Dark
Light

Oog in Oog. De mensen achter mummieportretten

Als de dag van gisteren
5 minuten leestijd
Portret van een vrouw, 150-200 na Chr.
Portret van een vrouw, 150-200 na Chr. (Musée du Louvre)

Tijdens het eerste blok van de studie kunstgeschiedenis maakte ik kennis met mummieportretten uit het oude Egypte. Ze zijn gevonden in de Fajoem, een oase bij een zoetwatermeer dat gevoed werd door de jaarlijkse overstroming van de Nijl. De hier gevonden funeraire portretten van de welgestelde elite dateren van de Romeinse tijd. Bijna twee millennia na hun overlijden kijken de geportretteerde mannen en vrouwen je fris en onbevangen aan; alsof hun beeltenis nog maar gisteren werd vereeuwigd. Een verbijsterende en mogelijk zelfs schokkende ervaring voor degenen die vandaag naar hen kijken.

Wie waren deze mensen?

Foto van een willekeurig Fajoemportret
Foto van een willekeurig Fajoemportret
De beeltenissen op deze portretten behoren toe aan (afstammelingen van) Griekse en Romeinse kolonisten, die destijds in de Romeinse provincie Egypte woonden en werkten. Ik neem u even mee terug in de tijd. De eerste Grieken vestigden zich daar al in de achtste eeuw v.Chr. gevolgd door nieuwkomers die zich hier in de Hellenistische periode na de verovering van Egypte door Alexander de Grote (332 v.Chr.) vestigden. Toen Octavianus, de latere keizer Augustus, zijn rivaal Antonius en de Egyptische koningin Cleopatra in de Slag bij Actium versloeg werd Egypte in 31 v.Chr. een Romeinse provincie.

De nieuwkomers brachten hun taal en cultuur mee. Alexandrië groeide uit tot een belangrijke culturele hoofdstad. In de beeldhouwkunst ontstond bijvoorbeeld een samengaan van Faraonische- en Griekse tradities. De Egyptische frontaliteit werd verlevendigd met vloeiende contouren van de Grieks-Romeinse stijl.

In de eerste eeuwen van onze jaartelling ontstonden ook de realistische bijna modern ogende mummieportretten die nog tot 25 februari in het Allard Pierson Museum te zien zijn. De tentoonstelling licht – voor zover bekend – niet alleen toe wie de geportretteerden waren, maar beantwoordt ook de vraag hoe en door wie deze portretten gemaakt werden en waarom.

Portretten worden meestal pro memoria gemaakt; ter herinnering aan levende- en ter nagedachtenis van overleden personen. Geschilderde portretten zijn vaak enigszins geïdealiseerd, maar mummieportretten lijken een grote mate van realisme te vertonen. Dat heeft te maken met de functie. Met het oog op het leven na de dood fungeerde het mummieportret oorspronkelijk als baken voor de ziel bij het terugvinden van het bijbehorende lichaam.

Op oudere sarcofagen werden algemene portretten aangebracht, maar in Romeins Egypte ontstond het gebruik van realistische dodenportretten. Deze werden aan het ‘hoofdeinde’ van de mummie tussen de windselen aangebracht. Voor de bijzetting in een graftombe bleef de kist nog enige tijd in de woning van de overledene staan. Er zijn mummies bekend waarop kindertekeningen zijn aangebracht. Kennelijk een gebruik dat tegenwoordig navolging vindt. Onlangs zag ik een doodskist waarop kindertekeningen voorzien van teksten waren aangebracht. Een vond ik zowel schokkend als geestig: “laat je niet kisten”.

Om het leven na de dood te waarborgen werd het lichaam gemummificeerd. Een proces dat zo’n zeventig dagen duurde. Eerst werden de organen verwijderd, daarna werd de overledene in een bad met natron gelegd. Zo werd het vocht aan het lichaam onttrokken. Daarna werd het lijk met hars en/of bijenwas bedekt en in doeken gewikkeld in een grafkist gelegd. Op de windselen, waarvan je in de tentoonstelling ook enkele voorbeelden ziet, werden spreuken uit het dodenboek – een reisgids voor het hiernamaals – en afbeeldingen van Osiris, de god van het dodenrijk aangebracht.

Realisme

Portret van Ammonius, 225-250 n. Chr.. Linnen, beschilderd in encaustiek techniek.
Portret van Ammonius, 225-250 n. Chr.. Linnen, beschilderd in encaustiek techniek. Foto Marina Marijnen.
In antwoord op de vraag hoe gelijkend deze portretten waren, is wel gesuggereerd dat de kunstenaars gebruik maakten van sjablonen, die zij met een persoonlijk toetsje individualiseerden. Staand voor het portret van een knappe man met baard kan ik daar nog wel in meegaan. Hij lijkt op het ‘portret’ van de apostel Petrus dat ik ooit zag in het Catharinaklooster in de Sinaï. Maar zou het naar een sjabloon vervaardigde portret van Ammonius (225-250 n. Chr.) slechts door toevoeging van een paar afstaande oren geïndividualiseerd zijn?

Dat geloof ik niet. Met zijn indringende blik, welgevormde mond en mooie kin met knikje heeft hij in mijn ogen geen algemeen, maar veeleer een specifiek eigen voorkomen.

Dat geldt eveneens voor het uit de late tweede eeuw daterende portret van een man die de wereld met een enigszins verschrikte gelaatsuitdrukking tegemoet blikt. Ook de beeltenis van een lieflijke jonge vrouw uit de vroege tweede eeuw maakt een persoonlijke indruk.

Portret van Ammonius, 225-250 n. Chr.. Linnen, beschilderd in encaustiek techniek.
Portret van een jonge vrouw, 120-130 n. Chr. Paneel beschilderd in encaustiek techniek. Foto Marina Marijnen.

Encaustiek

De levendige uitstraling van de geportretteerden werd, afhankelijk van de vaardigheid van de portrettist, mede bereikt door de toegepaste schildertechniek. Bij de zogeheten encaustiek-methode worden pigmenten opgelost in verwarmde bijenwas. Omdat het verkregen mengsel vrijwel direct stolt, moet de schilder snel te werk gaan, waardoor een levendig, welhaast impressionistisch effect ontstaat. De gereedschappen die de schilders hierbij hanteerden en monsters van de talrijke pigmenten zijn in de tentoonstelling te zien.

Wie waren deze schilders? Meest anonieme slaafgemaakten. Van een enkeling is de naam bekend: Serapion en Demetrios, die waarschijnlijk in Alexandrië werkzaam waren. Verschillende mummieportretten zijn op een drager van linnen aangebracht, maar de meeste werden op hout geschilderd. In de expositie zie je voorbeelden van de gebruikte houtsoorten. Het uit Europa geïmporteerde lindehout was wegens de gladde structuur favoriet.

Portret van een man, 161-180 na Chr.
Portret van een man, 161-180 na Chr. (Allard Pierson Museum)
Soms voegde de schilder attributen aan het portret toe, terwijl sieraden en lauwerkransen met bladgoud – symbool van de eeuwigheid – werden aangezet. De presentatie wordt verlevendigd met archeologische vondsten van velerlei aard: reliëfs met grafscènes, godenbeeldjes, sculptuurtjes van bepaalde beroepen, kinderspeelgoed, sieraden, munten en voor de liefhebbers: tekstfragmenten op papyrus met informatie over alle mogelijke transacties.

De geportretteerden zien er opvallend jeugdig uit. Zouden ze allen jong zijn gestorven? De herinnering aan een dode wordt tegenwoordig vaak levend gehouden met een foto van de overledene in een jongere versie van zichzelf. De in overlijdensberichten veelgebruikte wens ‘herinner mij in de stralende zon,… toen ik alles nog kon’, lijkt ook in het oude Egypte te hebben bestaan.

De geportretteerden in de Fajoemportretten zijn en face in beeld gebracht; de ogen stevig gefixeerd op de beschouwer, aldus Bianca Stigter in de NRC van 4 januari 2024. In literatuur, waarin deze portretten als voorlopers van de orthodoxchristelijke iconen worden besproken, wordt deze blik echter anders uitgelegd. De overledenen richten de blik over onze hoofden heen op een voor ons nog onzichtbare wereld. Bij deze explicatie moest ik denken aan de woorden uit 1 Korinthiërs 13:

Nu immers kijken wij door middel van een spiegel in een raadsel, maar dan zullen wij zien van aangezicht tot aangezicht.

Willekeurig Fajoemportret (1)
Foto van een willekeurig Fajoemportret
Dat woord raadsel lees ik ook in een citaat van de Britse kunst criticus John Berger: ’The fayoum portraits touch us, as if they have been painted last month….Why? That is the riddle’. Maar zo raadselachtig is het niet. Mensen van toen en nu haken allen aan het leven en zijn gehecht aan de mensen met wie zij dat leven delen. Het mummieportret was functioneel. Door het levensechte beeld bleven ze letterlijk en figuurlijk nabij. En eenmaal in het graf kon de ziel het lichaam van de overledene, als gezegd, door het realistische portret terugvinden.

De tentoonstelling besluit met informatie over de huidige stand van onderzoek. Sinds de Fajoemportretten na 1887 beschikbaar kwamen, werden deze met kennersblik onderzocht. De onderzoekers van het zogenoemde APPEAR project (Ancient Panel Painting Examination, Analysis and Research) en het onderzoeksproject Face tot Face staan tegenwoordig moderne wetenschappelijke methodes ten dienste. Zoals de RIS (Reflectance Imaging Spectroscopie), waarmee onder de verflagen kan worden gekeken en (macro) röntgenfluorescentie (XRF), waarbij een portret met röntgenstralen wordt onderzocht.

Boek: Oog in oog. De mensen achter mummieportretten

Bronnen

-B. van den Bercken & O. Kaper,Oog in oog. De mensen achter de mummieportretten. Allard Pierson Museum, Amsterdam. 2023.
×