Dark
Light

De Leidse Amunpapyrus

4 minuten leestijd
De Leidse Amunpapyrus (© Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)
De Leidse Amunpapyrus (© Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

In een van de vitrines van de afdeling Egypte van het Leidse Rijksmuseum van Oudheden ligt de Amunpapyrus, een van de beroemdste teksten uit de oude wereld. Hoewel we over de herkomst slechts vermoedens hebben, is er geen twijfel aan de echtheid. Hij is namelijk al bekend sinds 1828, toen het nog jonge museum de collectie verwierf van Giovanni d’Anastasi (1780-1860), een Griekse koopman die in Egypte was beland, het vertrouwen had gewonnen van de Ottomaanse onderkoning Mohammed Ali en allerlei oudheden had verzameld.

Weliswaar kunnen we over unprovenanced oudheden niet sceptisch genoeg zijn en is het zeker denkbaar dat d’Anastasi de dupe is geweest van bedrog, maar het is niet aannemelijk dat een vervalser in het eerste kwart van de negentiende eeuw én de juiste inkt zou hebben bereid én de beschikking zou hebben gehad over een fors antiek papyrusblad én een Egyptische tekst kon schrijven waaraan egyptologen sindsdien weinig vreemds hebben herkend.

Omdat Anastasi veel voorwerpen heeft aangekocht in Thebe, is aannemelijk dat de Leidse papyrus daarvandaan komt, temeer omdat in die stad een netwerk was van Amuntempels, waarvan het complex te Karnak de voornaamste was. Vanaf de zestiende eeuw v.Chr. gold de god van Thebe als de belangrijkste in Egypte en was zijn stad hét religieuze centrum van het land. Het was een van de plaatsen die werd genoemd als locatie van de oerheuvel, waar nog voor het begin van de tijd het eerste land boven de oerwateren was verschenen.

Eén voor allen, allen voor één

De Leidse papyrus stelt Amun gelijk aan andere goden: hij was ook de zonnegod Ra van Heliopolis, de scheppergod Ptah van Memfis en de vruchtbaarheidsgod Min van Koptos. Zulke gelijkstellingen waren niet alleen in Egypte maar in de hele oude wereld schering en inslag. De Romeinen stelden bijvoorbeeld twaalf van hun goden één-op-één gelijk aan de Griekse Olympiërs.

Tempel van Ptah in Karnak
Tempel van Ptah in Karnak
Vreemd is het dus niet dat de Leidse papyrus hymnen bevat waarin Amun samen met de lokale goden wordt toegezongen. De tekst documenteert zo een fase in de Egyptische godsdienstgeschiedenis waarin de schrijvende elite het noodzakelijk vond orde aan te brengen in de diverse culten en theologische systemen: alle goden waren Amun en Amun was alle goden. Hij belichaamt zo niet alleen de eenheid van alle goden maar vormt tevens de eenheid van het universum. Hij is “hoger dan de hemel en dieper dan de onderwereld”.

Omdat hij tevens de oudste van de goden is, heeft niemand hem een naam kunnen geven. Het woord amun betekent dan ook “de verborgene” en zelfs de goden kennen noch de ware naam noch de ware gedaante van een godheid die “te groot is om te doorgronden en te machtig om kenbaar te zijn”. Desondanks wisten de Thebanen dat Amun zichzelf had voortgebracht, de ongeschapen schepper was van de kosmos, een autogene demiurg. De Leidse papyrus stelt de voor-de-tijdse situatie voor als een duistere, doodstille watervlakte waarover de Ene ineens de oerkreet had laten klinken, die zou hebben geleken op de roep van een gans. Amun was de grote snateraar.

Datering

De datering van deze papyrus is niet moeilijk, want het schrijfmateriaal is tweemaal gebruikt. De achterkant biedt een doorkijkje naar het Egyptische leven van alledag: het verslag van een reis van Per-Ramesse (in de noordoostelijke Delta) naar Memfis. Dat was stroomopwaarts en bovendien woei er een stevige zuidenwind, waardoor een tocht van slechts 170 kilometer onverwacht lang duurde. De kapitein voelde blijkbaar de noodzaak verantwoording af te leggen aan de scheepseigenaar, prins Khaemweset. Zorgvuldig noteerde de scheepsklerk welke lading aan boord was en welke rantsoenen de bemanning ontving (vooral brood). En hij noteerde de datum: deze reis vond plaats aan het begin van de derde wintermaand van het tweeënvijftigste regeringsjaar van koning Ramses II ofwel 1238 v.Chr.

Hieruit volgt dat de voorzijde van de papyrus, die klerken altijd benutten vóór de achterkant, eerder moet zijn beschreven. Misschien wel een halve of een hele eeuw eerder, omdat het toch wel minstens vijf decennia duurde voordat een papyrustekst zó slecht leesbaar was geworden dat hij, na te zijn gekopieerd, kon worden weggegooid of opnieuw gebruikt.

De precieze datering

De hymnen zijn dus geschreven voor 1238, maar helaas kunnen we niet preciezer zijn. Dat is onuitstaanbaar want het maakt nogal wat uit. Als de papyrus een eeuw oud was toen aan de andere zijde een scheepslogboek werd geschreven, zijn de hymnen namelijk vervaardigd tijdens de regering van Echnaton (r.1353-1336), de koning die op ramkoers ging met de Amunpriesters en uitsluitend de verering toestond van de zonneschijf Aton. Een jongere datering plaatst deze papyrus in de periode van het herstel van de traditionele culten. Uiteraard is het ook nog denkbaar dat de hymnen niet voldeden en al heel snel tot kladpapier werden gereduceerd, zodat het eveneens mogelijk is dat de Leidse Amunpapyrus maar enkele jaren vóór het boottochtje is geschreven. Drie dateringen, drie contexten, drie interpretatiemogelijkheden.

De resterende puzzel

Zeker is in elk geval dat de schrijver het een voorname tekst vond. Hij gebruikte namelijk een stuk papyrus van bijna veertig centimeter hoog. Dat was ongebruikelijk in een tijd waarin de meeste klerken schreven op rollen die half zo hoog waren. Omdat we niet preciezer kunnen zijn over de datering, is niet duidelijk welke voorname functie de auteur voor zijn composities in gedachten had. Het kan dus zijn dat de hymnen werkelijk zijn gezongen, terwijl ook mogelijk is dat ze dienden als naslagwerk voor de arbeiders die teksten moesten aanbrengen op tempelmuren en in graven om Amuns zegen eeuwig op zulke plaatsen te doen rusten.

De Leidse Amunpapyrus laat dus wat vragen onbeantwoord en de auteur biedt weinig verrassends als hij de goden aan elkaar gelijkstelt. Dat hij alle goden aanziet voor manifestaties van de Onkenbare en dat hij Amun presenteert als de god die het universum overstijgt, kwam in de negentiende eeuw echter als verrassing. De implicatie is immers dat het denkbeeld van een transcendente godheid al acht of negen eeuwen bestond voordat de Griekse filosofen dit idee ontwikkelden.

×