Week van de koloniale geschiedenis
Dark
Light

Tsaristische juwelen duiken op in Bussum

9 minuten leestijd
Tsaar Nicolaas II met zijn vrouw Alexandra en hun vijf kinderen in 1913.
Tsaar Nicolaas II met zijn vrouw Alexandra en hun vijf kinderen in 1913.

Over diamanten, een dame en een dichter gaat deze historische episode. De dame gaf de diamanten aan de dichter. Dat gebeurde bij hem thuis, in het groene, rustige Gooi. Het was februari 1919. In Rusland vochten de bolsjewieken op vele fronten om hun revolutie in leven te houden. Een half jaar eerder waren de afgetreden tsaar en zijn gezin geëxecuteerd. Hun juwelen waren in beslag genomen. Een paar daarvan doken plots op in het Gooi, in Bussum om precies te zijn.

In februari 1917 was Rusland het toneel van een volksopstand die een Voorlopige Regering van gematigde socialisten aan het bewind bracht. Begin maart zag tsaar Nicolaas II zich gedwongen af te treden. Hij werd verbannen naar de stad Jekaterinenburg in de Oeral.

In oktober ging de Russische revolutie een nieuwe fase in. De Voorlopige Regering kwam ten val en de bolsjewieken onder aanvoering van Vladimir Iljitsj Oeljanov (Lenin) grepen de macht. Maar de piepjonge Sovjet-staat moest vechten om te overleden. Reactionaire generaals en hun troepen, gesteund door onder meer Tsjechoslowaakse en Britse eenheden, belaagden de revolutie van alle kanten.

Zo dreigden contrarevolutionaire troepen van admiraal Aleksandr Koltsjak in 1918 Jekaterinenburg te veroveren. Daarmee geconfronteerd beval de plaatselijke sovjet (arbeiders- en soldatenraad) tot executie van de gewezen tsaar, zijn echtgenote Aleksandra Fjodorovna en hun kinderen Olga, Tatjana, Maria, Anastasia en Aleksej.

Het (inmiddels gesloopte) Ipatjev-huis in Jekaterinenburg in 1928. In de kelder werden tsaar Nicolaas II en zijn gezin in juli 1918 geëxecuteerd.
Het (inmiddels gesloopte) Ipatjev-huis in Jekaterinenburg in 1928. In de kelder werden tsaar Nicolaas II en zijn gezin in juli 1918 geëxecuteerd.

Het drama voltrok zich in de nacht van 16 op 17 juli 1918 in de kelder van het zogeheten Ipatjev-huis. De ouders en zoon Aleksej gaven onmiddellijk de geest, de dochters niet. Kogels bleken voor hen niet afdoende, dus moesten de executeurs het karwei afmaken met bajonetten. Dat kwam, zo bleek, doordat in de korsetten van de dochters edelstenen waren ingenaaid die het effect van de kogels hadden gedempt.

De in de korsetten gevonden diamanten (ruim acht kilo) werden overgebracht naar de staatsschatkamer (Gochran) in het Kremlin in Moskou, zo vermeldt schrijver/documentairemaker Hans Olink in zijn boek Sebald Rutgers’ reis naar de revolutie. Dat gebeurde op grond van het kort daarvoor door Lenin getekende decreet ‘Onteigening van het tsarenvermogen’. Niet alleen de tsarenfamilie werd onteigend, dat gold ook voor de rest van de Russische adel. Doel: ‘de financiële macht van de staat versterken’, aldus het decreet.

Het vermogen van de gevallen tsarenfamilie Romanov was enorm. De krant The New York Times schatte in mei 1917 de waarde van alleen al de diamanten en juwelen der Romanovs op negen miljard dollar. Afhankelijk van de gehanteerde statistische methode is dat nu tussen de 215 en 402 miljard dollar (200 tot 375 miljard euro).

Een foto circa 1918, gepubliceerd in 1922, toont de in beslag genomen Russische kroonjuwelen.
Een foto circa 1918, gepubliceerd in 1922, toont de in beslag genomen Russische kroonjuwelen.

Het echtpaar Rutgers

Op dit punt beland, moeten we de blik richten op twee Nederlanders: ingenieur Sebald Justinus Rutgers (1879-1961) en zijn vrouw Lubbartha Engelina (Bartha) Rutgers-Mees (1879-1962). Al ruim vóór de Eerste Wereldoorlog bevonden zij zich op de linkervleugel van de socialistische beweging.

Ze hadden in Nederlands-Indië (Sumatra) gewoond en toen in 1917 de Russische Revolutie ontbrandde, huisden ze in New York. Over die revolutie waren ze zo enthousiast dat ze besloten naar Moskou te reizen en een handje te helpen. Sebalds technische kennis zou de bolsjewieken vast goed van pas komen.

Via Japan (waar ze hun drie nog jonge kinderen bij vrienden onderbrachten) bereikten ze Vladivostok (Siberië). Diverse fronten passerend bracht een hachelijke reis ze naar Moskou, waar ze op 23 september 1918 aankwamen. Rutgers kreeg een uitnodiging voor een gesprek met Lenin. Die stelde de Nederlandse ingenieur aan als hoofdinspecteur van de Russische waterwegen – de eerste van diverse betrekkingen die Rutgers in de Sovjet-staat voor zijn rekening zou nemen.

Zoals al opgemerkt stond het revolutionaire Rusland onder enorme militaire druk. De bolsjewieken meenden dat ze waarschijnlijk alleen zouden kunnen standhouden als ook elders in Europa een of meer revoluties zouden plaatsvinden. In verband daarmee werden diverse plannen gemaakt.

Bartha Rutgers-Mees in 1960. (
Bartha Rutgers-Mees in 1960. (Foto: Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis)
Om te beginnen zou in Moskou een overkoepelende organisatie van alle communistische partijen moeten worden opgericht: de Derde Internationale ofwel de Communistische Internationale (Komintern). Nadien werd bedacht in enkele Europese steden sub-bureaus van die Internationale te vestigen om de revolutionaire beweging buiten Rusland te stimuleren. Ook Amsterdam moest zetel worden van zo’n bureau.

Een van de mensen die bezig was met de voorbereiding van de Komintern was de Letse bolsjewiek Jan Berzin. Hem kende het echtpaar Rutgers nog uit New York, waar ze met Berzin bevriend waren geraakt. Berzin vroeg nu aan Bartha Rutgers of ze naar Nederland wilde gaan om afgevaardigden uit te nodigen voor het oprichtingscongres van de Komintern in Moskou. Veiligheidshalve wilde men dat niet schriftelijk doen.

Bartha stemde in en vertrok op 26 januari 1919 uit de Letse hoofdstad Riga. Ze had enig contant geld meegekregen plus een hoeveelheid juwelen. Auteur Olink stelt dat het ‘voor de hand ligt’ dat die juwelen stamden van de tsarenfamilie. Die kans is inderdaad heel groot, maar honderd procent zeker is het niet, want ook van andere adellijke families werden kostbaarheden en ander vermogen in beslag genomen.

Hoe dat ook zij, Bartha Rutgers vertrok per slee uit Riga om medio februari per trein de Duits-Nederlandse grens te bereiken. Als eerste ontdekte de Duitse grensbewaking in Bentheim dat ze allerlei kostbaarheden bij zich had. De juwelen mocht ze zouden, de 19.600 Reichsmark in contanten moest ze inleveren. Wel ontving ze daarvoor een reçu: bij terugkeer naar Duitsland, kon ze het geld terugkrijgen.

Aan de Oldenzaalse kant van de grens boog ook de Nederlandse douane zich over de juwelen die Bartha bij zich had. Ook van hen mocht ze die houden. Wel werd geregistreerd om welke kostbaarheden het precies ging.

Sebald en Bartha Rutgers op 13 juli 1957 in Den Haag
Sebald en Bartha Rutgers op 13 juli 1957 in Den Haag. (Foto: Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis)
Slechts enkele dagen later, op 15 februari, aanvaardde Bartha de terugreis naar Rusland. Op het station van Oldenzaal werd ze verhoord door een inspecteur van politie. Blijkens een rapport (‘GEHEIM’) van de Centrale Inlichtingendienst somde ze nog eens op wat ze op de heenreis Nederland had binnengebracht: een diamanten kruis, een parelsnoer, een grote en een kleine diamant en ‘twee Russische couranten’.

Auteur Olink meldt dat het Bartha werd verboden de grens te passeren. “Ze kan namelijk’’, schrijft hij…

“…geen verklaring geven voor de verdwijning van de juwelen (…).’’

Blijkens bovengenoemd rapport van de Centrale Inlichtingendienst is dat laatste (‘geen verklaring’) echter onjuist. Tijdens het verhoor in Oldenzaal vertelt ze namelijk waar ze die kostbaarheden heeft achtergelaten.

Na haar aankomst in Nederland was Bartha eerst naar Rotterdam gereisd, naar haar ouders, die ze acht jaar niet had gezien. De volgende dag ging ze naar Bussum voor een ontmoeting met partijgenoot (en beroemd dichter) Herman Gorter. Bij hem thuis, aan de Nieuwe ’s-Gravelandseweg in een zeer lommerrijk deel van Bussum, nodigde ze hem uit voor het begin maart te houden oprichtingscongres van de Komintern. Ook gaf ze hem de juwelen. Die moesten te gelde worden gemaakt ten bate van revolutionaire activiteiten in Nederland.

Olink noteert hoe het verder ging:

“Herman Gorter leverde de juwelen af bij Wijnkoop (Amsterdammer David Wijnkoop, red.), de leider van de communistische partij. Wat er vervolgens mee gebeurd is – waarschijnlijk te gelde gemaakt – is onbekend gebleven’’.

Op dat laatste komen we nog terug.

Inderdaad werd begin maart 1919 in Moskou de Komintern opgericht in aanwezigheid van 52 gedelegeerden. Als enige vertegenwoordigde Sebald Rutgers daar de Nederlandse communisten. Anderen hadden het destijds geïsoleerde Rusland niet bereikt.

Lenin in july 1920
Lenin in juli 1920
Met de stichting van sub-bureaus elders in Europa werd een begin gemaakt (in Wenen en Kiev) en in oktober 1919 vroeg Lenin aan Sebald Rutgers om naar Nederland te gaan en ook daar een bureau van de grond te tillen (inclusief, als startschot, een internationale communistische conferentie). Dat alles uiteraard om het revolutionaire elan elders in Europa aan te moedigen en de bolsjewiki uit hun isolement te verlossen.

Met Komintern-opdrachten en (opnieuw) edelstenen ging Rutgers op pad. De meeste kostbaarheden liet hij overigens – naar hij meende voorlopig – achter bij kameraden in Berlijn. Om de eigen kosten te bestrijden hield de Kommunistische Partei Deutschlands (KPD) echter vrijwel alle kostbaarheden voor zichzelf. Later werden slechts twee edelstenen naar Amsterdam gezonden.

De Komintern-opdrachten maakte ook duidelijk welke mensen in het Amsterdamse bureau moesten worden benoemd. De Komintern-leiding mikte naast Rutgers op Henriette Roland Holst, Herman Gorter, Anton Pannekoek, David Wijnkoop en Willem van Ravesteyn. Daaruit bleek dat het EKKI (Uitvoerend Comité van de Komintern) de verhoudingen in Holland slecht kende. Met name tussen de radicale Gorter en Pannekoek en de gematigder Wijnkoop en Van Ravesteyn boterde het namelijk allerminst.

De onderneming werd dan ook bepaald geen succes. Op 3 februari 1920 werd de conferentie wel geopend in een pand aan de Amsterdamse Herengracht en uiteindelijk lukte het ook om het Amsterdamse Bureau formeel in het leven te roepen. Maar verder ging vrijwel alles mis.

Zo werden in Amsterdam politieke stellingen betrokken die Lenin niet veel later zou brandmerken als linkse ‘kinderziektes’ van het communisme. In juli 1920 besloot het EKKI het Amsterdamse Bureau alweer op te heffen.

Intussen hadden de Nederlandse krantenlezers kunnen smullen van de perikelen in revolutionaire kring. De conferentiegangers bleken erg slechte samenzweerders. Al heel snel kreeg de Centrale Inlichtingendienst lucht van de bijeenkomst. In het pand aan de Herengracht lukte het twee politiemensen zich te verbergen in een bezemkast onder een trap en keurig te noteren wat er werd gezegd. De inlichtingendienst speelde de notities door naar burgerlijke kranten die er met genoegen uit putten.

Ook de door Bartha in 1919 aan Gorter overhandigde kostbaarheden (die deze had doorgespeeld aan Wijnkoop) kwamen uitgebreid ter sprake. Zo schreef op 15 februari 1920 het Algemeen Handelblad – en daarin valt bovengenoemd rapport van de inlichtingendienst te herkennen:

“Mevr. L.E. Rutgers-Mees heeft half Febr. 1919, komende uit Rusland naar hier met een opdracht der Sovjetregeering, aan dr. Herman Gorter te Bussum, in diens woning overhandigd: een diamanten kruis, een parelsnoer, één groote en één kleine diamant.’’

Twee dagen later voegden het Algemeen Handelsblad en De Standaard daaraan in een identiek geformuleerd bericht toe:

Eind November of begin December 1919 werden aan verschillende juweliers door een makelaar te koop geboden: één diamant van 14 karaat, minst getaxeerde waarde ongeveer ƒ70.000 en twee brillanten, waarvan de kleur niet al te schitterend was, die gezamenlijk 25 karaat wogen en een waarde hadden van ƒ12.000. De makelaar slaagde niet. De juweliers verklaarden nagenoeg eenstemmig, deze diamanten, naar zij zeiden gestolen, nadat de bezitters waren vermoord, niet te willen koopen. De makelaar, die verontwaardiging begrijpende en ook respecteerende, deelde mee, dat hij de diamanten aanbood in opdracht van het communistische Gemeenteraadslid Alex Lisser, diamantbewerker op de fabriek van Gebroeders Konijn, op de Lijnbaansgracht. De Gebroeders Konijn hadden eveneens geweigerd de diamanten te koopen, zij kenden de herkomst (…).’’

De redactie van dagblad De Gooi- en Eemlander besloot over de door het Handelsblad aangezwengelde zaak navraag te doen bij regiogenoot Herman Gorter in Bussum. Had hij een jaar eerder van mevrouw Rutgers inderdaad Russische edelstenen gekregen? Gorter was er kort over:

“Ik wil dit bericht (…) bevestigen noch ontkennen. Sinds een kwart eeuw heb ik tot principe geen nota te nemen, van wat over mij in couranten geschreven wordt. En nooit zal ik er ook maar met één woord op reageeren. Er wordt al zooveel gelogen in deze wereld.’’

Herman Gorter in 1923.
Herman Gorter in 1923. (Foto: Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis)
Voor de Gooise verslaggever was het wel duidelijk:

“Deze Gorter-sche uitlating, hoe ontwijkend ook, is voor den goeden verstaander tóch veelzeggend! De heer Gorter wenscht het aantal leugens in de wereld niet te vermeerderen – welnu, daarom ontkent hij de ontvangst der diamanten niet.’’

Het echtpaar Rutgers bleef intussen in de Sovjet-Unie wonen en werken, ook toen het stalinisme om zich heen greep. Pas in april 1938, op het hoogtepunt van de stalinistische showprocessen, zagen ze zich uit voorzorg voor hun eigen veiligheid genoodzaakt het land te verlaten en naar Nederland te verkassen. Hier bleven ze tot hun levenseinde (1961 en 1962) lid van de Communistische Partij van Nederland (CPN).

Veel later, in 1996, verscheen over Bartha Rutgers’ juwelentransport een mooie nabrander van de hand van Gerrit Voerman, hoofd van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (onderdeel van de Groningse universiteit). Uit het na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie toegankelijk geworden Komintern-archief in Moskou had hij aantekeningen van Bartha Rutgers opgediept. “Toch lukte het”, lezen we bij Voerman…

“…om de contrabande te gelde te maken, ondanks alle ophef die de kranten maakten, zo schrijft Bartha. Haar missie was geslaagd. ‘Een en ander had al zijn doel bereikt en kon niet worden achterhaald’.’’

Bronnen

-De geheime communistische conferentie. In: Algemeen Handelsblad, 17 februari 1920.
-De Sovjet-diamanten. In: De Gooi- en Eemlander, 18 februari 1920.
-Diamanten en paarden uit Rusland! In: De Standaard, 17 februari 1920.
Herman de Liagre Böhl: Met al mijn bloed heb ik voor u geleefd. Herman Gorter 1864-1927 (Amsterdam 1996).
-Albert F. Mellink: Rutgers, Sebald Justinus. In: Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland (1987/2017)
-Hans Olink: Sebald Rutgers’ reis naar de revolutie (Amsterdam 2020).
-Resources.huygens.knaw.nl/rapportencentraleinlichtingendienst.
-Gerrit Voerman: Bartha Rutgers-Mees: een vergeten revolutionaire uit Veendam. In: Nieuwsblad van het Noorden, 30 november 1996.

Ronald Frisart (1955) werkte in loondienst 42 jaar als journalist, soms regionaal, maar vooral op de gebieden binnenland, buitenland en economie. Eerst voor het ANP, daarna voor (combinaties van) Haarlems Dagblad/IJmuider Courant, Leidsch Dagblad, De Gooi- en Eemlander en Noordhollands Dagblad. Ook werkte hij nu en dan voor de regionale krantenclub Gemeenschappelijke Persdienst (GPD), zoals in 1997/1998 als correspondent in Indonesië.

Foto: Douwe van Essen