Chanson de Roland
Eerder schreef ik over de mislukte Spaanse campagne van Karel de Grote en over de nederlaag die zijn achterhoede, beladen met de buit van Pamplona, leed in de pas van Roncevalles. Al heel vroeg moet iemand over die gebeurtenis hebben verteld dat Roeland heel dapper had gevochten en daardoor onsterfelijke roem had behaald. Als ik schrijf “al heel vroeg” bedoel ik “binnen enkele jaren”.

Het oer-Roelandslied, waarin alle aandacht uitging naar de moed van de gesneuvelde, moet in deze jaren zijn gecomponeerd. Met de Frankische successen werd de nederlaag bij Roncevalles immers steeds minder traumatisch en bovendien raakte Roeland, met het verstrijken der jaren, steeds verder vergeten. De nieuwe ster naast Karel was zijn zoon Lodewijk de Vrome, de held die Barcelona had genomen. Er was geen aanleiding meer om Roeland te bezingen.
Er is een tweede reden te denken dat het oer-Roelandslied al heel vroeg is geschreven: de vijand werd veranderd. Waren in feite de Basken verantwoordelijk geweest voor Roelands dood, in het jonge Roelandslied maakten zij plaats voor de vijanden waartegen de Franken in de jaren tussen 785 en 801 streden: de Saracenen.
Deze ontstaansgeschiedenis was hypothetisch. We kennen de oer-Roeland niet. Wat we wel weten is dat de soldaten die in 1066 met Willem de Veroveraar van Normandië naar Engeland overstaken, liederen zongen over Roeland. Dat zo’n lied ging over een nederlaag, was toen al minder belangrijk dan dat zo’n lied tevens ging over moed en eeuwigdurende roem. Uit deze tijd, het midden van de elfde eeuw, hebben we wel een versie van het Roelandslied: een zekere Turoldus pakte vierduizend regels lang uit om te vertellen over
- Karels succesvolle campagne in Spanje,
- de nederlaag van Roeland,
- Karels wraak en
- de bestraffing van de verrader (die werd gevierendeeld).
Het eerste deel was een opmerkelijke aanpassing van de feiten, het tweede was op hoofdlijnen waar, het derde en het vierde waren verzonnen – maar introduceren thema’s die goed passen in de jaren waarin de Franken hun macht ten zuiden van de Pyreneeën trachtten te vergroten. Karel steunde zijn mannen, ook als ze werden verslagen, en verraders werden bestraft. Misschien is dit een andere aanwijzing voor een vroege datering van de door Turoldus bewerkte oertekst, al gaat het natuurlijk om thema’s die van alle tijden zijn.
Ik las Turoldus’ gedicht toen ik zeventien was, voor mijn Franse literatuurlijst: de rechterpagina in oud-Frans, de linker in hedendaags Frans, dat ik ook niet altijd goed begreep. De jonge wijsneus die ik was, zal een exemplaar van het boek hebben bemachtigd in de Athenaeumbibliotheek in Deventer, want ik kan me niet goed voorstellen dat de Apeldoornse openbare bibliotheek het had.

Hierna schrijf ik meer over de inhoud, aan de hand van de Middelnederlandse tekst. Voor het moment nog dit: Turoldus’ Roelandslied, gecomponeerd in de elfde eeuw, was de juiste tekst op het juiste moment. In 1095 riep de paus immers op tot een Kruistocht. De door Turoldus geboden presentatie van de strijd, waarin niet de Franken tegenover de Basken staan, maar de christenen tegenover de moslims, was ineens actueel geworden. Het Roelandslied bood een kader voor de ervaringen van de Kruisvaarders en werd mede daarom in verschillende Europese talen vertaald.
David Levering Lewis, de auteur van het mooi geschreven en met de Pulitzerprijs bekroonde God’s Crucible. Islam and the Making iof Europe, 57-1215 (2008), gaat nog een stap verder. Hij noemt het Roelandslied “one of the great constitutive myths of Christendom” en een “foundational document”. Hij claimt dat het “a superordinate factor in the European sense of self and of otherness” was. Het Roelandlied zou dus de reden zijn waarop Europeanen de moslims zien als vreemden, ja als anti-Europeanen. Dat brengt ons bij de vraag wat de betekenis is van literatuur, een onderwerp waarover ik ook nog iets wil vertellen.
De Middelnederlandse tekst
Het Roelandslied was in de tijd van de Kruistochten een tophit. Het werd gezongen in allerlei talen, waaronder het Nederlands.
Van die versie zijn nog ruim duizend regels over, geschreven in de twaalfde eeuw. Het is voldoende om vast te stellen dat het uitgespannen einde van Turoldus’ Franse versie ontbrak en dat het verhaal wat nuchterder wordt verteld, maar verder zijn er vooral overeenkomsten. Net als de Franse versie is de Middelnederlandse een door-en-door religieuze tekst, waarin het christendom staat tegenover de islam. Sterker nog, het heeft trekken van een heiligenleven. Ik weet althans niet wie er anders dan een heilige, bij zijn dood, wordt afgehaald door een engel:
God selve sinen inghel sende,
Daer die grave Roelant ende.
Als even later Karel de Grote in Roncevalles verschijnt en besluit de dood van Roeland te wreken, bidt hij tot God
Doen sprac te hem haestelike
een inghel van hemelrike:
“Kaerle, u en sal daghs niet ghebreken.
Vaert u haestelijc wreken.” (882-885)

Anders gezegd: net als Jozua, op wiens verzoek God ooit de zon boven Gibeon had laten stilstaan, was Karel degene die streed voor de zaak des hemels. Dei gesta per Francos, zoals men het tijdens de Eerste Kruistocht formuleerde, “Gods daden door middel van de Franken”. Roeland is al even zeker van zijn zaak en is een vrij rechttoe, rechtaan soort held: wie niet goed vecht, zegt hij, verliest ieders respect en verspeelt zijn plaats in het hiernamaals; wie sneuvelt, gaat rechtstreeks naar het paradijs.
“Die heden niet ridder sal sijn
verliest die hulde mijn
ende den loen van Onsen Heere.
Elc pense omde ere.
Die hier sterft, waerlike,
hi vart in hemelrike.” (200-205)

“U coenheyt selen wi becopen.
Wine moghent ontriden noch ontlopen,
wi moeten alle die doet kiesen,
Vranckerike sal sijn ere varliesen.” (330-334)
Roeland is niet onder de indruk:
“Wi mochten blidelike sterven,
want wi hemelrike verwerven.” (344-345)
Dit is een sleutelpassage, die verklaart waarom de tekst niet het “Olivierslied” heet. Roeland is niet alleen dapper, hij heeft ook beter in de gaten waar het feitelijk om gaat: niet om het behoud van het leger of de eer van Frankrijk, maar om het hiernamaals. De strijd tegen de islam is volgens de dichter van het Roelandslied immers de strijd van God tegen het kwaad, en in zo’n strijd is voor aardse beuzelarijen geen plaats. Eeuwigh gaat voor oogenblick.
Vanzelfsprekend verlopen in de hemelse heerscharen sommige zaken anders dan in een normaal leger. Zo worden degenen die dodelijk zijn gewond, niet met rust gelaten, maar nog even versleept om ze neer te leggen aan de voeten van bisschop Tulpijn:
Onder enen eglantier
vant hi ligghende Olivier.
Hi nampen in den aermen sijn
ende droechen voer Tulpijn.
… Die busscop segense al gader
ende bavalse den hemelscen Vader.(726-731)
Alles draait om de hemelvaart van de krijger, zoveel is duidelijk. Ik laat het aan u zelf over de parallellen met hedendaags religieus geweld te trekken.
Mij gaat het om iets anders: de invloed van deze tekst op de Europese cultuur. Is dit werkelijk, zoals David Levering Lewis schreef in zijn hier door mij besproken boek God’s Crucible, een tekst die de Europese cultuur heeft helpen vormen? Dat is een sociaalwetenschappelijke uitspraak – en ze staat niet op zichzelf.
De invloed van het Roelandslied
Het Roelandslied is een giftige tekst. Het typeert een werelds conflict als onderdeel van de grote kosmische strijd tussen goed en kwaad, waardoor er voor medemenselijkheid geen plaats meer is. Omdat moslims zijn gedemoniseerd, is kwaad doen aan een moslim iets goeds – en dan wordt zelfs wreedheid aanbevelenswaard. Het Nederlandse Roelandslied gaat hierin verder dan het Franse: in Thuroldus’ versie krijgt de verrader tenminste nog een rechtszaak voordat hij wordt gevierendeeld, in de Middelnederlandse wordt Guelloen afgevoerd om hem te coken (te verbranden).

Ik heb al verteld dat David Levering Lewis, de auteur van het boeiende boek God’s Crucible (2008), het Roelandslied omschreef als “a superordinate factor in the European sense of self and of otherness”. De tekst zou “one of the great constitutive myths of Christendom” zijn en een “foundational document”. Dat zijn deftige formuleringen die erop neerkomen dat Europeanen, te beginnen tijdens de Kruistochten, door deze tekst zijn beïnvloed. Toen ze moslims tegenkwamen, is het idee, werden die meteen beschouwd als “Untermenschen”. De compromisloosheid van de Kruisvaarders was dus gevormd door lectuur van het Roelandslied en soortgelijke teksten.
Zou dat waar zijn? Is stereotypering zo invloedrijk? Ik weet het domweg niet.

Toch denk ik dat de invloed van het Roelandslied ook anders te interpreteren is. De gemiddelde middeleeuwse toehoorder van het Roelandslied kende namelijk helemaal geen moslims. Voor de middeleeuwers waren de Saracenen even vreemde vijanden als voor ons de Klingons uit Star Trek. Als deze analogie juist is, is het mijns inziens denkbaar dat de beeldvorming van het Roelandslied behoorde tot de eerste slachtoffers van de Kruistochten, zoals ook valt aan te nemen dat al onze noties over ET aan gruizels gaan op de dag dat we contact maken. In elk geval kenmerken de Kruistochten zich niet uitsluitend door compromisloosheid, maar ook door pragmatisme. Al vóór Jeruzalem was ingenomen, werkten christelijke en islamitische legers samen in de strijd rond Edessa.
Misschien is een parallel verhelderend: de Romeinse beeldvorming van de Lage Landen. In mijn boek De randen van de aarde (herdruk) heb ik aangegeven hoe de Griekse en Romeinse auteurs de bewoners van Germania Inferior beschrijven als besnorde wildemannen, gekleed in dierenhuiden, die leefden van de jacht en zich voortdurend bezatten als ze niet hun vrouwen aan het verdobbelen waren. Dat staat in schril contrast tot de wijze waarop Romeinse bestuurders omgingen met dit gebied, want die wisten heel goed hoe geromaniseerd het gebied feitelijk was. Ik denk dat er in een samenleving verschillende visies op “de ander” kunnen bestaan, en dat het Roelandslied één stem onder vele is geweest. Dus bepaald geen “superordinate factor” of “constitutive myth”.
Nu kan ik afronden met de constatering “het kan vriezen, het kan dooien”, of zeggen dat God’s Crucible overdrijft. Maar dat is te simpel. Ik heb een onaangenaam gevoel dat iedereen over de grootse claims heen heeft gelezen, omdat ze zo goed passen bij het idee dat de letteren belangrijk zijn. Mensen die werkzaam zijn in de culturele sector, delen enkele aannames met elkaar en zullen bepaalde vragen niet snel als relevant ervaren, domweg omdat de betrokkenen het erover eens zijn. Eén van die vragen is die naar de aard van de invloed die teksten op mensen hebben.
A great constitutive myth?
Ik heb het wel eens de simsalabim-methode genoemd: de opvatting dat een historicus beschrijft hoe in een grijs verleden iets is ontstaan en zegt dat dit verklaart hoe iets nu is. Bijvoorbeeld: de Grieken, die een cultuur hadden waarin vrijheid belangrijk was, hielden de Perzen buiten de deur en daarom zijn wij nog steeds vrij.
De fouten in deze redenering zijn legio: de aanname dat Grieken vrijer waren dan Perzen (onzin), de aanname dat de Perzen de Griekse vrijheid zouden hebben afgeschaft (weten we niet), de aanname dat onze cultuur op betekenisvolle wijze voort zou bouwen op de Griekse (kul) en de aanname dat die uitsluitend in Griekenland ontstane vrijheid alle eeuwen door steeds aanwezig zou zijn geweest, zodat met andere woorden – en voor dit stukje relevant – een continuïteit van toen tot op heden zou bestaan. De Grieken wonnen bij Marathon en Salamis, en simsalabim, wij zijn vrij.
Dit soort onzin kunt u vinden in de boeken van Paul Cartledge, Tom Holland, Anthony Pagden en Joost mag weten wie nog meer, en dat is triest, want Max Weber maakte al ruim een eeuw geleden gehakt van deze redenering. Dat ga ik nu niet uitleggen, u schuift maar aan bij een eerstejaarscollege theorie van de geschiedenis. Waar het mij nu om gaat is dat je een historische continuïteit niet mag postuleren maar moet bewijzen.

Zo bezien is de al geciteerde opmerking uit David Levering Lewis’ boek God’s Crucible dat het Roelandslied “a superordinate factor in the European sense of self and of otherness” zou zijn geweest en “one of the great constitutive myths of Christendom” erg kort door de bocht. Hij had moeten aantonen hoe de tekst een vormende werking heeft doen uitgaan op ons gevoel van wij en zij.
Hij had moeten bewijzen:
- dat deze specifieke definitie van wij en zij (christenen versus moslims) aanvankelijk alleen in het Roelandslied is te vinden (wat mogelijk is),
- dat deze definitie mensen werkelijk heeft beïnvloed (wat, zoals we al zagen, maar staat te bezien) en
- dat die invloed steeds opnieuw, van decennium op decennium, aanwezig is geweest in Europa.
Dat bewijs levert hij niet. Net zoals Cartledge, Holland en Pagden ook maar wat roepen. Of Simon Goldhill in Liefde, seks en tragedie. Als je de sociale wetenschappen maar negeert, kun je alles bewijzen. Simsalabim.
De continuïteit van een invloed, wil ik maar zeggen, moet je aantonen of (als je onvoldoende data hebt) op z’n minst aannemelijk maken. Het gaat me echter niet alleen om het bewijzen van die continuïteit, het gaat ook om het bewijzen van een invloed. Als je zegt dat een literaire tekst mensen beïnvloedt – dat er een werking van uitgaat – doe je een sociaalwetenschappelijke uitspraak. En ik denk dat ten minste één tegenwerping vrij simpel is te zien: de lezer is geen marionet die gedachteloos doet wat de tekst hem opdraagt. Hij bepaalt zelf wel wat hij gelooft.
Dat ligt zó voor de hand dat ik er verder niet op zal ingaan. Wat mij boeit, is waarom we zo gemakkelijk de sociaalwetenschappelijke aard van veel uitspraken over historische continuïteiten of de invloed van literatuur negeren.
De letterenfaculteit van de Amerikaanse Harvard University kampte een jaar of twee geleden met wat problemen en liet, zoals grote instellingen dan doen, een rapport opstellen. Weliswaar had dat een aanleiding die voor u en mij niet zo relevant is, maar het rapport biedt een mooi overzicht van de zin, de ambitie en de toekomst van de humaniora.
One of the major contributions of the Humanities over the past thirty years has been a project of critique: of revealing the extent to which culture serves power, the way domination and imperialism underwrite cultural production, and the ways the products of culture rehearse and even produce injustice.
Ik denk dat dit een grosso modo correcte beschrijving is van althans een deel van de humaniora.
Cultuuruitingen met invloed
Ik ben het er in principe ook mee eens. Ik denk namelijk dat het kritisch analyseren van cultuuruitingen zinvol is. Een voorbeeld is dit stuk uit The Guardian over de wijze waarop in films lesbische relaties worden getoond. Vaak volgen scenaristen dezelfde plot: “queer woman converts younger hetero woman”. Dat is niet aardig, meent de auteur van het stuk, want zo wordt de oudere vrouw getypeerd als een op haar prooi wachtend roofdier, terwijl het ook wonderlijk is dat de jonge vrouw een soort bekering nodig heeft. Ik vond dat een interessante observatie en het lijkt me geen onzinnige gedachte dat films met zo’n “predatory trope” inderdaad, zoals men in Harvard veronderstelt, vooroordelen reproduceren en daardoor onrecht kunnen veroorzaken.
Dit is maar één voorbeeld. Er zit een heel complex van ideeën achter, dat ik puntsgewijs samenvat:
- Er bestaan zoveel visies op de werkelijkheid als er mensen, groepen en instituties zijn.
- Sommige visies zijn dominanter dan andere omdat degenen die deze visies hebben, machtiger zijn. Bijvoorbeeld doordat ze rijker zijn of beter georganiseerd. De andere visies krijgen minder aandacht en worden soms zelfs onderdrukt.
- Dit onderscheid tussen dominante en verdrukte visies geldt niet alleen voor concrete politieke belangentegenstellingen maar ook voor cultuuruitingen.
- Eén van de taken van de geesteswetenschappen is het analyseren van cultuuruitingen om te zoeken welke visies dominant zijn en welke worden onderdrukt. Een studiegroep “homotextualiteit” kan dus kijken naar de wijze waarop lesbische liefde in films wordt getoond en een “predatory trope” herkennen.
- Tot slot kun je proberen een andere visie te formuleren en te populariseren. Met deze “deconstructie” bevrijd je jezelf van vooroordelen en kun je bijdragen aan de bevrijding van onderdrukte minderheden.
Ik weet dat woorden als “deconstructie”, “homotextualiteit” en “predatory trope” op de lachspieren werken. “Symbolisch geweld” is al even lachwekkend. Toch is dit kritische project zinvol. Ik zal niet snel de indruk vergeten die de Nigeriaanse schrijver Chinua Achebe op me maakte toen hij beschreef hoe Joseph Conrad in Heart of Darkness Afrikanen opvoerde die niet langer menselijk waren en Afrika neerzette als “a metaphysical battlefield devoid of all recognizable humanity”. Zo’n analyse heeft zin. Ze maakt duidelijk dat je in Heart of Darkness “blanke stemmen” hoort en dat “zwarte visies” niet aan de orde komen. Wie Conrads stereotypen herkent, wordt ervan bevrijd.
Doorgeschoten deconstructie
Je kunt met dit type analyse echter doorschieten. Het probleem is dat wat een bevrijdende herformulering zou moeten zijn, vaak ontaardt in een soort schuldigverklaring van al wie een vooroordeel reproduceert of een culturele uiting doet die voor deze of gene minderheid beladen is.
Een voorbeeld van dicht bij huis: een tijdje geleden verspreidden moslims in mijn buurt een brochure waarin ze (onder meer) aangaven dat christenen moesten ophouden te belijden dat Christus “geboren, niet geschapen” was. Áls (áls!) deze formulering al beledigend zou zijn voor de Eeuwig Onveranderlijke, zullen mijn islamitische buurtgenoten toch moeten erkennen dat de kerkvaders die dat γεννηθέντα οὐ ποιηθέντα schreven, de bedoeling niet kunnen hebben gehad de aanhangers te beledigen van een godsdienst die ruim twee eeuwen later zou ontstaan.
Ik beschouw de islamitische kritiek op de christelijke cultuuruiting als doorgeschoten. Ik beschouw Achebes kritiek op Conrad daarentegen als zinvol. Het verschil hangt samen met intentie: de aanwezigen bij het concilie van Constantinopel kónden niet eens aan moslims denken, Conrad wist wél over wie hij schreef. Ook schade lijkt me een belangrijke factor. Je kunt niet volhouden dat moslims gedupeerd zijn door het Credo, terwijl moedwillig racisme wél een rol speelt bij de achterstand van kleurlingen op de arbeidsmarkt.
Twee polen
Ik vermoed dat het gros der beladen cultuuruitingen ergens tussen deze twee polen in zweeft. Toen ik las over de film-lesbiennes, dacht ik enerzijds dat de analyse klopte en anderzijds dat er ernstigere problemen waren. In landen waar films over lesbische relaties getoond kunnen worden, kennen de meeste bioscoopbezoekers wel een homoseksueel stel en ik acht het weliswaar denkbaar, maar niet erg aannemelijk, dat de gereproduceerde “predatory trope” werkelijk schade toebrengt. Ja, cultuuruitingen kunnen maatschappelijke gevolgen hebben. Ja, ze zijn constituerend. Maar met mate.
Dat geldt ook voor het Roelandslied: zoals ial betoogde, is het maar de vraag of de stereotype weergave van “wij” en “zij” echt invloed kon hebben op toehoorders die nooit een moslim zagen en die, toen ze wel met de islam te maken kregen, meteen pragmatisch bleken. Ik betwijfel dat het Roelandslied een “constitutive myth” is. Ja, het is denkbaar dat het door het Roelandslied gereproduceerde “European sense of self and of otherness” mensen heeft beïnvloed, maar het is weinig aannemelijk dat dit doorslaggevend was.
Kortom
Cultuuruitingen zijn constituerend. Ze kunnen ons oordeel en ons gedrag beïnvloeden. Schade en onrecht veroorzaken zelfs. Het analyseren is zinvol. De invloed varieert echter van verwaarloosbaar via denkbaar-maar-niet-aannemelijk tot alleszins reëel. Je zou de invloed in een getal willen kunnen uitdrukken en er is ook sociaalwetenschappelijk onderzoek gedaan om schade te kwantificeren.
Het probleem
Nu kom ik dan bij de conclusie van mijn reeks over het Roelandslied. Het probleem is dat degenen die cultuuruitingen deconstrueren, steeds aannemen dat de door hen beschreven tropen, stereotyperingen en demoniseringen invloed hebben, maar dat ze deze aanname nooit onderbouwen. Als David Levering Lewis dus schrijft dat het Roelandslied “one of the great constitutive myths of Christendom” is en de tekst presenteert als “superordinate factor in the European sense of self and of otherness”, is er niemand die hem vraagt dit te onderbouwen, omdat geesteswetenschappers zulke vragen überhaupt zelden stellen.
Dat cultuuruitingen invloed hebben, constituerend werken en schade kunnen toebrengen, is een geesteswetenschappelijk axioma dat zich bevindt op het terrein van de sociale wetenschappen, maar geesteswetenschappers doen weinig om zich de daar verworven denkwijzen eigen te maken. Dat is jammer, want het zou kunnen helpen het belangrijkere van het minder belangrijke te scheiden en te focussen op onderzoek dat er werkelijk toe doet. Gisteren zagen we dat de geesteswetenschappen de sociale wetenschappen óók negeren als het gaat om het vaststellen van continuïteiten. En ik kan u nog vertellen dat enkele aannames achter de hermeneutische methode zijn geproblematiseerd door het huidige hersenonderzoek.
Je hoeft als geesteswetenschapper je grondslagen niet elke dag te evalueren, maar je kunt ook niet doen alsof je grondslagen onbesproken zijn. Je kunt niet én claimen belangrijk onderzoek te doen én andermans onderzoek naar jouw aannames negeren. Een wetenschap op onbetrouwbare fundamenten levert weliswaar leuke boeken op, zoals die van David Levering Lewis, maar biedt geen echt inzicht. Zo’n wetenschap reproduceert in feite de onder haar beoefenaars levende vooroordelen en brengt schade toe aan onze kennis.
Oorspronkelijk gepubliceerd in augustus 2015
Heilige Roomse Rijk – Samenvatting en tijdlijn
Acht verhalen over hoop en vrees in de Middeleeuwen
De jonge Karel de Grote
777: Karel de Grote in Nijmegen