Dark
Light

Uitgeputte bemanning d’Eenigheid redt vege lijf in Plymouth

10 minuten leestijd
Op 13 december 1763 door kapitein Menkenveld getekend en gezegeld document van een deel van de retournlading die werd gekocht van de opbrengst van de verkochte slaven.
Op 13 december 1763 door kapitein Menkenveld getekend en gezegeld document van een deel van de retournlading die werd gekocht van de opbrengst van de verkochte slaven.

Voor de trouwe volgers van de reis van het Middelburgse slavenschip d’ Eenigheid is het geen verrassing meer. Zij weten dat het schip in 1761 uitvoer om in 1762 slaven te halen in Afrika. Later dat jaar werden er 319 verkocht in Nederlandse kolonies in (nu) Guyana. En ze weten dat het schip, sinds 18 december op de thuisreis, op 30 januari 1763 in zwaar weer terecht kwam. Met een uitgeputte bemanning werd op 15 februari de veilige haven van Plymouth bereikt.

In 2013, toen het 150 jaar geleden was dat in Nederland de slavernij werd afgeschaft, nam het Zeeuws Archief het initiatief om zo’n originele slavenreis gedetailleerd weer te geven. Dat was mogelijk, omdat de archieven van de Zeeuwse slavenhandelmaatschappij de Middelburgse Commercie Compagnie, waar het personeel ervan overtuigd was een eerbaar beroep uit te oefenen, volledig bewaard zijn gebleven.

Op de website MCC Slavenschip d’ Eenigheid worden dagelijks de vorderingen bijgehouden van 252 jaar geleden, toen dat slavenschip tussen 1761 en 1763 echt op weg was voor een ‘driehoeksreis’. Met een klik op ‘Volg het verhaal’ gaat de lezer 252 jaar terug in de tijd.

Documentatie

Rijk geillustreerd douanedocument uit Plymouth, dat bevestigt dat kapitein Menkenveld zich op 16 februari 1763 in Plymouth meldde.
Rijk geillustreerd douanedocument uit Plymouth, dat bevestigt dat kapitein Menkenveld zich op 16 februari 1763 in Plymouth meldde.
Uniek in de documentatie van de slavenhandel is dat ook de dagrapporten van de dokter aan boord, chirurgijn Petrus Couperus, bewaard zijn gebleven. Ze maken duidelijk dat hij, soms tevergeefs, zijn uiterste best deed om zieke slaven, tenslotte het belangrijkste kapitaal aan boord, weer beter te maken. Ook de correspondentie van kapitein Jan Menkenveld met zijn bazen in Middelburg over de zakelijke vorderingen wordt aangehaald. De boekhouding aan boord geeft de kosten weer van de aankoop van de slaven, de opbrengsten van de verkoop – meestal tijdens veilingen – en de aankoop van ‘retourgoederen’ – vooral suiker en specerijen waar in het Vaderland een grote behoefte aan bestond. Ze zijn bekend tot achter de komma. Zo bleek dat de drankconsumptie tijdens de veilingen voor een belangrijk deel voor rekening kwam van de slavenhandelmaatschappij. En af en toe werd het oordeel van de Scheepsraad over een bijzondere gebeurtenis aan boord gepubliceerd.

De allerbelangrijkste ’tussenpersoon’ van 252 jaar geleden is opperstuurman Daniël Pruijmelaar. Hij hield elke dag het logboek bij, dat bijna altijd begon met ‘’s Morgens….‘. Daarna volgde een opsomming van weersomstandigheden, handelingen aan boord, de plaatsbepaling en summier bijzonderheden van de dag, variërend van ontmoetingen met andere schepen tot het overlijden van bemanningsleden. Zijn meldingen werden dan eventueel aangevuld met andere rapporten.

Pruijmelaar speelde een dramatische hoofdrol toen hij in Afrika twee ‘kanonegers’ (die o.m. slaven en water aanleverden) betrapte die tabak aan de slaven wilden verkopen. Dat contact was streng verboden. Hij ging ze daarom achterna en ze sprongen in zee, met fatale gevolgen:

Een haai greep één van hen en sleurde hem onder water. Het water kleurde rood van het bloed. Bij het zien ervan vergat Pruijmelaar de tabak en ging meteen terug aan boord van de Eenigheid. Chirurgijn Couperus, die Pruijmelaar aan boord van de kano had zien gaan, was weer aan zijn werk gegaan ‘in de kuil’, het kuildek waar hij Afrikanen aan het verbinden was. Toen hoorde hij roepen: “Daar heeft een haaij een van de negers opgegeten”. Couperus keek nogmaals over het scheepsboord maar zag volgens zijn zeggen alleen nog ‘een long’ drijven, die vervolgens ook door de haaien werd opgegeten. De twee overgebleven Afrikanen peddelden zo snel als mogelijk terug naar wal, zonder te wachten op de rest van de lege tonnen of op de beloning, bestaande uit een fles drank.

De ‘kanonegers’ weigerden vervolgens nog verder vers water te brengen en dat bracht d’ Eenigheid in grote problemen.

Complete boekhouding

De winst- en verliesrekening van de slavenreis van d' Eenigheid.
De winst- en verliesrekening van de slavenreis van d’ Eenigheid.
Op 17 december tekende kapitein Jan Menkenveld voor rekening van de edele heeren directeuren van de Commercie Compagnie der stad Middelburg in Zeeland, wegens een armazoen slaeven vercocht aan de cust van America, haer edele rekening-courant in het generael, waarbij hij toegaf dat ruim tien procent van de slaven onderweg was overleden (overigens een ‘normaal’ percentage):

N.B. De ingehandelde slaeven aen de cust van Guinee op Africa sijn 326 coppen, waeraff aen doode 33 coppen. Blijfft in alles aen de cust van America vercogt tweehonderddrie-entnegentigh coppen slaeven, so groot als kleene

Bovendien was hij met onverkogte cargasoengoederen ter waarde van 297 gulden blijven zitten; de ‘kralen en kettinkjes’ die bedoeld waren om de slavenhandelaren gunstig te stemmen: kralen, textiel en 14 koperen trompetten;. Het was een fractie van de originele cargazoenlijst die bij vertrek aan boord was. De 600 geweren bijvoorbeeld waren allemaal op.

De verkoop van de tot slaaf gemaakte Afrikanen bracht in totaal ƒ 99.981 op. Uiteindelijk kwam de eindafrekening uit op ƒ 103.246:13:1½: ruim 103.246 gulden, want er was ook goud en ivoor uit Afrika bij. Dit bedrag is volgens de website vergelijkbaar met een koopkracht van € 896.545,27 in het jaar 2013. De complete, zeer gedetailleerde boekhouding van de slavenhandel van d’ Eenigheid, tot het vertrek uit Amerika, is 252 jaar later na te slaan in het Handelsboek (PDF, 81 pagina’s).

Moderne Bank van Lening

In de avond van 17 december 1762, 16.833 km (9.083 nautische mijl) van Middelburg, begon de reis naar huis, met 30 bemanningsleden. Twee jongens die door de kapitein waren ingehuurd bleven op eigen verzoek in Demerara en één jonge matroos van het afgeschreven schip De Spoorse Galeij, die kennelijk niet meer opgelapt kon worden, mocht mee naar Middelburg. Het anker werd gelicht en het schip deinde in de regen mee met de stroom van de rivier Demerara in de richting van de Atlantische Oceaan.

Op 21 december, op volle zee, werden de persoonlijke eigendommen geveild van het Spaanse bemanningslid Anthonij Colombo, die in november tijdens het houthakken was verdwenen. Hij had zijn vlucht kennelijk goed voorbereid en waardevolle eigendommen meegenomen. De schamele restanten, o.m. oude kousen, een Engelsch rokje en een nieuw baeijtje brachten samen veertien gulden op. Enkele bemanningsleden staken zich (verder) in de schulden bij opperkuiper Adriaan Hillebrand, die aan boord als de ‘bank van lening’ fungeerde.

Behalve een handgeld bij vertrek had niemand nog een cent gezien voor zijn inspanningen; uitbetaling zou pas volgen na aankomst in Middelburg. Behalve als het schip zonk of gekaapt zou worden; dan had niemand nog recht op enige vergoeding. Dat stond in de kleine lettertjes (zie artikelbrief):

Verongelukt het schip of wordt het buitgemaakt dan kan geen aanspraak worden gemaakt op uitbetaling van de gage. De vooruit betaalde gage mag worden behouden.

Hillebrand was, zoals hij eerder al ruimhartig had gedaan, wel zo vriendelijk om krediet te verschaffen voor onverwachte aankopen. Hij had geld uitstaan bij minstens dertien bemanningsleden. De schulden zouden uiteindelijk, na de definitieve afrekening, worden afbetaald. Of hij dat geld echt had is twijfelachtig. Hillebrand verdiende maar 24 gulden per maand. Hij fungeerde twee eeuwen geleden al als een moderne bank.

Het Journaal van opperstuurman Pruijmelaar van 15 februari 1763 maakt duidelijk dat d' Eenigheid door de storm in een penibele situatie verzeild raakte.
Het Journaal van opperstuurman Pruijmelaar van 15 februari 1763 maakt duidelijk dat d’ Eenigheid door de storm in een penibele situatie verzeild raakte.

Swaare storm

Op Oudejaarsavond 1762 had d’ Eenigheid op de Atlantische Oceaan nog een ontmoeting met een snaauwschip komende van Bordoux, genaamdt De Princes Carolina, gecommandeerdt door capiteijn Claas Carsje Kuijper, gedestineerdt na Sinte Eustaatieus. Op Nieuwjaarsdag berekende opperstuurman Pruijmelaar dat het schip zich op 17°45′ langte 316°42′ bevond (volgens de huidige berekening 17°22′ N, 59°58′ W). Op 14 januari had het schip op deze reis al 20.153 km afgelegd; een halve aardbol.

De thuisreis verliep voorspoedig, totdat zich eind januari zwaar weer aankondigde. d’ Eenigheid kwam in een zware storm terecht. Opperstuurman Pruijmelaar liet weten dat de wind uit het zuidzuidoosten van dobbelgereefde marszeijlcoelte toenam tot storm met regen en uiteindelijk swaare storm, waarbij zelfs een kanon overboord sloeg! Wikipedia maakt duidelijk dat ‘dubbelgereefde marszeilkoelte’ staat voor ‘harde wind, windkracht 7, waarbij de bovenste zeilen op het schip moeten minderen en de spanning op de masten toeneemt’. Een ‘swaare storm’ is vergelijkbaar met windkracht 10; ‘alleen de laagste zeilen worden nog gebruikt voor het manoevreren’.

’s Morgens en voormiddag de windt van ’t ZZO OtN van dobbelgereefde marzeijlcoelte tot storm met regen, bij ’t uijtgaan van de dagwacht namen de marzeijlen in, in de voormiddag namen de onderzeijlen in en lagen bij van storm voor ons grootstagzeijl, op de middag was onse gegiste gekoppelde coers en verheijdt van ’t etmaal NO 18½ mijl, komt op de gegiste NB van 43°38′ langte 349°8′, namiddag- en platvoetwagt de windt van ’t OtN tot NNW, met het uijtgaan van de namiddag wenden om de oost, voordts in de platvoetwagt swaare storm, met de 7 glasen is er een van onse 3 lb. stukken kanon uijt het rampaardt geslaagen van de zee en zoo overboordt geraakt, wij creegen veel water in ’t ruijm bij de pompen, zoodat wij moesten den heelen nagt met de 2 pompen moesten pompen, wij resolveerden om voor de windt te lenzen, maar konden ’t schip niet voor de windt crijgen, haalden het groodtstagzeijl neer en lagen bij voor top en takel met een swaaren storm uijt ’t NNW à NW met hooge zee, zoo tot ’s morgens.

De website doet uitvoerig verslag van de problemen die volgden. Het water drong door de kieren en het waterpeil in het ruim begon zorgwekkend te stijgen. Die avond en nacht pompte de bemanning continu met beide pompen.

Pogingen om het schip voor de wind te krijgen mislukten. “Laten het schip voor top en takel [zonder een zeil te voeren] leggen en op Gods genade drijven met een sware storm uijt ’t NNW à NW”, aldus kapitein Menkenveld. De volgende dag nam de wind af, maar het weer bleef slecht, met af en toe “sware buijen van regen, wind, hagel, sneeuw en sterke weerligt”.

Meeuwensteen of vuurtoren Eddystone bij Plymouth. Ets en droge naald, John Clerk of Eldin, ca 1770-1782, 6×9 cm. © The Trustees of the British Museum
Meeuwensteen of vuurtoren Eddystone bij Plymouth. Ets en droge naald, John Clerk of Eldin, ca 1770-1782, 6×9 cm. © The Trustees of the British Museum

Redding in Pleijmuijde

Het slechte weer bleef aanhouden. Voor de bemanning van d’ Eenigheid was het veertien dagen ‘alle hens aan dek’, om zowel het vege lijf als de lading te redden. Het moet een opluchting geweest zijn toen in de ochtend van 15 februari, onder het zuidoosten van Engeland, de vuurtoren van de Meewenstein in zicht kwam; die al sinds 1698 werkte in Eddystone (Devon). Hij diende bovendien als inspiratie voor een shanty; een zeemanslied dat begint:

“My father was the keeper of the Eddystone light
And he slept with a mermaid one fine night
From this union there came three
A porpoise [bruinvis] and a porgy [brasem] and the other was me!

Intussen staat er een moderne vuurtoren.

Het verslag maakt duidelijk dat er scheepsberaad nodig was, want de bemanning resolveerde de eerste haven voor de beste neemen om behouden te sijn, terwijl het al storm was die aan de lugt te sien was. Volgens Pruijmelaar viel gezaamtlijk met ons capiteijn het besluit om in Pleijmuijde (Plymouth) binnen te zeijlen, want het schip dreigde naar de wal af te drijven. Er werden vier schooten afgevuurd voor een loods, andere schepen volgden het voorbeeld en drie uur later liet d’ Eenigheid het anker vallen in de Oost-Coffer [The Cattewater] :

’s Morgens de windt ZOtZ, met het breeken van den dag zaagen den vuurtooren van de Meewensteen [Eddijstone, voor de rede van Plymouth] in ’t ZO van ons, wij peijlden ’t vuer van de Meewensteen ZO van ons, de windt ZOtZ stijve onderzeijlcoelte, donkere buijege lugt, met breeken van de dag zagen de vuertooren van de Meewensteen in ’t ZtO van ons, dikke lugt met reegen, wij resolveerden gezaamtlijk met ons capiteijn om in Pleijmuijde [Plymouth] binnen te zeijlen omdat de windt en het weer het ons niet toelieten om het van de wal te kunnen leggen over geen een boeg en sterk op de wal dreeven en omdat de lugt overal stormagtig uijtzag, zoo hielden wij af en stuerden na de haven van Pleijmuijden, wij deeden 4 schooten om een loots en zaagen 5 scheepen die ons volgden en om 10 ueren cregen een loodts die ons binnenbragt en om 1 uere quamen ten anker in de Oost-Coffer op 3 vaam moddergrondt, wij vertuijden terstondt en wij vonden verscheijde scheepen hier liggen, voordts ’s avondts en ’s nagts de windt WNW stijve coelte, zoo tot ’s morgens.

De kapitein ging op 16 februari aan wal, onder meer om schone kleding voor de bemanning te kopen. Intussen bleven door het slechte weer meer schepen binnenkomen, zoals een Hollandse berketijn die zijn grote mast had verloren en een Middelburgse snauw die zelfs beide masten moest missen.

Er was ook nog 5 pond 'vuurtorengeld' verschuldigd.
Er was ook nog 5 pond ‘vuurtorengeld’ verschuldigd.

Niet de bedoeling

De gezegelde brief die kapitein Menkenveldt op 26 februari 1763 naar zijn directeuren in Middelburg stuurde.
De gezegelde brief die kapitein Menkenveldt op 26 februari 1763 naar zijn directeuren in Middelburg stuurde.
Het oponthoud kostte tijd en geld, en dat was eigenlijk niet de bedoeling. De boekhouding van d’ Eenigheid verzamelde afrekeningen voor de afhandeling van de douane en ‘vuurtorengeld’, en ongetwijfeld moesten ook havengelden worden betaald. Dat moest worden verantwoord en dus schreef de kapitein een brief aan zijn directeuren waarin hij uitlegde dat hij zou vertrekken zodra ‘‘zijn volk wederom wat frisser is’, want….

…. hoewel niet sieck geweest zijn, maar door kouwde en onrust afgemat en daarbij geen kleeding over ’t lighaam, waar sij nu van voorsien zijn, tegens een kleene kruijstogt soude kennen bestaan, hoewel ik voorspoed hoope.

Hij zou vertrekken zodra dat mogelijk was:

Hier leggen ook verscheide Hollandse scheepen, welke op haar retour staan, dog ik sal niet na deselve wagten, maar sal sodra de windt aan ’t westen is en standhoud, al waar het maar noordwest, in zee lopen om mijn reijs te vervorderen

Toen dat gebeurde begon zowat de strengste winter van de achttiende eeuw. En in de Westerschelde lag een zandbank tussen de Noordzee en de haven.

Meer weten:

Volg elke dag de reis van het slavenschip d’ Eenigheid (1761-1763/2013-2015)

Eerder verschenen op Historiek:

Zet tijdmachine op 1761 en reis mee met slavenschip (7 oktober 2013)
Slavenschip d’ Eenigheid kocht (in 1761) eerste slaaf (10 december 2013)
Verdrietige Kerstavond aan boord van slavenschip (24 december 2013)
‘Zoo is het mogelyk in een zoo naauw vertrek 200 slaven te bergen’ (2 april 2014)
d’Eenigheid met 319 slaven op weg naar Amerika (10 mei 2014)
Al twaalf slaven d’ Eenigheid zullen Amerika niet bereiken (11 juni 2014)
Slaven sterven, land in zicht, maar d’ Eenigheid vaart door (27 juni 2014)
MCC was meer dan Zeeuwse slavenhandelaar (24 juli 2014)
Capitale, ja hoogvliegende prijsen’ voor slaven d’ Eenigheid (28 augustus 2014)
Verdwenen matroos d’Eenigheid terug met gangreen (12 december 2014)

×