Dark
Light

Zonder Franse tijd geen België en Nederland

‘Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap’ – De Nederlanden in de Franse tijd
6 minuten leestijd
Allegorie op de Brabantse omwenteling, anoniem, 1787-1790
‘Vertrek van het Opperste Congres van de Verenigde Belgische Provinciën’; anti-clericale spotprent (1790) op een bewind, bedreigd door interne en externe krachten en gedomineerd door conservatieven, geestelijkheid en adel. De keizerlijke arend (met zwaard) maakt zich op om de Belgische leeuw een verpletterende slag toe te brengen; origineel coll. Kon. Legermuseum, Brussel.

De Franse tijd in de geschiedenis van België en Nederland vertoont overeenkomsten, maar vooral aanzienlijke verschillen. De Oostenrijkse Nederlanden werden vrijwel onmiddellijk ingelijfd, Nederland is pas in 1810 formeel bij het Franse keizerrijk gevoegd. De twee landen zouden in hun huidige vorm niet hebben bestaan zonder de ‘ad hoc’-vorming van het Koninkrijk der Nederlanden na het vertrek van de Fransen.

Katholieke schuilkerk 1798-1801 in de mergelgroeven bij Valkenburg (foto H.M.D. Dekker).
Katholieke schuilkerk 1798-1801 in de mergelgroeven bij Valkenburg (foto H.M.D. Dekker).
Beide naties maakten aan het eind van de achttiende eeuw plots deel uit van een nieuw wereldrijk met zijn maatregelen op het gebied van uniformisering (invoering van het metrieke stelsel!) en bestuurlijke en juridische hervormingen: scheiding van kerk en staat, invoering van de burgerlijke stand en het burgerlijk huwelijk. Velen kunnen dit lijstje voor Nederland en/of België zonder veel moeite aanvullen: aanzetten tot een vertegenwoordigende democratie en centrale instellingen van kadaster, waterstaat, bibliotheek- en museumwezen, hervorming van het economisch leven en het belastingstelsel. Daartegenover worden steevast opgesomd de uitplundering en economische ruïne, de bezetting door vreemde troepen en het sterven van tienduizenden jonge soldaten in den vreemde als gevolg van de conscriptie (militaire dienstplicht).

Assimilatie in het Zuiden

De revolutionaire, anticlericale republiek Frankrijk annexeerde de Oostenrijkse Nederlanden in 1795 en plunderde ze vakkundig leeg. Deze uitpersing en de ingevoerde dienstplicht voerden tot de fameuze Boerenkrijg van 1798. Het bewind van Napoleon sinds 1799 (eerst als Consul, sinds 1804 als keizer) geldt als meer verzoeningsgezind, met echter een even sterke nadruk op assimilatie. Tussen 1794 en 1814 verfranste het overheidsapparaat op alle niveaus; dit in tegenstelling tot Nederland, waar ook na de inlijving in 1810 de verfransing maar partieel werd ingevoerd. Onder de oppervlakkige verzoening van het Concordaat van 1801 smeulde het conflict met de in het Zuiden hecht gewortelde katholieke kerk voort.

Fasen van onderwerping in het Noorden

Het Noorden beleefde sinds het opdoemen van de haveloze Franse soldatenmassa’s verschillende fasen van semi-autonomie tot volledige inlijving: de Bataafse Republiek en het Bataafse Gemenebest (1795-1806), het Koninkrijk Holland met als monarch Napoleons broer Lodewijk (1806-1810) en tenslotte de volledige annexatie (1810-1813), waarbij ook het Noorden onder het onmiddellijke gezag kwam te vallen van Napoleon Bonaparte, ‘Keizer der Fransen’.

Voor Nederland was de Franse tijd niettemin net zo’n scharnierperiode als voor België (La Belgique was sinds de Brabantse Omwenteling in 1789 een gangbare term). De oude Republiek was een confederale statenbond geweest. Na 1813 kwam er een gecentraliseerde eenheidsstaat, waar het zwaartepunt van de macht niet langer bij de provincies lag, maar bij het rijksgezag.

De ‘revolutie’ van 1795 was een ‘fluwelen’ aangelegenheid, gevolgd door een periode van hopeloze verdeeldheid tussen groeperingen, facties en individuen; een toneel van staatsgrepen, nieuwe staatsinrichtingen, operetteachtige retoriek en economische neergang. Maar ook van de bevestiging van grondrechten die de parlementaire democratie nog altijd huldigt. Het was de rampzalige economische factor, naast de dood van de vele duizenden in Franse krijgsdienst, waardoor de Franse bezetter ook hier uiteindelijk veel meer haat dan waardering oogstte.

Die haat uitte zich in tientallen grote en kleine oproeren en een vloed van clandestiene pamfletten en satirische geschriften. Men heeft in de periode van juli 1806 tot half november 1813 83 oproeren geteld op het grondgebied van de Hollandse departementen; bijna de helft daarvan vond plaats in de latere provincies Noord- en Zuid-Holland. Er was overigens geen spoor van een samenhangende volksbeweging tegen de Fransen. In het voorjaar van 1813, toen het na de Russische mislukking definitief bergafwaarts leek te gaan met het keizerrijk, toonde Nederland een sterk opgaande curve van opstandigheid.

Een lijdelijker verzet ging uit van letterkundigen, zowel verstokte Orangisten als teleurgestelde Patriotten, die de lof zongen van oudvaderlandse helden die Fransen en Britten de wet hadden voorgeschreven in plaats van andersom. Jan Frederik Helmers en Adriaan Loosjes waren de bekendsten uit deze groep van ‘brallende nationale poëten’, zoals H.P.H. Jansen ze ooit denigrerend maar plastisch heeft getypeerd.

Engelse spotprent met Napoleon als Corsicaanse ‘Münchhausen’.
Engelse spotprent met Napoleon als Corsicaanse ‘Münchhausen’.

Kleine gestalte, grote schaduw

Napoleon – dat is de man wiens schaduw ondanks zijn bescheiden gestalte even zwaar viel over de geschiedenis van Nederland als die van Vlaanderen. Napoleon riep bij zijn bezoeken aan de beide Nederlanden de strooplikkerij op onder grote en kleine autoriteiten die doorgaans aan autocraten ten deel valt. Toen hij met zijn nieuwe echtgenote Marie Louise in oktober 1811 Den Haag aandeed, jubelde een opgestelde erepoort in het Latijn:

De Bataven aan Napoleon, die met weldaden en overwinningen het gebied van de Monden van de Maas doortrekt.

Het was niet eens buitensporig, vergeleken met talloze andere verbale uitingen van slaafse onderworpenheid, zoals de afscheidsgroet van het gelijkgeschakelde Journal du Département des Bouches de la Meuse op 29 oktober 1811, na Napoleons vertrek uit Rotterdam:

‘Het is met de opregtste gevoelens van dankbaarheid, liefde en bewondering, dat alle inwoners van Rotterdam zich het geluk herinneren zullen dat zij, gedurende het verblijf van hunne Majesteiten, genoten hebben. De gedachtenis van deze zoo heuchelijke oogenblikken zal nooit uitgewischt worden.’

Napoleon op zijn beurt was minder wellevend jegens zijn Nederlandse onderdanen. Hij schoffeerde talrijke hoogwaardigheidsbekleders en noemde de Hollanders ‘benepen marktkooplui’, omdat ze op alle mogelijke manieren onder zijn buitensporige financiële eisen trachtten uit te komen. ‘Ze hebben alleen oog voor winsten en winstjes, vertonen het gedrag en de geestesgesteldheid van winkeliers en kruideniers,’ schreef hij aan zijn broer Lodewijk Napoleon.

Napoleons grote vijand Albion oordeelde overigens niet veel gunstiger over de bewoners van het landje waarmee het, net als Frankrijk trouwens, zoveel oorlogen had gevoerd. In spotprenten over de Franse keizer in relatie tot zijn Hollandse onderdanen zien we de laatsten steevast uitgebeeld als plompe dikzakken, gehuld in saaie bruine kleding en onafscheidelijk vergezeld van een pijp tabak en een kroes bier.

Inwoners van de Lange Lijnstraat in Rotterdam halen groen om hun straat te versieren vanwege het bezoek van Napoleon in 1811; origineel coll. Gemeentearchief Rotterdam.
Inwoners van de Lange Lijnstraat in Rotterdam halen groen om hun straat te versieren vanwege het bezoek van Napoleon in 1811; origineel coll. Gemeentearchief Rotterdam.

Mislukte hereniging

Terwijl de Fransen in uithoeken als Delfzijl standhielden tot mei 1814 was Willem Frederik, zoon van de laatste stadhouder Willem V, al op 30 november 1813 in Scheveningen geland, om ‘Soeverein Vorst’ te worden. België werd op 11 februari 1814 door de geallieerden bevrijd verklaard.

De Belgische notabelen zagen het liefst de band met Oostenrijk hersteld, maar dat land had geen belangstelling meer. De bondgenoten wezen het territorium toe aan de nieuwe Nederlandse staat, als stevige noordelijke buffer tegen Frankrijk. De onder leiding van de katholieke kerk tegensputterende Belgen kregen de Nederlandse grondwet door hun neus geboord. Niets stond, nu ook Napoleon definitief bij Waterloo was verslagen, de formele inhuldiging van koning Willem op 21 september 1815 in Brussel meer in de weg.

Langer dan vijftien jaar duurde de hereniging niet. Ter verklaring van de mislukking, ondersteunend aan alle economische, bestuurlijke, culturele en religieuze factoren, ontstonden onder historici en publicisten twee hoofdrichtingen. De Belgisch-nationale school stelde dat er al in 1830 een samenhangende ‘Belgische natie’ bestond, die door middel van een revolutie een vreemde overheersing beëindigde. Daartegenover formeerde zich de ‘Groot-Nederlandse’ stroming, die betoogde dat de Belgische Revolutie in de eerste plaats een Waalse zaak was, mede als gevolg van Franse machinaties en de invloed der rattachisten (voorstanders van aansluiting bij Frankrijk).

Parallel met 1789/90

De Belgische Revolutie van 1830 vertoonde een parallel met de jaren vóór de Franse tijd. Ook nu was een gelegenheidsverbond ontstaan tussen liberalen en conservatieve katholieken, vergelijkbaar met het tijdelijk verbond van conservatieve Statisten en meer progressieve Vonckisten, leidend tot de Brabantse Omwenteling van 1789/90.

Vrijheid, gelijkheid en broederschap
Vrijheid, gelijkheid en broederschap
Destijds speelden bij de conservatief Hendrik van der Noot en zijn medestanders nog vage gedachten aan hereniging met de Republiek, nu wilde men maar één ding: van het Noorden af! De Belgen en vooral die van de katholieke ‘partij’ zagen in Willem I namelijk een nieuwe Jozef II: een verlichte despoot van elders.

Staatkundige scheiding was onvermijdelijk gebleken, maar gold dat voor alle levensgebieden? Velen herinnerden zich de oproep van de Brusselse advocaat Jan-Baptist Verlooy, auteur van Verhandeling op d’Onacht der moederlyke Tael in de Nederlanden: ‘laet ons gezamentlyke Nederlanders, schoon wy van staet geschyden zijn, ons ten minsten in de Nederlandsche konsten aenzien als gevaderlanders en gebroeders.’ Een pleidooi uit 1788 dat ook in deze tijd van Europese eenwording voor onze kleine landen weer fris en actueel lijkt.

~ Jan J.B. Kuipers
Jan J.B. Kuipers is auteur van het onlangs bij Walburg Pers verschenen boek: Vrijheid, gelijkheid en broederschap – De Nederlanden in de Franse tijd

×