Voorbij de bekende wereld
Alle Grieken beschouwen u als wijs en u staat in hoog aanzien. Maar als u nog in die verre uithoek van de wereld zou wonen, zou er niet over u gesproken worden.
Zo spreekt de Griekse held Jason tot zijn vrouw Medea, die hij meenam uit de afgelegen streek Colchis nadat zij hem alle middelen had gegeven voor het volbrengen van zijn pogingen om het Gulden Vlies op haar vader, koning Aietes, te veroveren. In deze beknopte passage in de tragedie Medea van de Griekse toneelschrijver Euripides uit de vijfde eeuw v.Chr., verwoordt Jason een hardnekkige opvatting over het leven in de uithoeken van de wereld.

Volgens veel klassieke auteurs waren die uithoeken het domein van monsterlijke mensensoorten. Libië was het land van Medusa en haar Gorgonenzusters, India was bevolkt met mannen die hun overleden vaders opaten als uiting van respect, en noordelijke landen zoals Gallië en Scythië zaten vol met koppensnellers en kannibalen. Dit waren ook de streken waar de wereldorde werd omgedraaid, waar vrouwen macht hadden en naast de mannen in legers vochten. Het meest extreem in de uithoeken van de bekende wereld waren de Amazonen, vrouwelijke krijgers die mannen uit hun samenleving weerden.
Wat Jason met zijn woorden bedoelt is duidelijk: door Medea mee te nemen uit Colchis, in een uithoek van de toen bekende wereld, had hij haar uit een barbaars leven bevrijd. Ondanks de ontberingen die ze nu moest doorstaan als alleenstaande moeder van Jasons twee zonen, verlaten door haar man die een nieuwe vrouw had gevonden, deed dit geen afbreuk aan de vele voordelen die het haar al die jaren daarvoor had opgeleverd toen hij haar weghaalde uit het paleis van haar vader. Het land Colchis lag aan de oostkust van de Pontus Euxinus, oftewel de Gastvrije Zee, tegenwoordig beter bekend als de Zwarte Zee. Jasons beschrijving van Medea’s thuisland in de uithoek van de wereld is niet zomaar een poëtische overdrijving, maar weerspiegelt eigenlijk een bredere Griekse kijk op de regio. Colchis lag net ten zuiden van het Kaukasusgebergte, waar de oppermachtige god Zeus de titaan Prometheus aan een rots vastbond omdat hij het vuur van de goden had gestolen om aan de mensheid te geven. Elke dag werd zijn lever aangevreten door een adelaar. Het land Colchis lag tussen twee werelden. De rivier de Phasis liep erdoorheen en werd door schrijvers uit de oudheid beschouwd als de natuurlijke grens tussen Europa en Azië, vergelijkbaar met de Nijl die Azië scheidde van Libië − wat we nu als de rest van Afrika zouden beschouwen.

Eeuwen later beschreef de eerste-eeuwse Romeinse geograaf Strabo de bewoners rond de Zwarte Zee in vage Romeinse termen, maar het beeld dat hij schetst is duidelijk. De ‘Scythen’ zijn een volk dat in andere bronnen uitgebreider beschreven wordt, maar voor nu is het belangrijk om op te merken dat Griekse en Romeinse schrijvers erg inconsequent waren in hun etikettering van stammen en volkeren. Ze groepeerden regelmatig mensen die niet noodzakelijkerwijs een culturele of etnische eenheid vormden zoals wij die definiëren. Zo beschrijft Strabo de Zwarte Zee, vóór de Griekse kolonisatie:
[Hij] werd Axenus [of de ongastvrije zee] genoemd vanwege zijn stormachtige wateren en de woeste aard van de volkeren die er leefden, in het bijzonder de Scythen die vreemdelingen offerden, hun vlees aten en hun schedels als drinkbeker gebruikten.

De ironie is dat er Grieken in Colchis woonden. Ongetwijfeld dachten de schrijvers die de regio beschreven niet aan de Griekse inwoners, maar het roept wel de vraag op: als het land zo geïsoleerd was en de mensen zo barbaars, wat deden de Grieken daar dan? En, nog belangrijker, wat vonden ze van hun buren? Colchis, evenals een groot deel van de Zwarte Zee, zag van de zevende tot de zesde eeuw v.Chr. Griekse kooplieden en kolonisten arriveren. De naam van de belangrijkste rivier in de regio, de Phasis, was ook de naam van een Griekse stad die was gesticht om te profiteren van een netwerk van onderling verbonden rivieren die door Colchis kronkelden. Het gebied was misschien niet puur Grieks, maar er waren zeker nederzettingen met Griekse bewoners die het hun thuis noemden.
Aan het begin van de vierde eeuw v.Chr. trok een Grieks leger van huurlingen, bekend als de Tienduizend, het land Colchis binnen als onderdeel van hun lange terugtocht uit Babylonië na hun nederlaag in de Slag bij Cunaxa (401 v.Chr.). Zoals elk leger in die tijd, begonnen de Grieken met het plunderen van de omgeving voor voedsel en buit. Ze waren gelegerd in het Griekse stadje Trapezus, waar de inwoners probeerden een markt op te zetten waar de huurlingen voedsel en proviand konden kopen. Voor de Tienduizend was het plunderen van het barbaarse Colchis een tweede natuur, daarom zijn de acties van de Grieken van Trapezus bijzonder verhelderend:
En de Trapezuntiërs zetten een markt op voor het leger, ontvingen de Grieken vriendelijk en gaven hun ossen, gerstemeel en wijn als welkomstgeschenken. Ze namen ook deel aan onderhandelingen met de Grieken namens de naburige Colchiërs, die merendeels op de vlakte woonden, en ook van deze mensen ontvingen de Grieken ossen als welkomstgeschenk.
Door op te treden als onderhandelaars, mediators als het ware, tussen het Griekse leger en de niet-Griekse inwoners, benadrukten de mensen van Trapezus de noodzaak van lokale samenwerking. Om zo ver van het Griekse vasteland te overleven, en om handel te kunnen drijven, was het voor de Grieken belangrijk om goed om te gaan met de bewoners ter plaatse. Het huurlingenleger verstoorde het lokale evenwicht. Ze behandelden de regio alsof die in een uithoek van de wereld lag, en de bewoners barbaren waren en geen respect verdienden. Maar de mensen van Trapezus wisten wel beter, en door de Colchiërs met een beetje waardigheid te behandelen, zo vertelt Xenophon, werden de bezoekers beloond met ossen.

Vertaling Aad Janssen en Joost Pollmann