is a gentleman-drover.’

Dat geeft de sfeer wel zo’n beetje aan.

Port an-t Sassenach. Op de achtergrond The Drover's Inn
Port an-t Sassenach. Op de achtergrond The Drover’s Inn – Foto: Mike and Jen Swift, High Oatfield B&B, Gorten, Isle of Mull

Port an t-Sassenach is niet de naam van het piertje maar van een nauwe inham van een meter of twintig breed die even ten zuiden ervan het land in steekt en eindigt in een smal strandje. Het is ideaal om allerhande vaartuigjes het land op te trekken en dat zal in vroeger tijden ook het geval zijn geweest. In welk jaar de pier is aangelegd is onbekend. Gezien de ruwe stenen en de verroeste klampen die ze hier en daar bijeen houden is het lang geleden. Het bouwsel straalt een verloren gegaan vakmanschap uit. Maar er zijn aanwijzingen over de leeftijd.

Ten eerste ligt het voor de hand dat de aanleg van een pier op zo’n belangrijke plaats wenselijk werd zodra de eerste stoomschepen in Schotse wateren verschenen, in de eerste helft van de negentiende eeuw. De nauwe inham kon ze onmogelijk ontvangen. Er bestaat een document met notulen van een vergadering van de Districtsraad van Argyll over de jaren 1840 tot 1859, waarin de pier van Achnagraig genoemd wordt.

Volgens een ander, nogal hilarisch document bestond de pier in elk geval in 1872. Een verslag van de Openbare Aanklager van Argyll verhaalt over een gebeurtenis op 5 november van dat jaar die bijna fataal afliep. Ook hier was sprake geweest van een ‘surplus aan whisky.’ De herbergier in die tijd was ene Donald MacGillivray. Hij was ook degene die het postbootje tussen Mull en Oban runde. Tijdens zijn afwezigheid arriveerde er een rijtuig op Achnacraig. Eigenaar Charles Black vervoerde een zeeman genaamd Donald McVean. McVean was op weg naar huis, op de vaste wal. Het tweetal had al een tussenstop in Craignure Inn achter de rug toen ze Grasspoint opreden.

Tijdens een bezoek aan The Drover’s Inn verliet McVean in beschonken toestand plotseling de herberg. Charles Black: ‘Ik zag McVean de pier oplopen en in een roeibootje stappen. Hij maakte het los en voer rond de pier de zee op. Mrs. MacGillevray en ik holden de pier op en riepen de zeeman toe onmiddellijk terug te keren. Er stonden nog wat rekeningen open.’ Toen dit geen resultaat had, verdween de herbergierster naar binnen en keerde even later terug met een dubbelloopsgeweer in handen en een verbeten trek op haar gezicht. Black nam haar het geweer af en trachtte het op het bootje te richten, terwijl Mrs. MacGillevray van opzij verwoede pogingen deed de trekker over te halen. Er klonk een schot, maar er vielen gelukkig geen slachtoffers. ‘We volgden McVean langs de kust en ik vuurde de tweede loop af. Het schot deed alleen water opspatten.’

Hoewel het tweede schot hem volgens de schutter dus eveneens miste, was de zeeman inmiddels bij zinnen gekomen. Hij keerde wijselijk terug naar de pier, bond het bootje vast, betaalde de rekeningen voor whisky en vervoer en verdween in de richting van Craignure. Nadat er in het bootje toch hagelkorrels aangetroffen waren, werd Charles Black gearresteerd en beschuldigd van reckless discharge of a firearm.

Johnson en Boswell

De oude naam Haven van de Sassenach wijst er op dat er al Engelsen op het eiland arriveerden voordat het piertje aangelegd werd. In 1773 lieten dr. Samuel Johnson, literair genie en de maker van het beroemde A Dictionary of the English Language uit 1755, en zijn biograaf James Boswell de Britse hoofdstad achter zich voor een tocht door de Hebriden. De beide bestsellers die de heren na terugkeer over hun avontuur schreven, A Journey to the Western Islands of Scotland van Johnson en The Journal of a Tour to the Hebrides with Samuel Johnson van Boswell, wekten bij hun lezers en die van latere schrijvers als Walter Scott en James MacPherson het verlangen om naar Schotland te reizen en het met eigen ogen te aanschouwen. Johnson en Boswell deden op de terugreis Grasspoint aan en bezorgden aldus – wie weet als eersten – het haventje z’n bijnaam Haven van de Engelsen.

A Journey to the Western Islands of ScotlandJohnson, een forse, corpulente zestigplusser die immer getooid was met een warrige grijze pruik, had de gewoonte zijn reisgenoot onderweg op uitweidingen te trakteren over de onwelriekende, primitieve Gaelic-sprekers die ze op de westelijke eilanden tegenkwamen. Het wiel was er volgens hem kennelijk nog niet uitgevonden. Maar ook kon hij in relativerende goedmoedigheid vervallen. Het was op die momenten alsof de last van zijn formidabele kennis Johnson neerdrukte. Toen ze tijdens de terugreis op Mull in het pad de afdrukken van karrewielen bespeurden, werd hij euforisch. Het was lang geleden dat ze dat meegemaakt hadden: civilisatie. Hij beschreef zijn vreugde als die van een reiziger die voortwandelt op wat hij vreest een onbewoond eiland te zijn, en dan plotseling in het zand de afdruk van een menselijke voet ziet.

Bij Port an t-Sassenach wachtte hen hun veer naar het vasteland: een schuit waarvan de vloer bedekt was met, in Johnsons woorden, a heap of rough brushwood. Haldane spitst het in The Drove Roads of Scotland toe op rijshout van berk of wilg, vermengd met heide en varen. Deze bodembedekking werd gebruikt in veeschuiten. Het beschermde de wanden en bodemplaten van de schuiten zo goed als mogelijk tegen stront, pis en gestamp en geschraap van hoeven en hoorns.

Aldus werden de beide Sassenach weinig ceremonieel naar de civilisatie teruggevaren. Het is te hopen dat de bodembedekking ververst was. De heren laten zich in hun boeken echter niet uit over enig ongemak tijdens de oversteek. Integendeel, de beschaving wenkte en Johnsons lach zal, nu het afscheid van de armoede en de onwelriekendheid nabij was, over het water geschald hebben.

Restauratie

In 1947 kwam de excentrieke beeldhouwer Lionel Leslie, een volle neef van Sir Winston Churchill, met zijn vrouw Barbara en dochters Delphi (uit Barbara’s eerste huwelijk) en Leonie naar Grasspoint. Delphi, vijftien jaar oud, hield het vlug voor gezien in the country en keerde terug naar Londen. Ze wilde actrice worden en ging studeren op de Royal Academy of Dramatic Art (RADA). Maar haar ouders hadden genoeg van de metropool en waren van zins om op het rustieke Mull opnieuw te beginnen. Het echtpaar was door een neef van Lionel getipt over de mogelijkheden die Grasspoint daartoe bood. ‘The Ferry House is precies wat jullie zoeken. Het moet alleen een beetje opgeknapt worden…’

The Drover’s Inn was vervallen tot een ruïne waarin een Gregorson koe en enige van zijn kippen domicilie gevonden hadden. De Leslies huurden het huis tegen een zachte prijs voor de duur van vijftig jaar en gingen aan de slag. Leslie beschikte over weinig geld maar had een paar gouden handen. Hij was niet alleen handig met hamer en beitel, maar had voor zijn vertrek naar Schotland in Londen enige jaren als bouwvakker gewerkt. Een anekdote uit die tijd vertelt hoe z’n collega’s de geletterde bohemien met goedmoedige spot bejegenden, tot op zekere dag tegen het middaguur een Rolls Royce bij de bouwplaats stopte waar Winston Churchill uit stapte, die zijn neef uitnodigde de lunch in zijn club te komen nuttigen. Nadien werd Leslie er toch met andere ogen bekeken. En ook Barbara was niet onhandig. Ze had al eens twee krotten met eigen handen opgeknapt. Het echtpaar kwam dus beslagen ten ijs.

De eerste jaren op Grasspoint waren niettemin zwaar. Er was geen elektriciteit, stromend water of riolering. Het dichtstbijzijnde drinkwater kwam uit een bron op driehonderd meter afstand. De vensters waren sponningloze gaten. Vloeren waren verrot en plafonds omlaag gestort. Maar niet alles was rampzalig. Er waren konijnen, hazen, gevogelte, vis, groenten en aardappelen in overvloed, terwijl die in naoorlogs Engeland veelal nog op rantsoen waren.

Voor kozijnen en vensters schreef de vindingrijke Lionel een vroegere collega uit zijn bouwvakkerstijd in Londen aan, die het benodigde, de rantsoenering van bouwmateriaal omzeilend, uit gebombardeerde gebouwen verwijderde en ze naar Mull verscheepte. Van een venster in de voorzijde van de barn, de stal naast het huis, is deze excentrieke herkomst duidelijk te zien. Het doet het gebouwtje op een vreemde manier op een kerk lijken.

Er was een onverhard pad dat naar Craignure liep, op ongeveer zes mijl afstand. Na verschillende moeizame tochten met de fiets om materiaal te halen, werden ten einde raad een ezel genaamd Jenny en een kar aangeschaft, die naast het aanvoeren van bouwmateriaal en afvoeren van puin ook gebruikt werden om water uit de bron in iets praktischer hoeveelheden naar het huis te vervoeren. Lionel werd het moe om steeds in het donker in weer en wind met een zaklantaarn de bron te vinden en met een paar kannen water terug naar het huis te wankelen.

Op het karretje werd een watertank gemonteerd en vervolgens vervoerde Jenny iedere ochtend voldoende vers drinkwater voor de hele dag. De enige die met deze opzet minder gelukkig was, was Jenny zelf. Maar ze was slim. Het werd iedere ochtend lastiger om haar op te sporen. Op den duur was Lionel daar langer mee bezig dan met zelf water halen. Als alternatief voor Jenny, die een sterke band met Leonie had, kocht hij in de garage van Craignure een twaalf jaar oude Hilman, die het volgens de garagist…

‘…nog prima deed de laatste keer dat ik hem startte…’

Aangezien het huis lager gelegen was dan de bron, legde Lionel een systeem van pijpen aan waardoor het water vanzelf naar het huis aan zee stroomde. In december 1947 legde een loodgieter uit Craignure leidingen aan en op kerstavond kwam er, vermoedelijk alleen beneden, eindelijk helder bronwater uit de kranen.

Hoogtij

Na vier jaar hard werken was het huis klaar. Nu braken weer hoogtijjaren aan voor The Drover’s Inn. Het huis was weliswaar niet langer in gebruik als herberg, maar dat zou je gezien de bootladingen vol vrienden van het echtpaar en bewonderaars van de kunstenaar niet zeggen. De barn was verbouwd tot atelier en kunstgalerie en een ommuurde tuin achter het huis toonde Lionels sculpturen. Artiesten uit heel Mull kwamen bij de Leslies hun stukken tentoonstellen. Het was er een drukte van belang en Barbara startte een tea room.

One Man’s World - Lionel Leslie
One Man’s World – Lionel Leslie
Wat ook hielp om de galerie tot een succes te maken was de aanleg in 1966 van een verharde weg naar Craignure. Een lange staking van de zeeliedenvakbond op de pier aldaar dwong het zondagse postschip uit Oban om weer aan de oude pier van Grasspoint aan te leggen. Daarmee leek de cirkel rond, want ooit fungeerde de herberg als postkantoor voor het hele eiland.

Wanneer er bezoek was trakteerde de bohemien het gezelschap op anekdotes uit zijn vooroorlogse bestaan als wereldreiziger en als kunstenaar in het kleurrijke Parijse Montparnasse, waar hij het vak van beeldhouwer geleerd had. Dat deel van zijn bijzonder avontuurlijke leven staat beschreven in zijn autobiografie One Man’s World. Jammer genoeg stopt die met de aankondiging naar Mull te gaan. Het leven op Grasspoint beschreef Leslie in The Drover’s Inn. Het Mull Museum in Tobermory bezit een exemplaar van dit in eigen beheer uitgegeven en zeldzame boekje, dat liefhebbers en vrienden destijds konden kopen voor zestig pennies per stuk.

Het betonnen beeld van de zeehond
Het betonnen beeld van de zeehond – Foto: Henny de Groot
In het boekje vertelt hij talloze anekdotes, zoals die over de levensechte betonnen sculptuur van een luierende zeehond, die hij op de stenen aan het water bij de pier neerlegde. Eén van de redenen om het beeld te maken en buiten tentoon te stellen was, zo geeft hij toe, om bezoekers op het verkeerde been te zetten.

‘Soms sluipen ze er voorzichtig naar toe om een foto te maken voor hij het water in duikt…’

…verklaart hij en je ziet zijn glinsterende oogjes voor je. De zeehond ligt er nog steeds.

Ook de techniek die Barbara gebruikte om de tapijten te reinigen uit de tien kamers die de voormalige herberg rijk was is vermeldenswaardig. Ze waren vervaardigd uit een grote partij katoenen munitiebanden die Barbara tot vloerkleden aaneen genaaid had. Ze schoof in iedere kamer de salontafel opzij – omgekeerde houten vis- en kreeftenkratten, als bohemien heb je levenslang – rolde de tapijten op en droeg ze een voor een naar Camas A’Bhalaich achter het huis. Daar pinde ze ze bij eb onder de vloedlijn vast om ze door het opkomende getij te laten schoonspoelen. Gedurende laagtij haalde ze ze weer op en legde ze op het gras te drogen. Uit de jute zakken waarin de banden verpakt hadden gezeten werden door Barbara’s moeder kleurig geborduurde gordijnen vervaardigd.

Met de dood van het echtpaar Leslie vlak na elkaar in 1986 en ’87 kwam er een eind aan het bruisende en excentrieke country life bij The Drover’s Inn. Diepe rust keerde weer op Grasspoint. Er volgde nog een kort bezoek van een Amerikaanse dame, de inmiddels gepensioneerde actrice Delphi Lawrence, Barbara’s oudste dochter. Ze had het gemaakt in Hollywood en had ook vele rollen gespeeld in Britse films en in TV series als The Saint (Cora in The Man Who Was Lucky) en The Avengers (De Wrekers, Lisa in Square Root of Evil). Toen ze vernam dat het huis een huurwoning was en geen eigendom, keerde ze teleurgesteld terug naar de States. Ze stierf in 2002 in Long Island, New York. Het huis is inmiddels te huur als vakantiewoning.

Gerelateerd:

Kees Slings is een gepensioneerde bioscoopoperateur die verhalen en artikelen schrijft over Engelse en Schotse geschiedenis. Hij heeft ontelbare vakanties doorgebracht in alle windstreken van het Verenigd Koninkrijk, met als specialisme het bezoeken van historisch belangrijke of dramatische locaties.

×