DNB nauw betrokken bij slavernij

/
2 minuten leestijd
Het Hoofdkantoor van De Nederlandsche Bank aan het Westeinde te Amsterdam, 2013 (CC0 - Pbech - wiki)
Het Hoofdkantoor van De Nederlandsche Bank aan het Westeinde te Amsterdam, 2013 (CC0 - Pbech - wiki)

De Nederlandsche Bank (DNB) was in de periode van 1814 tot 1863 nauw betrokken bij slavernij. Dit blijkt uit een onderzoek dat de bank door de Universiteit Leiden heeft laten uitvoeren. Duidelijk is dat het startkapitaal van de bank deels van ondernemers kwam die directe belangen hadden in de plantageslavernij.

Dienstbaar aan de keten? De Nederlandsche Bank en de laatste decennia van de slavernij, 1814-1863
Dienstbaar aan de keten? De Nederlandsche Bank en de laatste decennia van de slavernij, 1814-1863
Duidelijk was al dat bijvoorbeeld de weduwe Johanna Borski, die DNB in haar oprichtingsjaren mede financierde, met haar vermogen ook plantages in Suriname en op andere plekken in het Caribisch gebied financierde. Ook was al langer bekend dat het familiebedrijf van de tweede president van de bank, Jan Hodshon, leningen aan plantages verstrekte.

DNB wilde de eigen relatie met de slavernij objectief en volledig in kaart laten brengen en schakelde hiervoor in de zomer van 2020 de Universiteit Leiden in. Dit mede naar aanleiding van een soortgelijk onderzoek dat de Bank of England eerder liet uitvoeren. Het Nederlandse onderzoek is uitgevoerd door Karwan Fatah-Black, Lauren Lauret en Joris van den Tol.

Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat elf van de zestien grote private investeerders van het eerste uur betrokken waren bij slavernij. Na de oprichting was de bank als instituut verder indirect betrokken bij de Nederlandse koloniale slavernij en slavernij in niet-Nederlandse gebieden, zoals Brits-Guyana. Zelf had de bank geen vestigingen in de koloniën maar er werden wel financiële diensten verleend aan ondernemingen en handelshuizen die betrokken waren bij de slavernij. In een verklaring op de eigen website schrijft de bank verder:

“Meer dan hun tijdgenoten waren meerdere vooraanstaande DNB’ers privé betrokken bij koloniale slavernij. Zo waren verschillende van hen direct betrokken bij slavernijgerelateerde ondernemingen en sommigen ook bij het management van plantages. Een aantal vooraanstaande DNB’ers organiseerde zich om de belangen van de slaveneigenaren politiek te behartigen. Slechts een enkeling zette zich in voor het beëindigen van de slavernij.”

Controversieel

Na de presentatie van de onderzoeksresultaten wees DNB-president Klaas Knot erop dat slavernij al controversieel was op het moment dat de bank werd opgericht (1814). In die tijd waren ook alle felle tegengeluiden over de slavernij in Nederland te horen. Die kwamen echter niet vanuit de bank, die zich vooral bezighield met de economie die verbonden was aan de slavernij. Knot:

“DNB-bestuurders hadden meer oog voor hun eigen belang, dan voor het lot van de slaafgemaakten. Die feiten uit het onderzoek, en de diep racistische ideeën die eraan ten grondslag lagen, raken ons diep.”

De bank staat volgens de directeur anno 2022 niet los van zijn verleden en wil daarom een aantal stappen ondernemen, met als eerste het openbaren en erkennen van de geschiedenis. Volgens Knot is dat belangrijk omdat het slavernijverleden nog altijd “een open wond is en doorwerkt in het heden”. De bank wil de komende tijd verder in gesprek gaan met medewerkers en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties. Dit onder leiding van de voormalige Amsterdamse wethouder Freek Ossel, momenteel voorzitter van de regiegroep van het nationaal trans-Atlantische slavernijmuseum. De resultaten van die gesprekken worden later openbaar gemaakt.

Het onderzoek naar het slavernijverleden van de bank is ook in boekvorm uitgebracht.

Bekijk meer over:

Nieuws, Slavernij

Alle onderwerpen
Vorige verhaal

“Afrika is de spil geweest van de machine van moderniteit”

Volgende verhaal

Het slavenschip als kapitalistisch martelwerktuig

×