Dark
Light

Sainte-Adresse, tijdelijke ‘hoofdstad’ van België tijdens de Eerste Wereldoorlog

10 minuten leestijd
Hotel in Sainte-Adresse waar Belgische ministers tijdens de Eerste Wereldoorlog een onderkomen vonden, 1914
Hotel in Sainte-Adresse waar Belgische ministers tijdens de Eerste Wereldoorlog een onderkomen vonden, 1914 - Foto: Bibliothèque nationale de France / Europeana

De Franse badplaats Sainte-Adresse ligt aan het uiterste puntje van de monding van de Seine, langs steile rotsen vlakbij de grote havenstad Le Havre. Hoewel op meer dan 300 kilometer van de Belgische grens, was ze gedurende vrijwel de hele Grote Oorlog de zetel van de Belgische regering.

Toen de Duitse legers op 4 augustus 1914, bij het begin van de Eerste Wereldoorlog, het neutrale België binnenvielen, maakten koning Albert I en zijn regering zich geen illusies dat ze die invasie zouden kunnen tegenhouden. Er werden voorbereidingen getroffen om Brussel te verlaten en uit te wijken naar het 40 kilometer noordelijker gelegen Antwerpen.

Entree van het Koninklijk Paleis op de Meir in Antwerpen
Entree van het Koninklijk Paleis op de Meir in Antwerpen (CC BY 4.0 – Jo Braeken – wiki)
Daarmee werd een al veel eerder opgesteld plan uitgevoerd. Het was de bedoeling dat in geval van oorlog Antwerpen een “nationaal reduit” zou worden. De stad was omringd door een zwaarbewapende dubbele fortengordel. Bovendien leek de havenstad aan de Schelde niet meteen bedreigd. Het doel van de Duitse inval in België was immers om zo snel mogelijk naar Frankrijk door te stoten. De verovering van Brussel, als knooppunt van wegen en spoorwegen richting Parijs was voor de Duitsers essentieel, maar de Schelde en Antwerpen lieten ze letterlijk rechts liggen.

Toen het 300.000 man sterke Eerste Duitse Leger op 20 augustus Brussel binnenrukte, waren de regering, de koninklijke familie en de voornaamste instellingen naar Antwerpen overgeplaatst. Dat gold ook voor het Rijksarchief en de goudvoorraden van de Nationale Bank. De koning en zijn gezin logeerden in het Koninklijk Paleis op de Meir, de ministeries waren ondergebracht in diverse gebouwen, zoals het Koninklijk Atheneum. Kamer en Senaat konden in schouwburgen vergaderen, hoewel dat in de praktijk niet zou gebeuren.

Lang zou Antwerpen niet de rol van hoofdstad kunnen spelen. Toen de Duitsers begin september een nederlaag leden aan de Marne en het duidelijk werd dat ze niet snel Parijs zouden veroveren, probeerden ze heel België en Noord-Frankrijk te bezetten. Daarbij zou het “nationaal reduit” niet lang standhouden. De forten rond Antwerpen bezweken snel onder de superzware granaten van de “Dikke Bertha’s”. Op 10 oktober gaf de stad zich over, maar het gros van het Belgisch leger wist via een noodbrug over de Schelde naar het westen uit te wijken, richting kust.

Koning Albert in het uniform van het Belgische Leger
Koning Albert in het uniform van het Belgische Leger
De regering streek even neer in Oostende, maar door de snelle opmars van het Duitse leger moest er al meteen naar een nieuwe uitwijkplaats worden uitgekeken, en wel in het buitenland. Enkele ministers hadden naar Londen willen gaan, maar omdat de kans groot was dat het Belgische leger zich tot in Frankrijk zou terugtrekken, werd besloten om zich aan de Franse Kanaalkust te vestigen.

Op 11 oktober liet Frankrijk weten dat de Belgische regering welkom was in Sainte-Adresse. Twee dagen later namen de meeste ministers vanuit Oostende de boot naar Le Havre. De koning bleef bij zijn leger om slag te leveren op het laatste stuk Belgisch grondgebied. Op 17 oktober werd in de nieuwe regeringszetel voor het eerst een nummer van het Belgisch Staatsblad gedrukt. Het zou er vier jaar verschijnen.

Eind oktober kon de Duitse opmars dan toch worden stopgezet door de IJzer, een rivier op amper 15 kilometer van de Franse grens, te doen overstromen. Het Belgisch leger wist uiteindelijk vier jaar stand te houden achter de ondergelopen polders.

Zo bleef een stuk Belgisch grondgebied, de Westhoek, vrij van Duitse bezetting. Koning Albert, die als opperbevelhebber zo dicht mogelijk bij zijn troepen wilde blijven, vestigde zich in een villa in De Panne, op de meest westelijke bewoonde plek van het land. Er was echter geen sprake van dat de regering zich daar zou vestigen. Het stuk onbezet België was immers bijzonder klein – nog geen duizend vierkante kilometer – en zowat de helft daarvan lag gevaarlijk dicht bij het front, zodat de burgerbevolking er was geëvacueerd. Dat was het geval voor Ieper, de grootste stad in het gebied, dat gedurende de oorlog bijzonder zwaar zou worden beschoten.

In de stadjes en dorpen die niet meteen onder vuur lagen, waren er geen geschikte verblijfplaatsen voor de ministers, hun medewerkers en ambtenaren, laat staan voor de vele anderen die hen vergezelden, zoals de buitenlandse diplomaten. Ook voor het Belgisch leger dat dit laatste stukje grondgebied moest verdedigen, was er nauwelijks ruimte. Te meer daar ook Britse en Franse troepen een deel van het gebied verdedigden. Heel wat Belgische legerkampen, opleidingscentra, hospitalen en werkplaatsen bevonden zich daarom over de grens, in Frans-Vlaanderen, Calais of verder, in Picardië of Normandië. En dan waren er de vele vluchtelingen die de grens waren overgestoken. In totaal verbleven er zo’n 300.000 Belgen in Frankrijk, veel meer dan er in het onbezette België waren. Nogal wat van die vluchtelingen waren gehuisvest in Normandië. Alleen al in het arrondissement Le Havre waren er 22.000. Daaronder dus ook de ministers en ambtenaren die in Sainte-Adresse verbleven.

'Jardin à Sainte-Adresse' van Claude Monet
‘Jardin à Sainte-Adresse’ van Claude Monet

Luxeverblijf

Sainte-Adresse was in het begin van de twintigste eeuw uitgegroeid tot een geliefd vakantieoord van rijke burgers en kunstenaars. De actrice Sarah Bernhardt bezat er een villa en Claude Monet vereeuwigde de omgeving op talrijke schilderijen. Een projectontwikkelaar legde er een mondaine wijk aan die hij “Nice-Havrais” (het Nice van Le Havre) doopte.1

De villa’s en hotels aldaar stonden door de oorlog grotendeels leeg. Er was daarom voldoende plaats om al de Belgische administraties in onder te brengen. Het Belgische ministerie van Oorlog nam zijn intrek in de Villa Louis XVI. Buitenlandse Zaken betrok de Villa Hollandaise. Koloniën moest genoegen nemen met een winkel van beddengoed. De meeste ministeries zaten in het grote hotel Nice-Havrais. Sommige ambtenaren van Justitie moesten een badkamer als bureau gebruiken.

Villa in Sainte-Adresse waar tijdens de Eerste Wereldoorlog het Belgische ministerie van Buitenlandse Zaken gehuisvest was
Villa in Sainte-Adresse waar tijdens de Eerste Wereldoorlog het Belgische ministerie van Buitenlandse Zaken gehuisvest was – Foto: Bibliothèque nationale de France / Europeana
De regeringsdiensten waren over de badplaats verspreid, sommige ook in het naburige Le Havre. De buitenlandse diplomaten verbleven in het clubhuis Palais des Régates, waar ze samen dineerden in de prachtige eetzaal met zicht op zee. Ze zaten wel aan twee verschillende tafels: een voor de gezanten van de geallieerden en een voor die van de neutrale landen. Hun aanwezigheid was belangrijk voor de internationale contacten die de regering voortdurend moest onderhouden.

In Sainte-Adresse en het aanliggende Le Havre zaten ook allerlei diensten die hulp boden aan het leger en de vluchtelingen. Er waren garages en ateliers, een ziekenhuis en een school. In de buurt lagen een paar Belgische legerkampen. In 1917 verbleven er liefst 17.000 Belgische militairen, met 4.000 vrouwen en kinderen.

Particuliere Belgische organisaties vestigden zich er eveneens. Zo verscheen er de conservatief-katholieke krant Le XXe siècle, die ervoor pleitte dat België na de oorlog grote stukken van Duitsland en Nederland zou annexeren, vier jaar lang in Le Havre. Ook de door de militaire overheid uitgegeven kranten De Legerbode en Le Courrier de l’Armée zagen in Le Havre het licht.

Sainte-Adresse. Nice-Havrais
Sainte-Adresse. Nice-Havrais, voor 1914

Symbolisch stukje België

Voor koning Albert werd de prachtige Villa Roseraie als residentie ingericht, maar de koning is daar nooit geweest. Hij bleef met zijn vrouw koningin Elisabeth wonen in de Villa Maskens in De Panne. Wel week hij een tijd uit naar een kasteelhoeve in De Moeren. Zijn militair hoofdkwartier bevond zich in de pastorij van Houtem. Al deze plaatsen bevonden zich in België, op enkele honderden meters van de Franse grens. Later ontstond de mythe dat Albert I gedurende de oorlog het Belgische grondgebied nooit verliet, maar hij is wel degelijk enkele keren in Frankrijk geweest en bracht zelfs een bezoek aan Londen.

Hoe dan ook: in Sainte-Adresse liet hij zich niet zien. Wel verbleef het hoofd van het militaire huis van de koning als een soort contactpersoon in de Villa Roseraie, maar als de ministers Albert wilden spreken, moesten ze hem in de Westhoek opzoeken. De kabinetsleider2 en minister van Oorlog, baron Charles de Broqueville, verbleef meestal op het kasteel van Saint-Pierre-Brouck in Frans-Vlaanderen, vanwaar hij pendelde naar De Panne. In het weekend was de Broqueville in Sainte-Adresse en zat hij er de ministerraad voor.

Postkaart, gepost in Sainte-Adresse tijdens de Eerste Wereldoorlog
Postkaart, gepost in Sainte-Adresse tijdens de Eerste Wereldoorlog

De regering in Sainte-Adresse was niet echt een regering in ballingschap, want ze controleerde nog altijd een stukje van België. Bovendien oefende ze de volle macht uit over Belgisch-Congo, een belangrijke leverancier van grondstoffen, waar overigens ook gevochten werd tegen de Duitse koloniale troepen.

De Franse president Poincaré had vanaf het begin toegezegd dat de regering “in volle onafhankelijkheid en soevereiniteit” in Frankrijk mocht verblijven. Hoewel die toezegging niet juridisch bindend was – geen enkele wet of verdrag regelde de status van de Belgische autoriteiten in deze Franse gemeente – konden deze autoriteiten inderdaad ongehinderd hun bevoegdheid uitoefenen. Sainte-Adresse werd een symbolisch stukje België. De Belgische Rijkswacht stond in voor de veiligheid. Zelfs enkele straten kregen een naam die aan België herinnerde, zoals de avenue Albert Ier, die nog steeds die naam draagt.

De Belgen hadden er zelfs hun eigen postkantoor, met Belgische postzegels en postbussen. Buiten Sainte-Adresse konden Belgische postzegels alleen maar in het onbezette België worden gebruikt, dat wil zeggen de Westhoek en de kleine Belgische enclaves van Baarle-Hertog in Nederland. De postzegels vormden dan ook een propagandamiddel op zich: zo was er een reeks zegels die de verwoestingen in België afbeeldde.

Le Monument de la Reconnaissance Belge - Monument in Le Havre ter herinnering aan de samenwerking tussen Frankrijk en België tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Le Monument de la Reconnaissance Belge – Monument in Le Havre ter herinnering aan de samenwerking tussen Frankrijk en België tijdens de Eerste Wereldoorlog. (CC BY-SA 4.0 – Philippe Alès – wiki)

Iedere ochtend werd bij het spelen van de Brabançonne de Belgische vlag gehesen aan het ministerie van Oorlog. Daarbij waren er steeds militairen en ambtenaren aanwezig, vaak ook gewonden en vluchtelingen. Op 21 juli – de nationale feestdag – vonden er een Te Deum en diverse feestelijkheden plaats.

De regeringszetel bevond zich wel op 300 kilometer van België, maar via Le Havre waren snelle verbindingen met Groot-Brittannië en Amerika mogelijk. Tegelijk was de plek ver genoeg om niet te worden gehinderd door het strijdgewoel en de aanwezigheid van troepen, want in de streken dichter bij België waren Franse, Britse en ook Belgische militairen overal aanwezig. Helemaal rustig was het bestaan er niet, want ook aan de Normandische kust was de oorlog merkbaar. Af en toe schoot de kustbatterij naar een Duitse onderzeeër die zich in de buurt vertoonde en de schepen die op het Kanaal voeren werden voortdurend bedreigd.

Op 11 december 1915 ontplofte een Belgische munitiefabriek in Graville-Sainte-Honorine, een plaats in het havengebied van Le Havre. Daarbij kwamen 105 Belgische soldaten om het leven. Er vielen 1500 gewonden en in Le Havre bleef niet één gebouw onbeschadigd. Zelfs tot 50 kilometer ver werd schade geregistreerd. Omdat er in de streek onvoldoende glas was om alle gesprongen ruiten te vervangen, bood Groot-Brittannië aan extra glas aan te voeren. Van de munitiefabriek was uiteraard niets meer over, zodat een onderzoek naar de oorzaak van de ramp onbegonnen werk was. Maar dergelijke catastrofes kwamen in de Eerste Wereldoorlog wel meer voor.

Kasteel van Loppem
Kasteel van Loppem (CC BY-SA 3.0 – Velvet – wiki)
Ondanks de aanwezigheid van de regering gebeurde er weinig opvallends in Sainte-Adresse. De belangrijkste beslissingen werden genomen in aanwezigheid van de koning, dus in De Panne. Soms week de hele ministerraad naar daar uit om met de koning te vergaderen. Koning Albert genoot ook veel meer internationale belangstelling, te meer daar de geallieerde propaganda van hem een soort held had gemaakt. Hij ontving in De Panne bevriende staatshoofden en andere prominenten.

Alleen de Verklaring van Sainte-Adresse zou de geschiedenisboeken halen: op 14 februari 1916 verklaarden de vertegenwoordigers van Frankrijk, Groot-Brittannië en Rusland er plechtig tegenover de Belgische minister van Buitenlandse Zaken, baron Beyens, dat België na de oorlog opnieuw een onafhankelijk land moest worden en dat het steun zou krijgen voor zijn herstel. Dat sprak niet vanzelf, want België was formeel een neutraal land en rekende zich dus niet tot de Geallieerden. België zou later aan de Verklaring herinneren om aanspraak te maken op schadevergoeding van Duitsland.

De Belgische regering bleef precies vier jaar in de Normandische badplaats. Toen in oktober 1918 vrijwel heel West-Vlaanderen was bevrijd, keerden de meeste ministers naar België terug. Ze namen toen hun intrek in een hotel in Brugge. Koning Albert vestigde zich in de buurt, in het kasteel van Loppem. Alleen de ministers van Buitenlandse Zaken en Koloniën bleven voorlopig nog in Sainte-Adresse. Kort na de wapenstilstand van 11 november 1918 vertrokken ook de Belgische ministeries en overheidsdiensten.

Standbeeld van koning Albert l in Sainte-Adresse
Standbeeld van koning Albert l in Sainte-Adresse (CC BY-SA 3.0 – Philippe Alès – wiki)

De herinnering

Toen de Duitsers een oorlog later, in 1940, voor de tweede maal België binnenvielen, week de Belgische regering opnieuw uit naar Frankrijk. Ze heeft toen het voornemen gehad om zich opnieuw in Sainte-Adresse te vestigen, maar ditmaal kon de Duitse aanval niet aan de IJzer of een andere rivier worden tegengehouden. De geschiedenis herhaalde zich niet…

In het hedendaagse Sainte-Adresse is niet veel meer te merken van de Belgische aanwezigheid van 1914 tot 1918. Er kwam wel een standbeeld voor Albert I… die er nooit geweest is. De meeste luxevilla’s uit die tijd werden helaas vernield tijdens de Tweede Wereldoorlog, want in september 1944 vond een zeer zwaar geallieerd bombardement op Le Havre plaats, die het grootste deel van de havenstad, toen nog steeds in Duitse handen, verwoestte. Op de plaats van de villa’s zijn nu weinig opvallende flatgebouwen te zien. Het Palais des Régates dat er nu staat, vervangt het oude gebouw dat in 1940 door de Duitsers werd opgeblazen.

De Belgische brievenbus in Sainte-Adresse
De Belgische brievenbus in Sainte-Adresse (Google Street View)
Het vroegere hotel Nice-Havrais bleef gespaard. Het is nu een appartementsgebouw, maar een gedenkplaat herinnert eraan dat de Belgische regering er zetelde. Voor het gebouw staat nog altijd een typisch Belgische – tweetalige – rode postbus… die vandaag door de Franse posterijen gebruikt wordt.3

Sommige inwoners kunnen vertellen dat ze afstammen van een Belg die er tijdens de Grote Oorlog een Franse partner vond.

De gemeente Sainte-Adresse draagt nu de Belgische vlag in haar wapen. In 1999 verbroederde de gemeente met De Panne. Maar pas in oktober 2014 liet voor het eerst een Belgische koning zich in Sainte-Adresse zien. Toen herdacht koning Filip er plechtig de honderdste verjaardag van de komst van de Belgische regering.

Noten

1 – Opmerkelijk is dat ook de ouders van Charles de Gaulle er hun laatste jaren doorbrachten en er begraven zijn.
2 – Tot dan werd het hoofd van de regering meestal “kabinetsleider” genoemd, een officieuze benaming. Op het einde van de oorlog kreeg hij de officiële titel “eerste minister”.
3 – Postbussen hebben in Frankrijk een gele kleur.
×